Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[51:]

WAT MEN VERTELT.

“O, eindelijk eens zien we onze ijverige secretaris: ”
“Ma chère, waaraan hebben we uw absence verdiend?”
“Ach, lieve mevrouw, ik ben zelve zoo blij eindelijk eens weer mijn plichten te kunnen vervullen, al is 't dan ook bij wijze van uitloopertje maar u begrijpt, ik heb losés en wat voor losés.”
Met een diepen zucht, die de twee prachtige vlinders, aan weerszijden der muts geplaatst, deden wiegelen, nam mevrouw Venners, thans secretaris der vereeniging, hare ledig gebleven plaats weer in.
“Ja, 't zegt wat logés te hebben, mevrouw Venners,” zei juffrouw Dertange.
“En Indische, wel te verstaan!”
“Juist, juffrouw Trappel; Indische dat is heel iets anders dan gewone. Maar ik wil niets ten nadeele mijner familie zeggen.”
En om dit besluit nog meer vastheid bij te zetten, legde zij alle snuisterijen uit haar taschje op eene rij vóór zich en begon met ijver te werken. Doch hierop hadden de dames het niet begrepen. De sedert drie weken bij mevrouw Venners gelogeerde familie had te veel ieders geest bezig gehouden, dan dat men zoo spoedig met hen zou afrekenen.
“Maar nu is u ze toch kwijt, mevrouw Venners,” zei de thesaurier.
“Nog niet juffrouw, doch 't zal toch spoedig gebeuren. Ik denk dat ze Maandag gaan verhuizen.”
“Naar ’t kasteel?”

[52:]

“Juist! En of ik er blij om ben! 't Zijn beste menschen, heele goede, lieve menschen; maar een vreedzaam huishouden wordt er zoo geheel door gedéranseerd. Zij hebben andere gewoonten, andere gebruiken, avein! ze hebben alles anders.”
“En wat leelijke, zwarte kinderen!”
“Dat pleit niet voor uw smaak, juffrouw Carons. Ik moet u zeggen, mevrouw Venners, dat ik de gezichten van die neefjes en nichtjes allerliefst en interessant vind.”
“C'est vrai,” beaamde de presidente.
“En mevrouw ziet er ook lief uit,” zei Dora, wie de winter zeker geen goed had gedaan, want zij kuchte meermalen en zag er nog bleeker uit.
“Och, mevrouw is een aardig liplapje, zonder eenige éducasie; maar ze is goed voor de kinderen en niet verkwistend. Men kan haar niet op eene lijn stellen met een vrouw van hier.”
“O ja, in de Oost zijn de vrouwen meer slavinnen dan...“
De deur ging open en de freule van Groenerode trad binnen; zij was al meer in de vereeniging geweest sedert het fraaie seizoen.
“Hoe later in den avond hoe schooner volk,” zei juffrouw Dertange. “Een oogenblikje nog en de freule was in de boete vervallen.”
De douairière en mevrouw Venners stonden op; de eerste drukte Eugenies hand met een soort van welwillende bescherming, de laatste met een familiariteit, die zooveel wilde zeggen als: “We zijn zoo goed als familie.”
Eugenie, die zich volkomen, wanneer het moest, in hare waardigheid wist te verplaatsen, maakte een buiging voor de vereenigde dames, trok hare handschoenen uit, hing haar hoedje aan den daartoe bestemden haak en zette zich tusschen de ontvangersweduwe en mevrouw Venners, “juist als een diamantje in 't lood gevat,” zei de vriendelijke fabrikantsvrouw, waarop de freule lachend antwoordde, dat, alleen wanneer deze van goud sprak, zij het kompliment wilde aannemen, hetgeen juffrouw Dertange aanleiding gaf later te beweren, dat freule de Lody een groote dosis ijdelheid moest hebben om zich zelf met een diamant te vergelijken.
“We spraken toevallig over u, freule,” zei juffrouw Dertange.
“Over mij?” vroeg Eugenie onverschillig.
“Dat is te zeggen,” antwoordde mevrouw Venners, “over Jan en zijn familie, die Maandag reeds verhuizen.”
“Ja, ik geloof wel, dat 't op Maandag is bepaald.”

