Melati van Java: Zwervertje
Amsterdam: L.J. Veen, 1922


[35:]

III.

Zuster van Werve was niet zoo heel jong meer; zij had veel ondervinding door een langjarige verplegingspraktijk; aan vele ziekbedden had zij gestaan, vele verwarde huishoudingen geredderd, maar - verklaarde zij later dikwijls - zoo'n eigenaardig gezin als dat van Philip en zijn vader had zij zich niet als mogelijk kunnen voorstellen.
De zieke was moeilijk te behandelen, hij zag haar met zeker wantrouwen aan en wilde eerst niet door haar verpleegd worden; het jongetje vond zij aardig en behulpzaam en zij verbaasde zich over zijn overleg en handigheid, die zijn jaren verre vooruit waren.
Spoedig ondervonden vader en zoon echter den invloed eener beschaafde, verstandige en vooral liefdevolle vrouw, die een sfeer van behagelijkheid om

[36:]

hen schiep. Nu merkten zij eerst, hoeveel zij in den laatsten tijd hadden gemist en werkelijk schenen levenslust en werkkracht weer bij den zieken man terug te keeren.
Hij zag er in de veertien dagen, die de zuster in het eenzame huis doorbracht spoedig veel beter uit.
Hij klaagde niet meer over de kou, de zuster wist hem te overreden naar beneden te gaan en in de veel aangenamer huiskamer te wonen.
- 't Was zooveel makkelijker voor Philip als hij niet telkens de trappen op hoefde te gaan, beweerde zij, en 't was veel frisscher 's nachts in een andere oed geluchte kamer te slapen.
Dr. Stuvinga stemde er in toe met zijn boeken en paperassen naar onder te verhuizen. Philip vond het hier veel gezelliger, je kon op straat kijken en 't was er lang zoo benauwd niet als boven.
Toen de zuster vertrok, had zij er voor gezorgd, dat de Stuvinga's een behoorlijke dienstbode kregen, een vlug bij de hand meisje, dat redelijk koken kon,

[37:]

zoodat Philip gerust naar school ging, zonder zich bekommerd te maken over zijn vader.
Gedurende een dag of tien ging alles naar wensch, maar op zekeren middag thuis komend vond Philip het meisje gevlogen en op de keukentafel lag een briefje naast de sleutelbos met de mededeeling, dat laantje het hier te stil vond en dus maar besloot heen te gaan.
Later merkte Philip dat zij 't noodige aan zilver, tafel- en lijfgoed had meegenomen.
- Zie je wel, zei zijn vader, toen hij het jobsnieuws had gehoord, dat komt er nu van vreemd volk in huis te halen. Waar dient het voor? Wij kunnen ons toch best alleen helpen.
"Wij" beteekende eigenlijk enkel Philip. 't Jongske stak weer zijn handen uit en werkte even hard als te voren. Zijn vader zat steeds bij de warme kachel en dutte telkens in, Philip had 't eigenlijk te druk om er op te letten.
Op school had hij repetitie, hij moest al zijn verstand

[38:]

bij elkaar houden om het repetitiewerk goed af te maken terwijl de huishoudelijke zorgen hem nog meer dan ooit drukten.
Hij zag er slecht van uit, zijn oogen waren donkerblauw omkringd, hij werd broodmager en sliep slecht; voor eten gunde hij zich nauwelijks tijd.
Mevrouw Vreeburg kwam hem eens in het stadje tegen.
- Foei, wat ziet dat zoontje van je patient op den Rijnbergschenweg er ellendig uit, sprak zij thuis gekomen tot haar man. Bezoek je hem nog wel eens? Dan moet je dat ventje ook eens onder handen nemen.
- 't Is goed, dat je mij er aan herinnert. Ik zal van daag of morgen er eens langs loopen, maar ik geloof dat ze Zuster van Werve en haar huishoudelijk gedoe meer noodig hebben dan mij.
Philip wandelde dien middag naar huis, want zijn fiets was in den maak. Hij was een beetje ongerust en wist zelf niet waarom; van middag was vader alleen iets stiller geweest dan anders.

[39:]

Toen hij hem een bord met in melk geweekte beschuiten had gebracht, schrikte hij als uit diepe sluimering op, en keek zijn zoontje verbaasd en verward aan.
- Wat is 't? Wie ben je? vroeg hij hakkelend.
En toen hem herkennend:
- O ben jij 't Philip! Wat wil je?
- Dat u dit op eet, vadertje!
- Och kind! en hij keerde zich onwillig om, plaag me toch niet!
- 't Is zoo lekker vader, 't zal u goed doen!
- Zet maar neer! Strakjes!
En hij viel weer in zijn dommeling terug.
't Was schooltijd en nu hij geen fiets had, moest Philip wel vroeger heen gaan. Even bedacht hij, of 't niet beter zou zijn thuis te blijven - maar dat zou vader niet goed vinden en hij dekte, zooals Zuster hun geleerd had, de tafel met het servet, zette er het brood met beschuitpap en een lepel op neer, deed vader nog een servet voor om het morsen te beletten,

[40:]

plaatste een glas met kwast er vlak bij en zeide zijn vader goeien dag.
- Ik ga naar school, pappie! Tot straks!
- Dag Philip, dag beste jongen! Zal je goed leeren?
- Ja, vadertje! Ik heb repetitie.
- Zoo, doe goed je best!
- Eet u dan ook uw beschuiten op?
- Zeker, zeker!
Vaders stem klonk heel gewoon, of eigenlijk zoo als hij ze in jaren niet had gehoord, zoo flink en helder. Hij ging even terug en kuste hem op het gerimpelde voorhoofd.
- Vader heeft geen koorts, dacht hij nog even, zijn huid is zoo koel.
En toen haastte hij zich naar school. Aan dit alles moest Philip terugdenken en toen begon hij te overwegen, hoe weer aan een dienstmeisje te komen.
Jammer dat de zuster niet meer in Banveld was maar een verpleging had aangenomen in Haarlem;

[41:]

't zou zoo gemakkelijk zijn geweest haar te verzoeken er voor te zorgen.
Wie kende hij hier anders?
O ja, mevrouw van den dokter. Die was laatst zoo vriendelijk tegen hem geweest en dan kon hij meteen den dokter vragen eeas weer naar vader te komen zien.
Jammer dat hij er zooeven niet aan gedacht had; nu was hij de stad reeds uit. Met teruggaan zou hij te veel tijd verliezen.
Hij had zoo'n jacht naar huis van daag. Neen, 't was onverantwoordelijk - dit woord had Zuster van Werve gebruikt - zijn vader zoo'n heelen middag alleen te laten.
Hij huiverde en versnelde zijn stap. 't Was een druilige namiddag, de nevels hingen laag over de ver uitgestrekte weiden; door de reeds met zacht groen dons bedekte boomen raasde de Westewind en zwiepte hun takken meedoogenloos door elkander.
- Vader moest eens iets overkomen. Hij zou kunnen vallen, zich branden aan de kachel - wat al niet?

[42:]

Angst snoerde hem de keel toe; als zoo iets gebeurde wat dan? Hoe zou hij het zich steeds verwijten!
Als door den wind voortgestuwd rende het jongske voort; en terwijl hij zoo holde herhaalde hij onophoudelijk in zich zelf:
- 't Is de laatste keer! Ik blijf thuis of anders moeten wij een meid hebben voor dag en nacht. 't Gaat zoo niet langer.
Eindelijk stond hij voor 't huis en bleef even ademloos staan. Vader moest niet zien, hoe hij zich had gerept.
Hij maakte het hekje open, ontsloot de huisdeur en trad den gang in. De stilte rondom, viel hem op.
- Nu ja, 't was immers altijd zoo, vader maakte geen leven; zou hij nog slapen?
Voorzichtil opende hij de huiskamerdeur en bevond zich in het half duistere vertrek.
In den haard glommen nog eenige gloeiende kolen; schaduw vulde alle hoeken, 't was of de grauwe mist

[43:]

van buiten naar binnen zeefde, het leek hier zoo kil en griezelig.
- Dag pappie, riep Philip met een stem, die hij vroolijk wilde doen klinken, wat is het hier weer koud. Is de kachel uit?
Geen antwoord.
Hij liep naar de tafel, waarachter zijn vader in den leunstoel gedoken zat. Even merkte hij nog dat het bord met beschuitpap daar onaangeroerd stond.
Zijn vaders hoofd was diep op de borst gezonken.
Ontzetting greep het kind aan, hij durfde geen stap vooruit te zetten - wezenloos staarde hij zijn vader aan en toen riep hij in doodsangst, de handjes uitgestrekt:
- Vader, pappie! word toch wakker! Hoort u mij niet? Mij, Flippie?
Geen antwoord kwam, geen beweging doorschokte het diep ineen gezakte lichaam.
- Vader, vader!
En toen wierp hij zich op den reeds levenloozen

[44:]

vorm, schudde hem aan den arm, schreeuwde hem in zijn ooren - altijd harder: - Vader, vader! 't baatte niets, vader zakte ineen, en toen Philip hem wilde kussen, schrikte hij terug, zoo onnatuurlijk, zoo akelig koud deed de aanraking hem aan.
Nu begreep hij 't verschrikkelijke! Vader was gestorven, alleen, zonder dat iemand hem in de ontzagwekkende ure nabij was; dood - als moeder - en hij stond nu alleen, geheel alleen.
De vreeselijke waarheid grijnsde hem in al haar wreedheid toe, niemand ter wereld, die hem nabij was, wien hij eenigszins aanging, vader was overleden - vader, zijn eenige beschermer of liever zijn beschermeling, voor wien hij zorgen en werken moest, o God, God! dat het juist nu gebeuren moest, nu hij niet thuis was, nu hij van plan was een meid te huren, om hem nooit weer alleen te laten.
Geen woord had zijn vader hem kunnen zeggen, geen aanwijzing doen, hij wist niets van zijn vaders zaken, dan alleen dat hij van een klein pensioen

[45:]

leefde en van de rente van eenige effecten, die in een trommel lagen boven in de kast. Dan knipte vader, als het tijd er toe was, de couponnetjes en Philip verzilverde ze in de stad.
't Viel als een berg op hem neer, wat hem wachtte, wat hij moest zeggen en doen - ach! en hij was zoo jong - en dan, heel alleen voor alles staan.
Vroeger had hij vader nog gehad - nu eerst merkte hij welk een steun hij nog bezat in den zonderlingen, eenzamen, menschenschuwen man, maar nu was vader dood, dood als moeder, nooit zou hij zijn stem weer hooren, zijn liefkoozingen voelen, nooit hem meer mogen goeddoen, hem vertellen van zijn school, van de planten en insecten, door hem onderweg gevonden - nooit, nooit meer!
En luid snikkend wierp hij zich op de knieën voor zijn vaders ziellooze gestalte, kuste zijn griezelig kille handen en bad uit het diepst van zijn kinderzieltje:
- Vader! als u in den hemel is bij moeder, roep

[46:]

mij dan spoedig bij u. Ik kan hier niet langer blijven, zoo heel alleen, zoo verlaten.
't Was donker geworden, buiten ging de natte nevel in regen over. De druppels kletterden tegen de ramen, in de verte huilde akelig een hond, de kachel was nu geheel uitgegaan en klamme kilte doordrong het vertrek.
Hoe lang hij daar gelegen had met zijn vader's reeds verstijfde handen in de zijne, wist Philip niet, misschien was hij wel in een soort verdooving gevallen, misschien ook ontfermde de slaap zich over het ongelukkige kind.
Toen hij weer tot bezinning kwam, kon hij niets meer in de kamer onderscheiden. Flauw teekenden zich alleen de omtrekken van het raam tegen de donkere buitenlucht af.
't Duurde een poos vóór hij zich weer in zijn droeven toestand kon indenken, toen kwam alles met een pijnlijken schok hem weer voor den geest.
- Vader is dood! En ik heb niets en

[47:]

niemand meer - en er moet toch iets gebeuren.
Hij herinnerde zich hoe de vriendelijke handen van een pleegzuster zijn moeder hadden afgelegd, hoe zij in een wit kleed was gehuld, hoe jong en mooi zij er toen had uitgezien - hij rilde, hoe zou hij dat kunnen doen met den ineengezakten vorm van zijn vader. Hij moest toch hulp hebben, vader moest begraven worden, zooals moeder! Hoe vreeselijk, hoe vreeselijk, vader nooit meer te zien, nooit meer aan te raken. En waar zou hij heen gaan? Wie roepen?
Over zijn heele lichaam schokkend en bevend, rees hij op, zocht rondtastend de lucifers en stak toen de lamp, die midden op tafel stond, op.
Het tamelijk flauwe licht wierp zijn glans over de meubels, die er zoo geheel anders schenen uit te zien dan gewoonlijk. Dreigend, spottend, was het of zij hem aanstaarden, en daar achter de tafel, waarop nog zijn boeken en papieren door elkander lagen met het niet aangeroerde glas kwast en de beschuiten

[48:]

in melk geweekt, de levenlooze gedaante van hem die eens zijn vader was geweest.
Philip stond besluiteloos. Er moest iets worden gedaan, maar wat en hoe? Hij moest iemand roepen, iemand vertellen, wat er gebeurd was, maar dan zou vader alleen blijven, dat kon ook niet.
Na dat de meid hier diende, kwam Sina niet meer. Hij had nog beproefd haar weer te laten komen, maar, beleedigd als zij zich voelde door de komst der dienstbode, bedankte zij voor de eer onder voorwendsel, dat zij reeds een ander werkhuis had. Op haar viel dus niet te rekenen.
Maar 's morgens kwam de melkboer altijd aanschellen, dien kon hij met een briefje naar den dokter zenden, den eenige, met wien hij bekend was. Tot dien tijd moest hij maar hier blijven, waken bij zijn vader, den heelen, langen nacht.
En hij durfde niet naar boven gaan, niet naar zijn slaapkamer, hier wilde hij blijven met alles, wat van zijn lieven vader was overgebleven en met gevouwen

[49:]

handen staarde hij naar de dierbare trekken, als wilde hij ze voor goed in zijn geest prenten, telkens zich afvragend:
- Vader, vader, wat wil u dat ik ga doen? Naar wien zal ik toch gaan, ik ken niemand, ik heb geen familie...
Daar flitste het hem door het hoofd:
- Tante Rose, moeder's tweelingzuster, die zoo sprekend op haar moet lijken. Zij is in Indië, diep in de binnenlanden van Java, daar wil ik heen, dat wilde moeder hebben. Vader zag tegen de reis op, maar ik niet. Naar tante zal ik gaan, naar tante Rose.
En heimwee vervulde zijn ziel naar de verre bloedverwante, naar de onbekende tante, die zoo sprekend op moeder leek en die hem zou liefhebben en streelen, zooals zij het had gedaan. Ja, tante zou hem vader en moeder vergoeden - hij voelde weer hoop en was bijna getroost in zijn groot verdriet.
Vader had het hem zeker ingefluisterd dat plan, dat was 't wat zijn overleden ouders van hem ver

[50:]

langden. 't Was zijn plicht hun wensch te vervullen, hoe moeilijk 't hem ook zou vallen.
Er werd gescheld, het was de dokter, die zijn patient wilde bezoeken en te laat kwam.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina