Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[276:]

XXII.

Zij kwamen van de wandeling terug, een heerlijke wandeling; beider gelaat straalde van nieuw jong geluk. Het had Otto weinig moeite gekost zich van Daisy's liefde te verzekeren; hij had het immers gezegd, haar hart was als was in Willem's handen; een wenk van hem was voldoende geweest om haar naar Otto te doen keeren.
Haar gedachten waren sedert lang met hem bezig, eerst was het diep medelijden toen zij zag hoe haar stiefmoeder hem bedrogen had, en hierop volgde bewondering over de wijze waarop hij zijn leed droeg en nu hij haar verklaarde, dat zij en zij alleen voortaan hem troosten en gelukkig maken kon, toen was 't of haar leven plotseling een andere gedaante aannam of daar een zon in opging, die nu reeds haar omhulde in schitterenden gloed.
Zoo kwamen zij bij Willem terug en een blik op hun

[277:]

houding, hun gezichten toonde hem dat Otto geslaagd was boven verwachting en tevens voelde hij dat de laatste band, die hem hechtte aan het leven losging.
Het was een illusie, niets meer, een dwaze, monsterachtige illusie noemde hij haar, te verwachten dat dit kind iets anders dan kinderliefde voor hem koesteren kon.
Daisy verborg haar gloeiend gelaat tegen zijn borst.
Willem kuste haar op het voorhoofd en gaf Otto de hand.
"God zegen je, kinderen!" zeide hij, "nu kan je vader gerust heengaan."
"Neen, neen!" riepen beiden, "u blijft bij ons. U moet ons geluk zien; wij zullen u verzorgen en liefhebben. Nu begint pas uw geluk."
"Ja, mijn waar leven gaat beginnen," zeide Willem ernstig, "dit was nog maar het treurige voorspel."
Na dezen dag ging zijn toestand hard achteruit; hij werd bij den dag zwakker en zijn benauwdheden namen toe; met koortsachtige haast zette hij spoed achter het huwelijk.
Otto en Daisy hadden hier niets tegen, alleen hinderde het haar, dat zij door de drukte der toebereidselen niet zooveel zorg aan zijn verpleging kon besteden als zij wel verlangde, maar Willem scheen eerst kalm te worden toen de dag bepaald was.
Er was geen kans meer op, dat hij hun vergezellen kon; hij bracht zijn dagen op bed of op een stoel door.
Eindelijk, op den huwelijksmorgen, die schoon en glanzend opging, een warmen Junidag, kwam Daisy in haar eenvoudig wit kleed binnen; haar oogen vol tranen, knielde zij voor hem neer.

[278:]

"Oom Willem," zeide zij, "ik dank u voor alles, ik ben zoo gelukkig! Wanneer u met mij mee kon gaan, dan ontbrak er niets aan mijn geluk."
En zij drukte haar gelaat op zijn vermagerde wasgele handen.
Zijn lippen trilden, zijn oogen stonden vol tranen.
"Goddank! Daisy, dat wij elkander ontmoet hebben. Je bent de laatste zonnestraal geweest in een leven, dat niets dan schaduw meer was."
Dien middag namen zijn aanvallen in hevigheid toe; de dokter vreesde het ergste en waarschuwde Otto; het was een zonderlinge huwelijksdag voor hen, maar Daisy wilde er niet van weten, haar stervenden pleegvader te verlaten.
Zij bleef aan zijn ziekbed, het bruidje van eenige uren en hij volgde haar met zijn reeds half gebroken oogen.
IJlend riep hij telkens twee namen: Daisy en Nonnie, en eerst als de hand van de jonge vrouw op zijn hoofd rustte en zij met haar vriendelijke oogen hem teeder aanzag, scheen hij iets rustiger te worden.
"O Dalsy, ik ben zoo rustig, zoo blij. Onze Lieve Heer heeft het zoo goed met mij gemaakt," zeide hij, "wees niet bedroefd om mij. Ik voel het, nu eerst zal ik geluk kennen en ik verlang er zoo naar! Ik heb zooveel moeten missen."
Nog eenige dagen bleef hij leven en sliep toen nog onverwacht in; zacht en kalm lag hij daar neer, uitgeput van den strijd en de smart des levens.
"Zou men niet zeggen Otto," zeide Daisy diep be

[279:]

droefd maar kalm tot haar man, "dat men op zijn gezicht den weerglans ziet van het nieuwe leven, waar hij zoo naar verlangde?"
"Hij heeft het echte goud gevonden Daisy, na al het "prada" van deze wereld te hebben gemist."

Eenige uren later kwam er aan het station een dame aan; zij was elegant gekleed, haar oogen schitterden van vreugde en blijde verwachting.
"Wat zal ik hen verrassen," dacht zij en stapte in de eenige kleine victoria, die voor het station op reizigers wachtte en bijna nooit gehuurd werd.
"De singels om," beval zij den koetsier op den toon van iemand, die hier goed den weg wist, en achterover leunend keek zij met welgevallen rond.
Ja, zij had alle reden tevreden te zijn; zij had een grooten weg gemaakt, zij had veel achter zich, maar dat was geleden, nu ging zij haar belooning ontvangen en toen herinnerde zij zich een regenachtigen, killen herfstavond toen zij hier terugkwam met een donkere toekomst vol afhankelijkheid voor zich.
Zij vond het een goed teeken dat de zon zoo vroolijk scheen, dat het onbeduidende stadje er nu lief, frisch en levendig uitzag; dat was het beeld van haar toekomstig leven, alle duisternis; alle kilheid, lag verre achter haar, geluk, liefde, rijkdom kwamen haar vereenigd tegemoet.
Zij had het niet langer op Java kunnen uithouden; met ijzeren banden scheen Europa haar aan te trekken.
Zij waarschuwde niemand, met haar hofstoet van be

[280:]

dienden en haar zoontje verliet zij Batavia; in Genua stapte zij uit en liet haar kind met zijn kinderjuffrouw en baboe met de boot verder reizen.
De arme jongen had nooit haar hart warmer doen kloppen; dat kleine hart was nu te veel vervuld door een gevoel, door een naam: "Otto, Otto!"
Nu kon zij hem alles schenken, hij behoefde slechts te ontvangen; een blik, zij vertrouwde er vast op, dan lag hij weer aan haar voeten.
Zij werd rood en bleek bij de gedachte dat over weinige minuten het oogenblik zou komen, waarnaar zij zo lang had gesmacht, het doel van haar leven, het eind punt van haar wenschen.
Hoe goed was alles gekomen! Voor 't eerst van haar leven voelde zij er behoefte aan, zich te herinneren dat er een God bestond, wien zij dank verschuldigd was voor zooveel geluk.
In de verte zag zij de schoorsteenen der fabriek, hoe lang was het niet geleden, dat zij onder hun schaduw een afscheid namen voor altijd! Ja, zij was de verstandigste geweest van hen beiden, nu werd zij beloond voor dat verstandig overleg.
De koetsier vroeg haar, waar zij nu heen wilde rijden. Zij gaf het adres van haar vaders huis. In de overmaat van haar geluk moest zij zich goed en mild toonen voor Willem, voor haar stiefdochter. Het rijtuig hield voor de eens zoo gehate deur stil, zij merkte niets van de gesloten blinden; haastig rekende zij af met den koetsier; de deur stond aan als vroeger en zij liep naar binnen.

[281:]

"Willem zal zich niet doodschrikken als hij mij ziet," zeide zij bij zichzelf en bleef even staan, om tot bedaren te komen; alles klopte in haar, aan haar broer dacht zij nauwelijks.
"Otto, Otto!" riep zij slechts en toen wilde zij de deur openen der zijkamer; zij hoorde zacht praten en eensklaps, zij wist zelf niet hoe, overviel haar een koude rilling, de nabijheid van den dood, die zich altijd laat voelen, zelfs onbewust.
Onhoorbaar trad zij binnen, de duisternis verblindde haar oogen; zij onderscheidde eerst niets, de stem stikte in haar keel, maar Otto en Daisy die voor de tafel zaten, zij met het hoofd op zijn schouder, hij met den arm om haar, sprongen op toen zij in het lichtvak der deur plotseling de vreemde gestalte zagen.
"Leonore!"
"Wat beteekent dat?"
"Dat je vandaag komen moest, een paar uur vroeger en je had hem nog getroffen."
"Wie getroffen?"
"Weet je het niet? Je broer, Willem!"
Zij deed een paar stappen in de kamer als wvezenloos. Daisy bleef schuw achter de tafel staan, terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden.
"Is hij dood?" vroeg zij met verstikte stem.
Daisy knikte van ja en Otto zeide:
"Nog geen twee uur geleden. Je komt te laat!"
Zij zag hem strak aan als begreep zij hem nog niet.
Toen nam Otto Daisy bij de hand en vroeg:
"Leonore, mag ik je mijn vrouw voorstellen?"

[282:]

Daar vertrok haar gezicht eensklaps en 't viel beiden op hoe veranderd en verouderd zij was ondanks allen schijn van schoonheid en elegantie.
"'t Is niet waar!" riep zij in waren doodsangst.
"Toch wel," antwoordde Otto, "'t is de laatste goede daad van je broer geweest, zijn pleegkind aan mij toe te vertrouwen voor altijd."
Zij viel neer en barstte in een wanhopend snikken los, zooals zij misschien nog nooit had gesnikt. Daisy liep de kamer uit om een glas water te halen en toen klaagde zij:
"O Otto, waarom niet gewacht!"
"Maar Prada," en al zijn verontwaardiging sprak zich uit in dat woord, waarrpede hij voor 't eerst van zijn leven haar noemde.
Daisy kwam met het gevulde glas terug; woest stiet zij het van zich af en opstaande vroeg zij hijgend:
"Waar ligt hij?"
Daisy ging haar voor naar de achterkamer, waar hij nog op zijn sterfbed lag en toen liet zij haar alleen.
Leonore wierp zich ter aarde en het gelaat in de handen verborgen; voelde zij dat haar spel verloren, haar leven bedorven was.
"Wat trekt zij het zich aan," zeide Daisy, "dat had ik niet van haar gedacht, zij valt mij mede."
Otto glimlachte even en antwoordde toen hoogst ernstig:
"Zij hebben beiden wat zij zochten - Willem het goud en zij - Prada!"


inhoud | vorige pagina