[53:]

“Dat zal veel levendigheid geven in 't kasteel, freule de Lody; vijf kinderen maken zoo'n geweld.”
“Dat geloof ik!” zuchtte mevrouw Venners.
“Och, 't zal zoo erg niet zijn,” zeide Eugenie lachend: “de twee oudsten gaan naar school en de drie jongsten...”
“Daar zult gij 't meeste pleizier mee hebben, freule Eugenie; de kleine schreeuwt. O! verbeeld u toch, dat mijn arme nicht den geheelen nacht met hem de kamer op en neer is geloopen, daar hij niet slapen kon en natuurlijk geen van ons allen. Mijnheer was van morgen zoo bleek en naar dat ik hem bruispoeders heb ingegeven en van middag liet ik hem rusten, maar jawel! Daar begonnen de twee anderen een leven te maken, juist onder de ramen. Ik zeg nog eens, 't zijn lieve, goede menschen; maar kinderen zijn altijd lastig.”
“En de freule, die aan zoo'n stil huishouden gewoon is,zal moeite hebben er zich aan te wennen.”
“'t Zal voor papa een groote afleiding wezen met een ouden wapenvriend dag aan dag samen te zijn.”
“'t Is voor u een groote deceptie geweest, dat de familie De W. tot Z. dezen zomer niet en campagne is geweest,” zei de presidente.
Er was iets spotachtigs in Eugenies trekken, toen zij antwoordde, dat dit zeker zoo was.
“'t Is gelukkig dat de freule zulke aangename buren heeft,” zei weer de sluwe Dertange.
“Bedoelt u mijnheer Hartwig, juffrouw?”
“Heet hij Hartwig, freule de Lody? Kijk, dat wist ik niet eens. Ik dacht dat hij anders heette. Wacht eens, ik geloof dat ik nog 't kaartje heb, waarmee hij me een armen jongen zond, een echten schelm. - Of ik 't bij mij heb? Ik heb 't lang in mijn taschje bewaard,” en zij zocht met de lange, dunne vingers tusschen de rommelzoo in haar groote kalebas of zoogenaamd taschje.
“Ha, hier is 't! Wil u 't eens zien, freule de Lody?”
Eugenie nam met de toppen van twee vingers een papiertje aan, zoo morsig als men 't kon verwachten van een bewoner der kalebas. Mevrouw Venners zag over hare armen heen en las:
“Mr. W. E. Hartwig van Senne,” een bekende naam! Waar heb ik dien ook gelezen?”
“Van Senne,” zei de douairière, “is dat niet familie van chose...
“De eigenaar van eene ijzergieterij in Gelderland, met wien

[54:]

mijnheer wel eens zaken heeft zekere Ferner, is meen ik, getrouwd met een juffrouw van Senne; kent u hem?”
“Misschien, ik rappeleer 't mij niet.”
“Zou hij een broer zijn van mevrouw Ferner,” vroeg juffrouw Dertange, “of liever de broer, want zij had er maar één?”
De thesaurier zag er nu toch zoo leelijk uit met hare toegeknepen oogen en uitgestrekten hals, dat Eugenie onwillekeurig moest denken aan de godin der Tweedracht.
“Hij heeft een zaak met het gerecht gehad,” voegde zij er halfluid bij, “daarom leeft hij zoo afgetrokken. Maar, mevrouw Venners, ik zal 't u eens en privé zeggen.”
“Ik geloof dat u het gerust in 't publiek zult kunnen mededeelen, juffrouw,” zeide Eugenie, “want mijnheer Hartwig is een hoogst respectabel mensch.”
“Ik spreek u niet tegen. Iedereen is vrij in zijn meening, nietwaar freule de Lody? Maar...”
“Ik zou gaarne willen weten wat men hem ten laste legt, en u zal mij pleizier doen het mij te verhalen.”
Juffrouw Dertange trok een hoogst bedenkelijk gezicht, waarbij haar onderlip vervaarlijke evenredigheden verkreeg en zag rond of ze zeggen wilde:
“In dit gezelschap onmogelijk!”
“O neen,” zeide zij met een gebaar van afschuw, “in 't openbaar en tegenover zijn beste vrienden zal ik een naam van wien dan ook, niet bekladden.”
“Beklad is die naam reeds door uwe halve woorden, en zoo u 't ware zegt, zal 't waarschijnlijk minder erg zijn.”
“O neen, neen,” en zij keek de freule aan met iets waarschuwends in de oogen, dat Eugenie 't rood der verontwaardiging op 't gelaat joeg. De presidente, die sedert de scène, welke haar eene secretaris ontnam, voor niets zoo vreesde als voor een vredebreuk tusschen hare onderhoorigen, begon angstig te worden en met een onverwachte vraag maakte zij een einde aan de discussie die door iedereen met belangstelling werd gevolgd.
“Is de overste Van Gravenheerd aan u geparenteerd, freule?”
“Volstrekt niet, mevrouw,” antwoordde Eugenie, “maar mijn, mama en mevrouw Gravenheerd waren goede vriendinnen.”
“Was uw mama ook een zwarte, freule?” vroeg juffrouw Trappel.
Eugenie was reeds een weinig opgewonden door de be

[55:]

dekte kwaadsprekendheid van de thesaurier en 't was dus met zekere scherpte dat zij vroeg:
“Vindt u mevrouw Gravenheerd dan zoo zwart?”
“O, Heer, zij is niet zwart, een beetje bruin,” zei mevrouw.
“Men noemt dat toch zoo.”
“Men noemt hier zooveel wat wit is zwart,” zei Dertange, met de oogen knippende.
“En zooveel zwart wat men niet zeker weet welke kleur het heeft,” sprak de ontvangersweduwe.
“Zij is een zeer gedistingeerde dame,” voegde' mevrouw Van Dintel er bij.
“En ze is lief, bepaald lief,” zei mevrouw Venners, “een beetje zwak voor de kinderen, en daarbij vind ik, dat ze wat te veel tegen Holland heeft.”
“Och, mevrouw Venners, wat zegt u?”
“Ja, 't gaat misschien mettertijd over, maar nu vindt ze alles akelig: de huizen, het eten, de levenswijze...”
“De menschen ook?”
“Dat zegt ze niet; maar of ze ’t denkt? Wie kan 't weten!”
“Dat zal wel komen, mevrouw Venners.”
Juffrouw Dertange zei niet ronduit wat komen zou de afkeer tegen menschen or een mindere afkeer; maar het was hare gewoonte niet duidelijk te spreken en niemand lette er op.
“Een Indisch meisje,” ging ze voort, “is niet zoo opgevoed als meisjes van hier. Ik spreek natuurlijk niet van freule de Lody, die een allergunstige uitzondering maakt...”
“Juffrouw Parten had gelijk,” viel Eugenie in rnet een zweem van toorn; “het schijnt hier de gewoonte te zijn iets bepaald wit of zwart te noemen, zonder dat men onderzocht heeft of 't niet grijs is. Ik geloof dat menigeen bij mijn landgenooten een lesje kan nemen in ware ontwikkeling van geest en hart. Of rnevrouw Gravenheerd dom of knap is, weet ik niet; maar dit weet ik, dat zij vele zoogenaamd welopgevoede dames tot voorbeeld mag strekken in de plichtsvervulling jegens man en kinderen.”
“Dat is zeker,” beaamde rnevrouw Venners.
“En als ze iets tegen Holland heeft, komt dit door de herinnering aan ons schoon land, waarbij Holland ’t zelfde figuur maakt als een gewone potloodteekening naast een Rubens.”
En met dezen genadeslag wierp Eugenie een zegepralenden blik om zich heen en boog zich toen over haar werk.
Juffrouw Dertange overtuigde zich eerst, dat de groote,

[56:]

blauwe oogen met hun minachtende uitdrukking niet op haar rustten om de verschillende gezichten eens op te nemen en zag met verbeten woede hoe Emile Carons, de gelukkige bruid van den jongen candidaat-notaris zoo hartelijk lachte, dat de tranen langs hare bolle wangen stroomden; en toen de lippen tot een grijnsje plooiende, vroeg ze of dan niemand Hollands verdediging opnam. Eugenie lachte en verzekerde, dat dit niet zoo gemakkelijk was, waarop de douairière van een neef verhaalde, die verscheidene jaren in de Oost had doorgebracht en er ook zooveel mee ophad; natuurlijk had: juffrouw Trappel daar een zwager, een andere dame een zuster; eenigen zwegen, ofschoon ieder wist dit de broer of de zoon van die en die er als koloniaal naar toe was gegaan.
Juffrouw Parten vroeg of Eugenie niet een zekeren X kende, wat toevallig 't geval was, 't geen stof genoeg leverde voor een onderhoud tusschen die twee dames dat bijna den geheelen avond voortduurde.
Toen het scheidingsuur was aangebroken, stond Eugenie nog even in beraad of ze er op zou aandringen, dat juffrouw Dertange haar antwoordde op 't geen zij gevraagd had nopens Hartwig. Twee redenen hielden er haar van terug: zij was voor zich zelve overtuigd, dat het meer nieuwsgierigheid dan werkelijk verlangen om hem te rehabiliteeren was, die haar deze vraag zou ingeven, en vooral vreesde zij, dat juffrouw Dertange in hare groote belangstelling hierin weer aanleiding zou vinden tot minder vleiende opmerkingen.
Die vrees was niet ongegrond; nu reeds vond de beminnelijke thesaurier, dat freule de Lody een echt katje was en dat de jonker moest oppassen, daar 't met dien Hartwig lang niet pluis was. Eindelijk besloot ze eens heel familiaar met mevrouw Venners te spreken, want al ging 't haar niet aan, 't zou toch jammer zijn van zulk een lief meisje.
Eugenie was zeer verrast, haar vader niet als gewoonlijk in de apotheek te vinden; een wandeling van een half uur in 't donker heeft voor een jong meisje niet veel aantrekkelijks, en zij besloot nog een poos te wachten, maar de jonker kwam niet. Eindelijk bleef haar niets over dan het maar te wagen. Ze wikkelde zich in haar doek - ’t was September en vrij guur - en ging snel de stad uit, overwegende of het niet beter was voortaan zulk een onpleizierig uitstapje te vermijden door eenvoudig niet meer op de vereeniging te komen, waar toch niets dan onaange

[57:]

name dingen werden gezegd, toen plotseling een stem haar naam uitsprak.
“Uw papa was niet heel wel,” zeide hij, “en kon u dus niet afhalen; daarom drong hij bij mij er op aan om het te doen. 't Zal ook misschien beter zijn dat ik met u mee ga, dan dat u een onaangename ontmoeting heeft.”
“Dat is zeker,” antwoordde Eugenie; “maar wat scheelde papa?”
“Niets, een weinig hoofdpijn; ik heb de kachel aangemaakt, want Lijsje was nergens te vinden; en zoo zit hij heel warm in 't hoekje van den haard.”
“Wat is u toch goed!”
Hij antwoordde niets op 't compliment en beiden gingen zoo vlug mogelijk voort.
“Veel gewerkt?” vroeg hij.
“Meer gesproken dan gewerkt; om u de waarheid te zeggen, mijnheer Hartwig, is dat de voornaamste bezigheid der liefdadige dames.”
“Ik dacht 't wel; sedert dat die dames een armen jongen, die waarlijk hulp noodig had, onverzorgd op straat hebben gezet, is mijn sympathie voor 't comité zeer verminderd.”
“Dat is zeker 't werk onzer lieve penningmeesteres; ik wou dat u haar zag, mijnheer Hartwig, die beauté der vereeniging met oogjes als van een visch, maar waarmee ze kijken kan o zoo sluw, en een mondje zoo groot en een japon zoo onfrisch.”
“Nu vervalt gij in 't zelfde zwak der Groenendamsche dames, in 't bevitten.”
“Dat mag ook wel, nadat ik twee uren lang hunne belachelijke manieren onophoudelijk voor oogen gehad en mij met hunne pauwe praatjes verveeld heb.”
“En dat hebt ge hun ook getoond!”
“Hoe weet gij dat?”
“Ik merk 't aan u, dat gij onaangenaam gestemd zijt.”
“Dat is waar! Ik heb spijt dat ik begonnen ben naar die vereeniging te gaan; ik blijf veel liever thuis studeeren, schrijven of met papa en u keuvelen over duizendmaal belangrijker dingen.”
“Maar de armen varen er niet zoo goed bij.”
“De armen! 't Mocht wat; in een half uur werk ik thuis meer dan daar in twee uren. Alles komt op 't tapijt; niets wordt vergeten. Heeft u den armen jongen geen kaartje meegegeven?”

[58:]

“Ja, omdat hij zoo bang was voor zekere juffrouw Tang geloof ik - dat zal zeker uw vriendin de penningmeesteres zijn - en niet durfde gaan zonder een aanbeveling. Maar kwam dat dan ook ter sprake?” “
“Natuurlijk! Er stond op: Hartwig van... van...“
"Van Senne.”
“En ze vroegen mij of u zoo heette en ik wist het niet eens.”
“Ik laat mij noemen naar mijn eersten naam, welke eigenlijk die van mijn moeders familie is. En was hun die beter bekend?”
Zijn stem klonk zoo bedaard en rustig, dat de slimme Eugenie begreep met haar uitvragen niet ver te zullen komen.
“Ja, één kende zekere juffrouw Van Senne, die getrouwd was met zekeren...”
“Ferner. Wat vergeet gij de namen van avond, freule!”
Eugenie was blijde; dat hij in het donker niet kon zien hoe rood zij werd, nu hij klaarblijkelijk haren geheelen toeleg had geraden.
“Nu ja, namen doen niets ter zake.”
“Maar feiten wel. En wat wisten de dames nog meer van mij?”
“Niets, ten minste ze zeiden niets.”
“En lieten genoeg raden. En wat raadt gij?”
“Ik heb nog niets geraden, ik wil 't ook niet doen; zooveel is 't heele comité mij niet waard dat het iemand, dien ik acht, in mijn schatting zou doen dalen.”
“Dat is goed' geredeneerd.”
Eugenie gevoelde zich gekwetst door den kouden eenigszins spotachtigen toon, waarmee hij woorden beantwoordde, die zij werkelijk mooi vond.
“Als ge dat vindt,” zeide zij scherp, “moest ge mij daarvoor beloonen door mij te zeggen, wat ik voortaan op zulke gezegden antwoorden moet.”
“Niets; laat ze praten; ik weet wat ze bedoelen, en veracht hunne praatjes. Gij kunt doen wat gij verkiest: naar hen luisteren of niet.”
“Wat kan ik anders doen, daar gij mij niet in de gelegenheid stelt, hun eenige inlichting te geven. Ik wist nauwelijks uw naam.”
“Dien heb ik u niet geheel opgegeven, maar als men daar zoo nieuwsgierig naar is, wil ik u dien wel voluit zeggen; 't is een prachtige naam, goed om er in den maneschijn

[59:]

van te droomen: Wolfgang, Edmond Hartwig van Senne. Ik hoop dat de freule dien niet zoo spoedig zal vergeten.”
“Wat zijt ge van avond slecht gehumeurd.”
“Volstrekt niet, maar gij zijt bijzonder nieuwsgierig.”
“En gij wilt mijn nieuwsgierigheid niet voldoen. Ook goed; maar weet dat ik alleen nieuwsgierig ben om uw bestwil. Ik wil uw geheimen niet weten, doch ik kan het niet verdragen dat men u onzen besten vriend noemt en er te gelijk iets geheimzinnigs bijvoegt, waarvan ik niet weet wat te denken.”
“Zoodat de wereld zegt, dat de familie de Lody hare vriendschap wegschenkt aan den een of anderen onbekenden schooier.”
“O foei, wat een gedachte,” en de tranen welden in hare oogen.
“'t Is goed dat we van avond niemand ontmoeten, anders zou u geheel gecompromitteerd zijn; zulk een verworpeling als ik, mag niet in het gezelschap van een fatsoenlijk meisje loopen.”
Eugenie zweeg: haar hart was vol en haar trots gekwetst.
“Denkt gij dat ook niet?” vroeg hij na een poos.
“Qui se fàche a tort,” antwoordde zij kortaf.
“Maar ben ik dan boos, Eugenie? Gij weet niet wat het is altijd een zwaren last met zich te voeren, den last van een ander, waarmee men bezwaard is, God alleen weet waarom. En dien nooit voor een oogenblik te kunnen afwerpen, zonder er weer aan herinnerd te worden, dat die op de schouders drukt en hoogst waarschijnlijk nimmer verdwijnen zal. Dat is hard, Eugenie, en wanneer het iemand is, aan wie wij ons gehecht hebben, die er ons aan doet denken, is ’t dubbel hard.”
“Maar ik geloof 't immers niet. Ik zou hen alleen zoo gaarne tegenspreken.”
“Dat helpt niets! Anderen, die mij nog beter kenden dan gij en uw comité, hebben 't niet geloofd. Waartoe anders zou 't dienen oude herinneringen op te roepen, dan een wond open te rukken, die nooit geheeld is? Ik twijfel niet aan uwe goede bedoelingen; ik bedank er u zelfs voor; maar ik zal geen gebruik daarvan maken. Men zou nog meer te zeggen hebben, niet alleen op mij, maar ook op u. En dat is vrij wat erger.”
Ze stonden voor 't kasteel. Eugenie opende de poort met een huissleuteItje en betrad de plaats.
“Zijt ge dus volstrekt niet kwaad op mij?” vroeg zij in

[60:]

de gang. Hij zag haar even aan en glimlachte terwijl hij antwoordde:
“Neen, op u word ik nimmer kwaad, doch dit verzoek ik u alleen: wat ge ook hooren moogt, denk dat de schijn soms over de gebeurtenissen een verkeerd licht kan werpen.”
De majoor zat in 't hoekje van het kabinet en zag tevreden op, toen Hartwig èn Eugenie binnentraden.
“Ik breng uw dochter behouden thuis,” zeide de eerste opgeruimd. Eugenie kuste haar vader en terwijl.zij een blik op Hartwig wierp, zag zij, dat hij er doodsbleek uitzag en de rimpel op zijn voorhoofd weer diep gegrift was. Toch zeide hij zoo ongedwongen mogelijk:
“En nu bliift me na volbrachten dienst niets anders over dan u goeden nacht te wenschen en voortdurende beterschap.”
“Blijft ge dan niet wat praten?”
“Neen, ik heb geen tijd. Goeden nacht, majoor en freule!”
“'t Verblijf in Groenerode begint me nu beter te bevallen,” zei de majoor na zijn vertrek: “we gaan een aangenamen winter te gemoet. Gravenheerd en zijn vrouwtje op ’t kasteel en Hartwig hier vlak bij. Waarlijk, hij is me onmisbaar geworden.”




vorige pagina | inhoud | volgende pagina