Max van Ravestein/Melati van Java: Aan d'overkant
Amsterdam: L.J. Veen, 1916
(tweede druk, eerste dr.1911)


[39:]

V.

Gerard en Pia vertrokken den volgenden morgen niet; de kleine Lucy lag te bed. Telkens schrikte zij op, hevige huilbuien wisselden af met aanvallen van totale gevoelloosheid - alle vreugde, alle vroolijkheid, alle licht was in het blijde huis verdoofd.
Duroy wist niet wat te denken, begreep niets, Pia gaf uitlegging, zoo verzachtend, zoo verschoonend, zoo kort mogelijk.
- 't Kind heeft haar plicht gedaan, diep zat de liefde ook niet bij haar, anders was zij niet dadelijk er op, zoo vroolijk en onbezorgd geweest. Zij kon het niet helpen dat de jongen zoo overdreven was,misschien is het ook maar toeval. Zoovelen sterven er aan gasverstikking, maar van Nancy is het onverantwoordelijk het haar zoo botweg te schrijven.
- Ik zal haar de waarheid eens zeggen, en vertellen, wat voor ellende zij hier heeft aangericht, beloofde Elisabeth.
Gerard was nu door zijn dokter-zijn verantwoord haar niet te verlaten, toch wilde hij haar niet alleen behandelen en liet een anderen arts komen. Hij kwam heel weinig bij haar ziekbed, maar als hij er was, scheen zij kalmer. Eens trok zij hem naar zich toe, en huilde erbarmelijk tegen zijn borst.
- Ach oom! ik ben zoo ongelukkig, maar ik heb mijn lot verdiend - ik zal nooit meer vroolijk zijn, nooit meer lachen. - Hij kon zich niet langer goed houden, en haar in zijn armen sluitend kuste hij haar op de vreemde, rosblonde haren.

[40:]

- Hield je zooveel van hem, Lucy? fluisterde hij heesch.
- Neen oom, dat is het niet, maar ik weet het zelf niet. Ik ben zoo ongelukkig, ik weet nooit waarom ik iets doe - toen ik hier terugkwam, was ik zoo blij dat alles uit scheen en ik geen verdriet er over voelde - want dat kan je ook niet helpen, of je verdriet hebt of niet. Ik dacht eerst - Onze Lieve Heer zal tevreden over mij zijn omdat ik Hem mijn liefde opoffer, maar later dacht ik: - Ik geloof eigenlijk niet eens dat ik van Tom hield, ik was alleen vriendelijk tegen hem - en dat was toch geen kwaad?
- Kind, je kunt het niet helpen. Misschien was 't een ongeluk.
- Neen! neen! Dat was het niet! Hij was radeloos, ik hoorde het aan zijn spel dien avond, dat maakte mij zoo dol.
- Hij was ontoerekenbaar, een gedegenereerd type en die malle muziek bracht hem geheel van streek. Een flinke man strijdt tegen zijn liefde, al kost het hem ook zooveel.
- Misschien was ik wel te koket. Ben ik koket, oom?
- Neen, je bent lief en natuurlijk - en, en - maar dat kun je ook niet helpen. - Ik kan niet langer blijven, je moet gauw beter worden, morgen ga ik naar huis.
- Oom als u weggaat, dan word ik gek. U alleen geeft mij troost en kalmte, u alleen kan mij beter maken.
- Ik kan niet langer...
- Omdat ik ziek ben... '
- Omdat... omdat...
- Oom, ga niet heen!
Maar zonder om te kijken holde hij de kamer uit.
Lucy zag hem na, als werd zij wakker uit diepen slaap. Zij schudde zich het lange haar van het hoofd, dronk het glas melk, dat op haar wachtte in een teug leeg en bleef een poos overeind zItten, verwonderd nadenken.
- Wat scheelt oom toch? Hij doet zoo vreemd. Zou ik werkelijk erg zijn, maar dan mocht hij niet heengaan. Neen hij mag niet weg, ik kan hem niet missen.

[41:]

Gerard was buiten de kamerdeur uitgebarsten. Hij had het niet langer kunnen volhouden, huilend als een kind, liep hij de trap af het stille salon binnen, viel op de canapé en het gezicht tegen de kussens gedrukt, trachtte hij zyn snikken te smoren...
Pia zat alleen in de serre, Theo en de jongens waren uit, Elisabeth met het huishouden bezig; ZIj hoorde hem binnenkomen en toen het onderdrukte geschrei, verschrikt stond zij op en kwam naast hem zitten; met haar zachte, koele handen streek zij langs zijn voorhoofd, teer fluisterend:
- Arme jongen! dat je zoo iets moet overkomen.
- Wat overkomen! Wat weet jij er van?
Hij beet zijn zakdoek stuk en lichtte het hoofd op, hij zag er vreemd uit, met zijn behuilde oogen en gezwollen gezicht.
- Ik ben een ploert, een ouwe gek, viel hij uit, let er niet op. 't Zal wel overgaan, een jonge juffertje die haar zenuwen niet bedwingen kan en...
- 't Doet zoo'n pijn...
- Hoe weet je! Kon jij 't merken en de anderen ook?
- Neen niemand anders, ik ken je al zoo lang, Gé.
- 't Is verschrikkelijk, ik weet niet wanneer het 't eerst begonnen is, van den zomer, denk ik, toen zij in haar onschuld altijd aan mij zat te hangen. In den Eiffel had ik geen rust, ik was zoo gejaagd, zoo ongedurig. Te denken dat zij met dat volk rondzwalkte op zee! En toen ik hier kwam, werd het hoe langer hoe erger. Ik nam een kloek besluit en wou weg, maar toen kwam de catastrophe..
- Wij moeten weg, er kan toch niets van komen, dat zie je zelf 't best in.
- Waarom niet? Om mijn leeftijd? Maar nu zij geleden heeft is zij ouder geworden dan haar jaren.
- Je mag van haar weeke stemmmg geen misbruik maken.
- Als je dat misbruik noemt! Kan ik haar niet gelukkig maken, beter dan menige blanc bec, ik die weet, wat haar toekomt, ik die nooit naar een andere vrouw

[42:]

heb gekeken - ten minste... wat 'n positie kan ik haar aanbieden - alleen het nichtschap is er tusschen maar dat is zoo ver - zoo ver...
- Dat is het ergste niet - tante Cécile zou zeggen, de van Berne's trouwen allen met dispensatie, daar is overheen te komen.
- Dat weet jij het beste.
- Laat mij er buiten als je blieft, maar 't is te dwaas. Je kunt haar vader zijn.
- Wat doet het er toe als ik van haar houd, niet als een vader.
- Zij is nog zoo jong en heeft nog zoo weinig evenwicht...
- Geloof je dat zij aanleiding gaf tot dat ellendige geval met dien muziekant?
- Foei Gerard! Hij is dood! Onbewust, zeker! wat heeft zij zonder bedoeling jou niet aangedaan?
- Zij maakt mij dol, dol... en Gerard veegde zich het gloeiende gelaat af - nog nooit ben ik zoo geweest. Ik wist niet dat het zoo ellendig was verliefd te zijn. Bah! Wat voor drukte ik ook aan 't hoofd had, geen oogenblik is zij mij uit de gedachte geweest. Vroeger sliep ik als een roos en nu heb in geen week een oog toegedaan dan met morphine.
- Maar Gerard! begin daar toch niet mee, hoe gevaarlijk!
- Dat huilen heeft mij opgelucht, maar nu heb ik hoofdpijn of mijn hoofd barsten moet:.. 't Is mij wat lekkers die liefde, zij kunnen ze houden~ die dichters en schrijvers. 't Is een beroerd gevoel. Ik vraag haar ten huwelijk ,zoo gaat het niet langer....
- Gerard! wees toch een man, bedenk...
- Praat mij niet tegen, ik doe het. Bedankt zij mij dan weet ik mijn lot. Ik zal geen gaskraan openzetten maar werken - tot ik er bij neerval.
- Er komt niets van dan ongeluk. Zij is ziek op 't oogenblik.
- Ik weet hoever ik gaan kan. Al ben ik op het oogenblik mijzelf niet, ik ben geen kind meer - ongelukkig...

[43:]

Hij ging de kamer, en het huis uit. Pia vouwde radeloos de handen; zij stond er vreemd tegenover. 't Was een heel andere Gerard, hij zoo practisch, luchthartig - behalve in zijn vak, - nu klein, ontredderd, zich aanstellend als een kwajongen, om zoo'n kind! Zij ging naar boven en vond Lucy slapend, toen zocht zij Elisabeth om haar alles te vertellen.
Mevrouw Duroy nan het heel anders op dan Pia verwachtte, zij vond het volstrekt niet zoo onzinnig, Gerard was zoo jong van hart en 't kind had den ernst des levens leeren kennen, hij zou haar kalmeeren, als zij te wild was. Zij bleef in een godsdienstig milieu, in haar eigen omgeving en de partij was goed, ook financieel.
- 't Zou een rust zijn als Lucy met hem getrouwd was.
- Voor jou is het 't ergste, maar ons huis staat voor je open.
- Maak je niet moe over mij. Ik kom niet in aanmerking, - en Pia's stem klonk wat boos, - maar zie je dan niet in, dat - dat - het dezelfde geschiedenis wordt als van EIsa en Theo? Die was ook verliefd op een musicus en toen is zij uit dépit met Theo getrouwd en wat was 't gevolg?
- Alsof onze Lucy ooit haar man ontrouw zou worden. Daarvoor hebben wij haar te godsdienstig opgevoed.
- Weet jij hoe sterk haar godsdienst is?
- Nu heeft zij er door overwonnen.
Toen Pia weer naar Lucy kwam kijken, lag zij klaar wakker.
- Tante, vroeg zij, nu heel kalm, maar hoog ernstig en zielsbedroefd, wat moet ik met mijn leven doen? U begrijpt dat ik geen geluk meer verlang op de wereld. Ik wil boeten om Tom's ziel te redden, maar hoe kan ik het doen? Voor het klooster heb ik geen roeping.
- Je blijft stil bij je ouders, doet je dagelijksche plichten en offert ze met je gebed op voor den armen jongen.
- Ik zou wel willen opstaan en naar de kerk gaan.
- Daar ben je nog niet sterk genoeg voor - morgen vertrekken wij.

[44:]

Het lipje begon te trillen, de oogen vulden zich met tranen.
- Laat u mij alleen in mijn verdriet? Ik vertrouw niemand zoo, als u en oom. U is mijn ziels- en oom mijn lichaamsdokter.
- Sta maar op dat zal je goed doen én verzet je even.
Gerard vond Lucy in de serre op de rustbank liggen, zij had haar blauwe sant de lit aan en zag er aandoenlijk zwak, bleek en treurig uit. Zij was geheel alleen en reikte hem beide handen toe. Hij beefde toen hij zich zoo onverwacht tegenover haar zag, en onwillekeurig nam hij ze in de zijne.
- Wat is u koud, oom, zei de zij en wreef ze warm tusschen haar witte vingertjes. Gerard kon niets zeggen, zoo kropte zijn keel, en zij ging voort te vleien: Oompje, gaat u nu werkelijk heen? Heeft u niets geen medelijden met mij, of veracht u mij ook?
- Maar kindjelief!
- Ik voel mij zoo slecht, zoo vernederd, zoo ongelukkig! Als ik maar wist of ik schuld had. Kan ik er iets aan doen, dat ik niet scherp ben en ongegeneerd als de moderne meisjes? Zij zag hem zoo hulpeloos aan, zoo sympathiek en beklag vragend, dat hij op zijn lippen moest bijten om zich goed te houden.
- En u houdt ook niet meer van mij, oom?
- Lucy, schei uit, je maakt mij gek!
Hij rukte zijne handen uit de hare, en drukte ze tegen zijn gezicht. Hij was van zijn groote wandeling thuis gekomen, met het voornemen er een eind aan te maken.
Wat drommel! Daar ben je toch een man voor, met zoo'n lang leven van ondervinding achter zich, om je niet door zoo'n klein nest te laten beheksen - want dat was het, anders niet. Pia had gelijk, het was dol, ongerijmd, onmogelijk, neen, zelfs zondig, hij kon het niet verantwoorden tegenover zich zelf, tegenover zijn geweten, tegenover God!
Maar zij bleef door klagen, als een gewond vogeltje.
- Och! wat moet ik beginnen mijn leeven door, ik

[45:]

ben nog zoo jong, en misschien wordt het heel lang, altijd met die wroeging en die pijn in mijn hart. Alle menschen geven mij de schuld van zijn dood. Ik zal nooit meer lachen, nooit meer onbezorgd gelukkig zijn - en dat ben ik juist zoo graag. Ach! wat moet ik doen met mijn leven?
Toen braken al zijn goede voornemens en haar in zijn sterke armen sluitend, fluisterde hij haar toe:
- Lucy, blijf hier! Hier bij mij! Je vraagt watje met je leven moet doen? Maak mij gelukkig, want je bent mijn alles. Heb je dat niet reeds lang gevoeld? - Ik ben een ouden man, maar geen jongere kan meer van je houden dan ik.
Zij nestelde zich aan zijn borst, liet zich liefkoozen, zoenen.
- Meent u dat werkelijk, oom? Ik zoo'n onbeduidend schepseltje, en u zoo'n knappe, deftige dokter. Ja, ik wil heel graag bij u en tante Pla blijven mijn leven lang, - als vader en moeder het goed vinden.
Juist kwam Elisabeth binnen en er klonk iets van de oude Lucy in haar stem, toen zij altijd op Gerard steunend haar toelachte.
- Oom en ik zijn verloofd, hoe vindt u dat, moedertje? Dan word ik uw zuster en van tante Pia, leuk hè, en de tante van de jongens, U vindt het toch goed, Bets? en Pa is alles best, wat u goedvindt.
- Maar Gerard, begon Elisabeth, wat doe je overijld!
Hij liet zijn meisje niet los en drukte haar vaster tegen zich aan. '
- Laat haar mij, smeekte hij, ik 'kan niet meer buiten haar en ik zal zoo goed voor haar zijn - zoo lang ik leef.
- En ik kan ook niet buiten u, klaagde zij met gesloten oogen...
- Je neemt een zware verantwoording op je, Gerard.
- Die ik dragen zal, ik voeler mij sterk genoeg voor.
- Heerlijk, juist dat sterke in u, fluisterde Lucy, dat heb ik zoo noodig.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina