Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[29:]

EEN PRETTIG AVONDJE.

Den volgenden Zondag had de majoor zijn uniform no. 1 aangetrokken en ook Eugenie aanbevolen zich netjes te kleeden, en na zich overtuigd te hebben (want sedert een week droomde de goede jonker slechts van brand), dat er geen stukje vuur in huis was, gaf hij zijn dochter den arm en verliet het kasteel, om den korten weg naar 't huisje van den heer Hartwig af te
't Zag er huiselijk uit in de kamer, die te gelijk tot studeer-, eet- en ontvangstkamer diende. In den haard brandde een gezellig vuur; boven de ronde tafel hing een kroonlamp, waarvan alle lichten waren ontstoken; een groote Turksche divan nam een der zijden van 't vertrek in, waarvan de muur tot boekenkast strekte; een met papieren beladen lessenaar stond tegenover de piano, en overigens was alles gevuld, doch niet overladen met curiositeiten van allerlei aard, die aan een museum deden denken. Er was een kleine kast met vreemde steenen, een Chineesche tempel in miniatuur, een Japansche jonk hing aan 't plafond, Indische afgoden prijkten op een console van mozaïek naast Indiaansche vederbossen, Javaansche oudheden, prachtige kopieën van schilderijen, marmeren beelden: dat alles bevond zich in een betrekkelijk kleine ruimte, doch zóó gerangschikt, dat niemand aan verwarring kon denken en ieder den goeden smaak moest prijzen van dengene, die hier heerschte. Boven den lessenaar hingen nog twee kleine stukjes in olieverf, portretten van een heer en dame, en van vier kinderen: een allerliefsten jongen, die een meisje op den schoot had, terwijl

[30:]

een ander den arm om zijn hals had geslagen en een derde voor zijn voeten speelde.
“Maar weet u wel,” zeide de verbaasde majoor, “dat u hier de grootste curiositeit van Groenendam heeft?”
“Dat geloof ik wel,” antwoordde de ander lachend, “en als ik mijn museum tegen entrée open liet, zou ik een aardig sommetje kunnen verdienen.”
“En denkt u hier niet aan?” vroeg Eugenie.
“Och neen, freule! Als ik sterf, vermaak ik alles aan de stad.”
“Zeg dat niet te hard, mijnheer Hartwig; als men hoorde, zou heel Groenendam naar uw dood verlangen.”
“Dat is mij vrij onverschillig, majoor.”
De oude dienstbode kwam binnen en zette het theegoed op tafel. Eugenies blikken dwaalden naar de piano.
“Speelt u ook?” vroeg hij haar.
“Zeker,” gaf de majoor ten antwoord, “maar we hebben geen piano; ik kan dat getokkel niet velen.”
“Dan zullen we ons van avond ook moeten onthouden van muziek.”
“O neen, zoo meende ik 't niet. Neen, neen; integendeel, 't zal mij zeer aangenaam zijn u en ook haar te hooren; maar u begrijpt, wanneer men een piano heeft, dan zit men er den geheelen dag voor en dat maakt me zenuwachtig.”
“Welnu freule, als dit het geval is, staat de piano tot uw dienst.” Hij stak twee kaarsen op de candelabres aan en legde een hoop muziekboeken naast het tabouret.
't Meisje bloosde van genoegen, hare handen sidderden van aandoening, toen zij ze over de toetsen van ’t geliefde instrument liet glijden, zooals zij 't in lang niet had gedaan.
Ach! vader en dochter leden genoeg door 't gemis van dit meubel, dat in hun sombere woning anders vaak tot opvroolijking en zelfs troost had kunnen dienen.
Zij speelde, en vergat dat ze speelde; de eene noot volgde de andere, de eene phantasie de vorige; Hartwig luisterde aandachtig, de majoor maakte aanstalten zijn oogen te sluiten.
“Ik maak u mijn compliment, freule,” zeide de gastheer, “'t is jammer, dat u zich niet meer oefent.”
“Ja, ja,” sprak de majoor, die als met een schok, uit zijn aangename overpeinzing gewekt scheen, “Eugenie begon aardig te spelen. Jammer, dat ik er niet tegen kan.”
“'t Zou egoïstisch zijn, de freule voor ons pleizier van een kopje warme thee te berooven.”

[31:]

Eugenie was ondertusschen voor den lessenaar gaan staan en zag naar de schilderijtjes.
“Wat een lief groepje,” zeide zij, naar de vier kinderen starende; “die jongen vooral met zijn aardigen krullekop is allerliefst.”
“Ik geloof niet, dat u hem nu nog aardig zou vinden, freule,” schertste Hartwig.
“Zou ik hem dan kennen?”
“Sedert kort ten minste.”
“U is ‘t toch niet?”
“Toch wel, ik ben 't met mijn zusjes.”
“Hé, dat moet ik eens zien!” riep de majoor.
“Och, wat lieve kindertjes! En leven die aardige meisjes nog? Wat zullen daar dames uit gegroeid zijn.”
“Deze is dood,” hernam Hartwig en zijn stem klonk ernstig, terwijl hij op 't meisje wees, dat den arm om zijn hals had geslagen.
“Dood! Kassian, 't arme kind! En sedert lang?”
“Sedert vier jaar dat was haar laatste portret,” en een klein album voor den dag halende, toonde hij een photographie, waarop een beeld stond, dat niet de minste gelijkenis droeg met het vroolijke gezichtje van de schilderij. ‘t Was een bleek, uitgeteerd gelaat, waarop ziekte en lijden te lezen stonden.
“Och, wat was ze reeds ver weg. Zeker de tering?”
“Een hartziekte. Zij heette als de freule, Eugenie, en dit is de kleine - die ik op mijn schoot droeg - toen ze zestien jaar was.”
“Hoe mooi, een meid om voor te knielen! Waarlijk, mijnheer Hartwig, die zusters van u mogen wel gezien worden. En de derde, heeft u daar geen later portret van?”
“Neen, slechts dat ééne,” antwoordde hij onverschillig.
“Dat spijt me; dat moet een prachtige vrouw geworden zijn. Wonen zij in Holland?”
Hartwig deed of hij de vraag niet hoorde en drong bij Eugenie aan haar kopje leeg te drinken.
“Wat een heerlijke thee, mijnheer Hartwig; Eugenie moet onze meid eens naar de uwe zenden, om haar te leeren, hoe die gemaakt wordt.”
“’t is op zijn Russisch; u weet, dat men in het Czarenland de beste thee drinkt.”
“Ik dacht het wel, 't moest iets bijzonders zijn.”
Na de thee bracht Hartwig eenige groote. albums en doozen vol curiositeiten op de tafel.

[32:]

“Nu zullen we weer moeten bewonderen. De menschen hebben gelijk, mijnheer Hartwig: u is een zeer bijzonder mensch.”
“Zeggen de menschen dat?” vroeg hij met een spotachtigen glimlach.
“Nu, of ze dat zeggen! Wees verzekerd, dat uw huishouden, ofschoon u zoo stil mogelijk leeft, 't meest door 't goede Groenendam wordt besproken.”
“Dat spijt me, ik dacht, dat niemand zich om mij bekommerde.”
“Zoudt ge dat willen?” vroeg Eugenie.
“'t Allerliefste.”
“Ik niet, o foei: niemand die zich om mij bekommerde; niemand, die er zich aan gelegen liet liggen, of ik al of niet op de wereld was, die gedachte zou me koud. maken!”
En zij zag naar haar vader met een blik vol liefde en trouw.
“Och freule, ge zijt nog jong en dan hebt ge een vader om voor te zorgen, een vader voor wien ge onmisbaar zijt. Maar geloof mij, de algemeene deelneming en belangstelling van onverschillige personen verveelt spoedig.”
De bezichtiging der albums nam wel twee uren weg; toen trad de meid weer binnen en diende een keurig souper voor.
Eugenie was blijde, dat haar vader zich aan den fijnen ham en de pàté de foie-gras meer te goed kon doen dan aan al het bezienswaardige van daar straks.
“Mijnheer Hartwig,” zei de majoor bij 't einde van het maal: “van harte dank voor 't prettig avondje! Beloof mij stellig, 't spoedig terug te halen.”
“Dank u vriendelijk voor uwe intentie, maar ik ga nooit 's avonds uit: zoodra 't donker is, werk ik het prettigst.”
“En nu hebben we, uw viool nog niet eens gehoord,” sprak Eugenie.
Zwijgend nam Hartwig zijn instrument ter hand en binnen weinige minuten was zijn klein gehoor geboeid door de tooverkracht zijner tonen. Hij speelde meesterlijk in den vollen zin van dit woord; 't scheen of hij alle diepten en laagten der kunst had gepeild, of hij alle snaren van 't menschelijk hart op zijn viool had gespannen om er een harmonie uit te doen spreken, nu eens vleiend zoet, dan eens gebiedend fier, diep treurig of wegsleepend vroolijk.
Eugenie's oogen schitterden; de majoor, die al dien tijd

[33:]

met een bedenkelijk gelaat en wijd opengespalkte oogen had toegeluisterd, klapte, nadat Hartwig geëindigd had, in zijn beenige handen, dat ze er van klapperden.
“Kent gij de fabel van Pisanini...”
“Paganini.”
“Ook goed, gij weet wat ik bedoel en dat is 't voornaamste: nu, ze zeiden, dat, hij de ziel eener vrouw in zijn viool had opgesloten. Ik geloof 't ook van u; uw vrouw is immers dood?”
“Ik ben nooit getrouwd geweest.”
“Nóoit! Hé en toch meen ik gehoord te hebben... maar enfin, ik houd me aanbevolen voor uw verdere bezoeken; kom toch gerust zoo familiaar-weg praten au coin du feu. We zijn nu in 't vervelende seizoen en me dunkt we raken nimmer uitgepraat.”



vorige pagina | inhoud | volgende pagina