Melati van Java: Zwervertje
Amsterdam: L.J. Veen, 1922


[97]

VIII.

Toen Philip ontwaakte, lag hij in een nette hut op een smal bedje, hij voelde pijn over al zijn ledematen en hevige drukking op het hoofd. Hij kon zijn gedachten maar niet verzamelen en zich herinneren, waar hij zich bevond en wat
Er stonden menschen bij hem, maar 't licht, dat uit het patrijspoortje viel, deed hem zeer aan de oogen en hij sloot ze maar spoedig weer. Iemand voelde hem de pols, "39-8" hoorde hij zeggen, toen werd hem ijs op het brandende voorhoofd gelegd, dat deed goed en weldra viel hij weer in een onrustigen, koortsigen slaap.
't Duurde dagen vóór dat hij geheel tot bezinning kwam. Nu hoorde hij het klotsen der golven tegen

[98:]

het schip, het dreunen der machine en voelde de schommeling van het gevaarte in de tamelijk holle zee.
Zoo werd het allengs helder in zijn brein; hij was aan boord van een stoomboot, die naar Indië vaarde, hij had zich verstopt in 't ruim, hij had honger en dorst geleden, hij was bang geweest daar levend begraven te zijn - hij was gevallen - dat scheen het laatste, wat hij zich kon herinneren - en nu lag hij hier zoo behagelijk, ofschoon nog wat pijnlijk.
Hij beproefde op te staan, maar hij was nog zoo zwak, dat het koude zweet hem op 't voorhoofd parelde. Bovendien was een zijner beenen gezwachteld. 't Duurde niet lang of de deur ging open en een verpleegster kwam binnen. Zij zag er vriendelijk uit en zeide vroolijk:
- Zoo! Behaagt het den jongen heer eindelijk eens wakker te worden?
Zij voelde zijn pols en streek hem langs het hoofd.
- Koortsvrij - maar ó zoo zwakjes en slap! Nu

[99:]

zullen wij eindelijk hooren, wat je daar in het ruim hebt uitgevoerd.
- Hoe kom ik hier? Heeft u mij daar gevonden? En waar ben ik nu?
- Een heel eind van Holland. In de Middellandsche Zee, over een dag of twee komen wij in Genua aan en dan - zenden wij je misschien terug naar Holland, schetste zij, maar zij schrikte van de angstige uitdrukking in de oogen van het kind, dat zich aan haar kleeren vastklampte en terwijl groote tranen uit zijn oogen sprongen, smeekte:
- Neen, neen! Ik wil niet terug gaan. Ik moet naar Indië. Oom en tante zullen de passage later wel betalen, maar laat mij hier blijven!
- Houd je bedaard! Wind je niet op! Je bent nog veel te ziek en te zwak om je aan wal te zetten, maar wij zijn toch erg nieuwsgierig om eens te hooren wie je bent en waar je naar toe wil.
Maar voor van daag was Philip zoo van streek, dat er van verder vertellen niets kwam en de zuster

[100:]

hem rustig liet liggen, na hem een kalmeerend drankje te hebben ingegeven.
Met den dag werd hij beter en sterker en nu vernam hij, dat een der officieren, die in het ruim moest zijn, hem bewusteloos tusschen de koffers en kisten had gevonden. Men was toen op de reede van Southampton. Hij droeg het kind naar boven; de dokter had moeite
hem tot bewustzijn te brengen, zijn been was gekneusd en zijn arm verzwikt. Bovendien openbaarde zich weldra hevige koorts. Men wist niet, wat met den vondeling te beginnen. De kapitein dacht er over hem naar een ziekenhuis in de Engelsche stad te doen verplegen maar de passagiers verzetten er zich tegen, het Hollandsche kind in den vreemde achter te laten.
Uit zijn papieren werd men ook niet veel wijzer, hij had niets in zijn zakken wat zijn naam of afkomst kon bewijzen, alleen eenige portretten en kleinooden.
Zijn pakje lag nog steeds in een uithoek van het ruim, daarin had hij zijn papieren geborgen. De pleegzuster, die de reis naar Indië meemaakte,

[101:]

wijdde zich aan zijn verpleging; de belangstelling in het aardige knaapje was groot en de zuster zoowel als de dokter hadden werk om de passagiers en vooral hun kinderen weg te houden van de hut, waarin Philip ziek lag.
Eerst toen men Genua voorbij was, voelde hij zich helder en sterk genoeg om de nieuwsgierige en belangstellende vragen naar zijn herkomst te beantwoorden.
De kapitein kwam hem officieel ondervragen en Philip vertelde de waarheid, maar hardnekkig weigerde hij te zeggen, waarvandaan hij kwam; zijn eigen naam noemde hij alleen. Toevallig kende geen der passagiers dien. Dr. Stuvinga had altijd te afgezonderd geleefd om bekend te zijn.
't Was een moeilijk geval voor den kapitein, maar de passagiers hadden zooveel medelijden en sympathie voor het ventje, dat zijn eenige bloedverwante ging opzoeken dat zij onder elkander een collecte hielden om zijn passage 2e klasse te betalen.
- Maar wat moet ik met het kind beginnen als

[102:]

wij in Indië aankomen? vroeg de kapitein zich af. Hoe vinden wij die fameuze tante van hem? 't Is een speld zoeken in een hooiwagen als je d'r naam niet eens kent en d'r woonplaats.
- Dat is van later zorg, zeiden de passagiers, het voornaamste is dat het kind op Java komt.
Spoedig mocht Philip op het dek zitten. Hij werd er eerst heen gedragen en lag dan uren lang op een ligstoel van lucht en licht te genieten. Hij werd ziender oogen sterker; zijn eetlust nam toe, hij kreeg weer een gezonde kleur, leerde zijn ledematen opnieuw bewegen en werd spoedig de lieveling van de geheele bemanning.
De reis liep zonder ongevallen af; in Padang kwam echter een familie aan boord, die weldra van het zonderlinge geval hoorde. Mevrouw fronste de wenkbrauwen toen zij den naam Stuvinga hoorde, alsof zij al haar herinneringen moest verzamelen.
- Heette je moeder niet Maquin, Gretha Maquin? vroeg zij aan den jongen.

[103:]

- Ja mevrouw! ja, zoo heette zij, antwoordde Philip vol vuur.
- En zij is met je vader op Java getrouwd?
- Ja, dat vertelde vader.
- Haar zuster, heette Rosalie, 't waren twee mooie meisjes en ik herinner mij nog heel goed, dat ik met hen te Batavia op school was.
- Ja, daar heeft moeder gewoond, toen zij nog jong meisje was.
- Haar vader was een rijk koopman. Ik ben er dikwijls aan huis geweest.
- En met wie is tante Rose toen getrouwd?
- Dat is 't juist, wat ik niet weet. Ik heb ze heelemaal uit het oog verloren, nadat ik met mijn ouders naar Medan ben vertrokken.
- Maar zouden wij het dan niet kunnen hooren?
- Wel zeker! Als wij op Batavia komen zal ik mijn best doen er naar te informeeren. Ik heb daar nog wel kennisjes wonen van vroeger op school - hoewel de school zelf niet meer bestaat.

[104:]

Philip was nu niet meer van mevrouw Koop af te slaan. Hij wilde al maar bijzonderheden hooren van zijn moeder en tante.
Heel veel herinnerde zich die dame er niet van, maar langzamerhand frischte zich haar geheugen op en vielen haar allerlei kleine voorvallen uit haar schoolmeisjesleven te binnen en vertelde zij die aan het met veel aandacht luisterende jongetje.
Zij nam Philip geheel onder haar bescherming hetgeen den kapitein zeer aangenaam was. Hij voelde zich nu ontheven van de verantwoordelijkheid en hoopte van harte dat het den heer en mevrouw Koop zou mogen gelukken den kleinen zwerveling in behouden haven te doen landen.
Jammer genoeg, moest de heer Koop echter doorreizen naar Makassar en daar tante Rose naar alle waarschijnlijkheid op Java woonde, konden zij Philip niet medenemen en moesten zij hem op Batavia achterlaten.
Eenige dagen later kwam de boot gelukkig zonder

[105:]

zware stormen of hooge zeeën in de haven van Tandjong Priok aan. Van daar bereikten zij spoedig de hoofdstad, het schoone Batavia.
Zoo was Philip bijna aan het eindpunt van zijn wenschen gekomen; hij was nu op het eiland Java, waar hij zijn tante en in haar een tweede moeder hoopte terug te vinden.
Maar nu was het zaak te hooren, waar zij woonde niet alleen, maar hoe zij nu heette.
Mevrouw Koop herinnerde zich gelukkig dat een van de vroegere secondantes op de school getrouwd was met een kommies bij Binnenlandsch Bestuur.
Deze woonde heel ver op den weg naar Meester Cornelis. Mevrouw liet een rijtuig voorkomen en reed dadelijk met haar jongen beschermeling er heen.
Zij werd hartelijk door haar oud-meesteres ontvangen.
- O ja, zeker herinnerde zij zich nog de meisjes Maquin. 't Waren immers tweelingen? Zij leken sprekend op elkander, de eene was alleen iets

[106:]

donkerder dan de andere, maar, zooals 't meer gaat, zij had in de laatste jaren niets meer van hen gehoord. Hun ouders waren kort na elkander aan de cholera gestorven. Zij woonden vroeger op Ternate. De eene was met een hollandschen geleerde getrouwd en naar Europa vertrokken en de andere ja - die had haar nog eens opgezocht. Zij was getrouwd met een heel netten man - hoe heette hij ook weer. Och! Zij merkte wel, dat zij oud werd, zij kon zich zoo moeilijk meer namen herinneren. Wacht eens! Misschien wist haar man het nog wel - maar de man was niet thuis en mevrouw Koop had geen tijd te wachten tot zijn thuiskomst Hoe heette hij ook weer? O ja, Jansen! meende zij.
- Jansen! vind nu maar een Jansen hier op Java. Hoe velen zullen er wel niet zijn? En waar woonde zij?
- Hij was administrateur op een land in het Cheribonsche of de Preanger, maar meer weet ik er niet van.
Heel veel wijzer waren dus mevrouw Koop en haar beschermeling niet geworden. Zij ging naar het hotel

[107:]

terug en sprak er met haar man over.
Deze hield niets van dingen, die hem in moeilijkheden konden brengen en keurde het dus maar half goed, dat zijn vrouw zich zoo druk maakte met dat onbekende jongetje, dien vondeling.
Wat moesten zij met hem beginnen?
't Eenige was een advertentie in de kranten te zetten en zekere mevrouw Jansen-Maquin op te roepen om haar neefje in ontvangst te nemen maar zij konden er niet op wachten. Het kind moest hier blijven terwijl zij verder reisden.
Zij hadden kennissen, die in Buitenzorg een gezellig indisch huis bewoonden en met echt ouderwetsche indische gastvrijheid den jongen in huis wilden nemen. Philip, overtuigd dat dit de eenige manier was om zijn tante terug te vinden, nam met alles genoegen. Hij kende maar één vrees: naar Holland te worden terug gezonden.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina