Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[223:]

XVII.

"Geloof je het nu?" vroeg Willem aan Otto, die voor hem zat, het hoofd in de handen en een brief voor hem op tafel. Hij bleef zwijgen, geen woord kon hem over de lippen komen, zoo bedwelmde hem de pas ontvangen slag.
"Het zijn haar letters, 't is haar hand," ging Willem voort, "je kent ze genoeg. Kom vriend! maak je er eindelijk van los. Je ziet, zij speelt met je. Zij heeft geen hart, geen gevoel. 't Is Prada, niets dan Prada!"
"Ach God! Moet het dan weer van voren af beginnen alles en alles, " zuchtte Otto, "ik was er reeds bijna over heen, doch ik weet niet, wat voor duivel mij ingaf ,eens naar Amsterdam te gaan en haar te bezoeken."
"En toen deed zij je weer het touw om den hals en jij onnoozele liet dat toe."
"O, zij was zoo lief, zoo..." verder kwam hij niet, en barstte in een wanhopig snikken uit.

[224:]

"Daar heb je het nu!" Willem ergerde zich bepaald, "dat gaat aan tafel zitten huilen als een kind, om een meid, die niet waard is zijn schoenen te poetsen."
Maar Otto hoorde hem niet; de lang ingehouden smart baande zich een weg en hij kon den stroom niet tegenhouden. Daisy kwam juist binnen, zij ook zag er bleek en lusteloos uit en toen zij Otto daar in zijn droefheid zag, wilde zij bescheiden heengaan.
"Daisy geef hem een glas water," fluisterde Willem haar toe, "die arme kerel! Jij bent toch van de familie.'"
Het meisje haastte zich hem het glas te brengen, haar eigen oogen stonden vol tranen, en toen zich over hem buigend zeide zij met haar eenvoudig, lief accent:
"Arme mijnheer Otto! Niet zoo bedroefd zijn, drinkt u eens wat!"
Hij drukte haar hand in de zijne en legde die toen in een behoefte aan troost en verlichting op zijn voorhoofd, dat gloeide als vuur.
"Ach Daisy! Daisy! Wij verliezen beiden wat ons het liefste is."
"Wees u maar blij!" ging het meisje voort, "u is gelukkiger dan mijn arme Papa!"
Willem keek het groepje philosophisch aan en dacht in zichzelf:
"Wie zou nu zeggen, dat die twee die daar zoo aangaan en mekaar troosten hun verdriet te danken hebben aan mijn zuster? En ik moet het aanzien en aanhooren en kan er niets aan doen!"
Hij nam den brief weer op; het waren eenige regels van Leonore; zij meldde eenvoudig haar engagement

[225:]

met den heer Mac Dunolly, dat zeer spoedig door haar huwelijk gevolgd zou worden. Zij had nu haar intrek genomen bij haar vriendin uit wier huis zij in alle stilte en eenvoud wilde trouwen. Onmiddellijk na het huwelijk vertrokken beiden naar Indië.
Op Willem's grooten brief geen woord, alleen in het post-scriptum stond:
"John zal je nader schrijven over zijn dochter. Hij is zeer verontwaardjgd over haar escapade en ik heb de grootste moeite hem te kalmeeren. Natuurlijk hebben wij groote angsten om haar uitgestaan. Voorloopig wil John dat zij bij je blijft."
Deze brief had een groote scène ten gevolge.
Willem had de grootste moeite gehad het kind weer meester te worden, zij jammerde om haar vader, dien zij nu verloren had, verklaarde niet mee te willen naar Indië, alles op haar gewonen heftigen toon, vergezeld van de wildste uitingen. Eindelijk bracht Willem haar plotseling tot bedaren door de vraag:
"Maak je nu al dat geweld, omdat ik je oom word?"
Daar had zij niet aan gedacht; zij zag hem verbaasd aan en toen wierp zij zich plotseling hartstochtelijk snikkend om zijn hals en riep:
"Oom, lieve oom! Maar dan mag ik bij u blijven en ik laat ze alleen gaan naar Indië en ik verlaat u niet."
"Zoo, begrijp je dat voordeeltje eindelijk, en ga nu naar je kamer en je komt niet terug voor je heel kalm en verstandig bent."
En nauwelijks was hij met haar klaar of daar kwam Otto en Willem kreeg met hem weer bijna evenveel te doen.

[226:]

"Alles om die Prada!"
Daisy voelde zich intusschen aangetrokken tot Otto, hij bezat in haar oogen al het aantrekkelijke, wat Leonore verloren had; hoe kon die freule hem zoo bedriegen? Zij wilde het haar vader schrijven, alleen Willem's verbod hield haar tegen of meer nog de vrees zijn zuster te verraden.
"Maar als Papa ongelukkig wordt?" zuchtte zij telkens:
"Wees niet bang, Daisy, Leonore zal wel zorgen dat je Pa een goed leven bij haar krijgt."
De dagen gingen intusschen om en Mac Dunolly schreef maar niet; met veel moeite haalde Willem Daisy over een onderworpen briefje aan haar vader te schrijven en hem vergiffenis te vragen voor haar vlucht.
Hij drong er echter niet op aan het kind een onderwerping te laten huichelen tegenover de aanstaande stiefmoeder, welke zij toch niet gevoelde.
Juist een post later verscheen een annonce van beider ondertrouwen in antwoord op Daisy's brief kwam er een allerliefst episteltje van Leonore aan haar "Darling Daisy". 't Speet haar erg, Papa was nog zoo boos en wilde niets van haar weten. Hij kon het maar niet vergeten, dat zij hem zoo veel angst had bezorgd; zij had hem verzocht Daisy mee te nemen naar Indië maar hij weigerde nog steeds. Wat hij besliste over haar wist zij nog niet, maar zeker was het dat zij haar invloed op haar bruidegom zou gebruiken om een gunstig besluit voor haar uit te lokken.
"Ik heb geen vader meer!" snikte Daisy toen zij den brief gelezen had.

[227:]

Willem nam hem nu ter hand; een ding stond bij hem vast. Prada's invloed op den ouden heer was almachtig. Zij had ook hem verblind, zooals zij Otto verblindde.
In de gegeven omstandigheden kon hij niets beters doen dan met haar goede vrienden blijven ten wille van het arme kind; hij schreef haar dus in zeer gematigde termen om haar te raden Daisy op een pensionnaat te doen; zij was nog zoo jong, pas zestien jaren; twee of drie jaar op den kostschool zouden haar goed doen. Tegen dien tijd zou zij zich wel in zoo verre geschikt hebben in den toestand, om zonder wrok en ergernis Leonore als haar moeder te erkennen. Ten slotte speelde hij zijn laatste troef uit en waarschuwde zijn zuster, niet te hard over het kind te denken, want het had een al te diepe impressie op haar jong onschuldig gemoed gemaakt, twee keer zoo kort achter elkander haar gouvernante te zien geliefkoosd door een anderen man. In hoeverre deze indruk geschikt was haar eerbied voor de aanstaande moeder te verhoogen, liet hij aan haar oordeel over.
Dit hielp! Reeds zeer spoedig kwam het berieht, dat Mac Dunolly Willem's plan uitstekend vond, hij moest maar een kostschool aanwijzen en hij zou een volmacht ontvangen om als Daisy's voogd op te treden; maar zijn kind terugzien, dat wilde hij in geen geval, daarvoor had zij hem te diep beleedigd.
"Alweer een slimme streek!" dacht Willem, "zij gaat met hem naar Indië en neemt geen afscheid, noch van mij, noch van het kind, noch van Otto. Alles wat minder netjes is in de behandeling wordt daardoor uitgewischt en vergeten. Ik bewonder mijn zuster."

[228:]

Daisy hoorde met een verwonderlijk kalm gezicht alles aan; zij streefde niet tegen het kostschoolplan, zoodra zij hoorde dat het van Willem kwam.
"Als u het voor mij goedvindt, is 't zeker ook het beste!" zeide zij.
Ook dat zij haar vader niet meer zou zien, liet haar onverschillig; 't was beter, zeide zij, hem niet te zien want:
"Ik schaam mij zoo en misschien zou ik te veel zeggen. Als Papa gelukkig wordt met haar, dan is 't het voornaamste."
Mac Dunolly en Leonore trouwden zonder iemand der familie daarbij uit te noodigen en zij schenen te vertrekken naar Indië, zonder dat Daisy een enkel lettertje van haar vader ontving; de villa was opgeruimd, het huisraad naar de verkooping gezonden, de huishoudster en de andere dienstboden met vol loon ontslagen, alles binnen één maand. Leonore had wonderen van energie verricht om haar doeI te bereiken.
Willem schreef nog eens en nu aan zijn nieuwen zwager om hem te verzoeken zich niet zoo onverzoenlijk te toonen tegenover Daisy; hij stond voor haar in dat zij allen eerbied zou bewijzen aan Leonore, maar er kwam niets dan weer een brief van haar met de verzekering dat al haar pogingen om het hart van haar man tot vergevingsgezindheid te neigen vruchteloos bleven.
Op den morgen van hun vertrek werd het Daisy in huis te benauwd; zij ging de straat op voorbij "Arethuse" naar het bosch. Het was een warme Februaridag; de zon scheen zoo helder en vroolijk, de weide, nam een

[229:]

groen waas aan en de struiken bedekte reeds een groen dons, aan de boomtakken zwollen de knoppen en overal ofjpenden zich de sneeuwklokjes. Er ging door de heele natuur een adem vol jonge frischheiden levenslust; maar Daisy liep zonder om te zien voort; haar hartje kromp ineen van droefheid en pijnlijk verlangen; zij dwaalde door de heide en eindelijk, aan den zoom van het bosch, wierp zij zich op den grond neer en, met de armen over de knieen geslagen, bleef zij troosteloos met strakke oogen voor zich uit staren.
Zij zat juist op de plek waar Otto en Leonore eens een afscheid hadden genomen, dat zij ten minste voor eeuwig had gehouden en dat toch door zulk een korte,vruchtelooze toenadering was gevolgd, maar dit wist Daisy natuurlijk niet.
"Daisy," hoorde zij zacht achter haar. Zij keek om en zag Otto voor haar staan, die evenals zij zich uit het huis gedreven voelde en onwillekeurig weer deze plek vol herinneringen opzocht. Hij ook zag er slecht en lijdend uit; de gedachte aan Leonore's trouweloosheid liet hem geen rust. Den ring had hij nog niet kunnen afleggen want deze zou hem nu voortaan herinneren aan haar verraad; eerst was hij van plan geweest hem terug te zenden, maar dit kon een onedele wraakneming worden en hij liet het dus zonder moeite.
Daisy stond op en gaf hem de hand, haar oogen zagen diep treurig in de zijne, haar lief gezichtje stond doodsbleek, haar weerbarstige krulletjes sprongen van onder uit haar bever toque, langs haar oortjes en hals; zij zag er zoo lief uit dat zelfs Otto in al zijn verdriet er oogen voor had.

[230:]

Zij voelden zich beiden zoo eenzaam daar boven op de heide. Otto kon niet denken dat hij zich treuriger gevoeld had op dien herfstavond toen Leonore hem zijn ring had teruggegeven, maar toen ging de zon onder en de herfst kleurde het bosch in stervenden glans, en nu begon de lentedag in volle glorie. Het contrast was nu pijnlijker dan toen de harmonie, en Daisy voelde zich geheel als wees; haar smart was te groot dan dat zij er om schreien kon; voor haar lag de wereld somber, leeg, dreigend.
"Wij zijn beiden ongeIukkig, Daisy!" zeide hij en drukte haar hand. Daar vonkelden haar oogen.
"O ja, maar ik verlies mijn lieven, goeden vader en u - u mag dankbaar zijn omdat u haar niet krijgt, die -,- Prada!"
"En 't is toch vreeselijk Daisy, zoo bedrogen te worden."
"Maar dat vergeet men en later dankt men Onzen Lieven Heer omdat Hij ons voor zoo'n ongeluk bewaard heeft."
"Daisy, wat wordt je wijs nu je geen gouvernante meer hebt."
Het kind schudde trotsch haar hoofdje:
"O, die gouvernante heeft mij zooveel geleerd!" zeide zij bitter.
"Ook die bitterheid," zuchtte Otto, "arm, arm kind!"
Zwijgend gingen zij den heide af en Otto zeide toen half hardop, half tot zichzelf sprekend:
"Dit is mijn lijdensweg!"
Daisy zag hem aan, met zooveel medelijden in de oogen, dat haar eigen verdriet er door weggedrongen werd;

[232:]

zij voelde, kleine vrouw als zij was, de behoefte,hem te troosten.
"Misschien wordt het nog eens uw geluksweg. U kan nog zoo veel meisjes en vrouwen krijgen als u wil, maar ik heb maar een vader!"
Dat klonk zoo troosteloos en zij liep zoo gedrukt door haar last, dat Otto eensklaps schaamte begon te voelen over zijn leed; wat hij betreurde was immers juist zij, die dit arme kind zoo bitter deed lijden.
"Het zal haar geen zegen aanbrengen Daisy," antwoordde hij, "dat zij over onze vertrapte harten haar geluk bereikt."
Weer zag zij hem aan met haar mooie blauwe oogen, die, als vergeetmijnietjes in de schaduw, bloeiden in haar donker gelaat, en zeide ernstig:
"Ik heb van morgen zoo gebeden dat God hun mag zegenen en zeer gelukkig maken. Dan denkt Papa misschien nog eens aan zijn arme Daisy. .."'
Haar stem stierf weg in een snik; met haar in elkander geslagen handjes scheen zij het beeld van diepe, stomme smart; zoo geheel anders dan de koele, berekenende vrouw, die hier op dien herfstavond naast hem had gewandeld.
"Hield je zooveel van je vader, Daisy?" vroeg hij.
Zij knikte van ja.
"Men houdt immers altijd van zijn vader, dat moet men immers? Zijn er kinderen, die niet van hun ouders houden? Ik geloof Prada niet."
Zij noemde haar stiefmoeder nooit anders meer.
"Prada hield alleen van haarzelf;" zuchtte Otto. Hij

[232:]

bracht haar naar de stad; voor de deur zagen zij reeds in de verte Geertje naar haar uitkijken.
"Juffrouw," riep zij haar toe, "mijnheer heeft u overal gezocht. Daar is een telegram gekomen."
Als door een veer bewogen, vloog Daisy het huis in.
"Oom, oom!" riep zij, ""wat staat er in het telegram?"
"Bedaard kind! bedaard! Lees maar! Als je van middag om twee uur in G. bent, dan kan je - je vader in het voorbijgaan groeten."
Daisy las en herlas de paar regels op het telegram en kreeg een kleur van verrassing.
"Mag ik oom?" vroeg zij dringend.
"Natuurlijk, kind, je moet," antwoordde Willem.
"Geertje zal je brengen!"
Otto hoorde het, hij kwam juist binnen.
"Dan moet ze met den trein van twaalf zooveel weg, en 't is nu half twaalf. Zij heeft haar tijd wel noodig. Maar mag ik haar geleiden?"
"Otto hoe verzin je het?"
"Ik zal haar niet spreken, niet groeten zelfs. Ik wil alleen Daisy gezelschap houden."
"Nu, ik vertrouw haar liever aan jou dan aan Geertje die nu niet precies bereisd -is, maar je haalt toch geen dwaze coup uit, hoop ik."
"Vertrouw er op!"
G. was een kruispunt, waar de trein vijf minuten lang stilhield; Otto en Daisy stonden op het perron toen de trein aan kwam razen.
"Daar is papa, papa!" liep zij uitgelaten en nog vóór Otto haar tegen kon houden was zij op de loopplank

[233:]

gesprongen voor het raampje, waaruit Mac Dunolly's pokdalig gezicht stak.
Vader en dochter hieden elkander vast omklemd.
Op den achtergrond zag Otto een slank figuur; het portier werd geopend en nu sprong Mac Dunolly op het perron met zijn dochter en de jonge mevrouw verscheen voor de deuropening; zij had een keurig reistoilet aan van mosgroen laken met cape en grooten hoed en zag er uit, stralend als de lentemorgen.
De vader legde Daisy's hand in de hare en aarzelend gehoorzaamde het meisje, maar van omhelzing en kus geen spoor. "Instappen!" riep de conducteur. "Instappen," en Mac Dunolly, die, nu weer geheel voor zijn dochter gewonnen was, drong haar aan mede in te stappen, maar energiek schudde Daisy het hoofd. Nog eens sloeg zij de armen om haar vaders hals, nog eens drukte zij haar frissche lippen op zijn bruine wangen; hij knelde haar vast tegen zijn borst.
"Vergeeft u mij, pa?" fluisterde zij snikkend.
"Ja kind, ja! Kom, ga mee met ons!"
"Instappen, instappen!"
En de conducteur rukte hen haast van elkander, dwong Mac Dunolly weer in den wagon te stappen, wierp het portier dicht en Otto snelde naar Daisy, die alleen en verlaten daar stond. Haar stiefmoeder leunde door het raam en wuifde haar nog toe; eensklaps werd zij doodsbleek en hield met wenken op.
Zij zag haar stiefdochter met den zakdoek voor het gelaat gedrukt en naast haar deelnemend den arm om haar heen geslagen, herkende zij Otto, die het

[234:]

niet eens de moeite waard scheen te achten haar na te staren.
Zij bleef hen aanzien tot de trein hen aan haar oog onttrok en toen herinnerde zij zich dat haar man naast haar schreide als een kind, nu hij zijn dochtertje voor goed verlaten had.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina