Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


IX.

Daar voelde Philip plotseling een slinger om zijn hals geslagen, een klimoptak vol bloemklokjes; snel keek hij om.

[83:]

Hortense knielde naast hem op de bank; zij zag er uit, schitterend als deze zomermorgen, zoo jong, zoo frisch, zoo vroolijk en levenlustig, zoo geheel verschillend van den gebroken, levensmoeden man, die daar met het hoofd op de handen gesteund, ineengedoken zat.
"Wat zie je er uit!" riep zij, toen hij het hoofd naar haar keerde, "wat scheelt er aan? Heb je gehuild?"
"Och, Hortense!" snikte hij.
En nog vóór hij wist wat hij deed, had hij de armen om haar heen geslagen en het hoofd tegen haar borst gedrukt.
"Maar wat is er toch? Waar dient die buitengewone teederheid voor?" vroeg zij lachend. "Ik ben je moe je of je zus niet."
Hij scheen alles te vergeten, nu hij zoo tegen haar aan rustte.
"Foei, laat me los! Verbeeld je, dat moesten Nellie en Anna eens zien, zoo'n tooneel in den vroegen morgen. Dan was ik heelemaal verloren."
"Och, Hortense, laat mij zoo een oogenblik rustig zitten, 't is voor het laatst!"
"Wat is dat voor nieuws? Waarom is het voor het laatst? Kom, doe nu niet kinderachtig en vertel me geregeld wat er gebeurd is. Zoo, ik ga naast je zitten, dat is behoorlijker. Zeg me nu eens oprecht, waarom heb je zoo gehuild als een kleine jongen of een nerveuze vrouw?"
"Omdat ik het gister voelde aankomen, en toen is het gezakt, gelukkig!"
"Nu, dat is toch een reden om blij te zijn, dunkt mij, en niet om zoo wanhopig te doen."
"Ach! ik ben een ellendeling, ik sta buiten alles,

[84:]

ik heb het recht niet als andere menschen te leven; dat erfdeel van mijn vader drukt mij neer onder zijn zwaarte."
"Praatjes! Wat voor erfdeel is dat nu? Je vader is eenvoudig gek geworden van de cijfers, omdat hij debet en credit niet kon laten uitkomen."
"Geloof je dat?" en een straal van hoop lichtte in Philips doffe, ontstoken oogen.
"Natuurlijk geloof ik dat, want 't is zoo, en van jou is 't niets anders dan een gebrek, dat je moet overwinnen. Maar dat is het ongeluk, zij behandelen je als een zieke, zij maken je week en verwijfd, ofschoon je oorspronkelijk zoo ferm en mannelijk bent van aard. Ik moest eigenlijk om je lachen, zoo als je er nu uitziet."
Hij voelde zich weer onder haar macht, weer dat heerlijke, zekere gevoel, uit haar stroomend, dat hem zoo warm doorgloeide, ophief, rustig en sterk maakte, en plotseling, in zijn opgewondenheid, trok hij haar naar zich toe en sloot haar in zijn armen.
"Mijn lieveling, mijn engel!" snikte hij, haar hartstochtelijk kussend, "ik kan je niet opgeven, ik kan niet."
"Maar, Philip, je doet me stikken. Laat me los! had ik dat geweten..."
Maar toen zij zich teruggetrokken had en haar verwarde haren opstak, keek zij niet boos, maar lachte alleen.
"Malle jongen! Wat scheelt je toch?"
"Hortense - Hortensel Denk je ook, dat het - een waag is voor mij, te trouwen?"
"Zeker, trouwen is altijd een waag, maar wie niet waagt, wie niet wint!"
"En jij, durf je het aan met mij?"

[85:]

Zij had haar handen in den schoot laten vallen, en doorboorde hem met haar groote prachtoogen, haar losse haren golfden vrij over baar schouders.
"Meen je dat?"
"Zeker, meen ik dat! Dat ik mij van nacht zoo voelde, kwam alleen omdat ik wist, niet meer te kunnen leven zonder jou, en ik begreep, dat ik niet trouwen mocht."
"Om d a t? "
"Ja, om dat!"
"Och, gekheid! En heb je daarom gehuild als een meisje, den heelen nacht door?"
Philip knikte.
"Hoe is 't mogelijk, zoo flauw te zijn. Al had ik nog zoo'n verdriet, ik zou er mij niet aan kunnen of willen overgeven."
"Ik heb 't dáár geleerd," zuchtte hij, "in die lange nachten, als ik zoo'n wanhopenden kijk had in de toekomst; de laatste weken ben ik door jou, beginnen op te leven, en gisteren kreeg ik een brief met een mooie aanbieding uit Indië. Nu ben ik er bovenop, dacht ik, als zij met mij medegaat, maar toen..."
"Hebben je ma en je zus het je anders verteld,hé, ja, begrijp ik."
"Hadden ze ongelijk?" hij hijgde van spanning.
"Dat weet ik niet. Hoe kan ik dat weten?"
"Plaag mij mij niet, Hortense, maak mij niet gek. Durf je werkelijk met mij aan - Ondanks alles?"
"Zoo'n arme tobber!""
En zij boog het hoofd, om haar haren in een dikken knoop te wringen; hij trok ze met geweld uit haar handen en drukte ze tegen zijn gelaat. Zij waren zoo frisch, zoo geurig als alles in de natuur.

[86:]

"Je sympathie doet mij wel goed, Hortense, maar plaag mij niet langer. Ik houd het niet uit. Zeg ja of neen."
"Maar op zulke vragen antwoordt men niet zoo inééns. Men vraagt bedenktijd, men zoekt raad bij ouderen en wijzen, men wikt het voor - en tegen."
"O foei! hoe kan je zoo praten, Hortense, wij kennen elkaar zoo lang. Zeg dan maar één ding, houdt je een beetje van mij?"
Zij zag hem lachend aan, terwijl zij haar haren vrij maakte, en sprong toen weg.
"Ja, een beetje, zóó'n beetje!"
"Is dat werkelijk waar?"
"Heb je daar genoeg aan?"
En toen had hij haar weer vast in zijn armen gesloten, en zij trok zich niet terug en liet hem begaan, en daarna zaten zij naast elkaar op de bank, hij met den arm om haar heen, zij dicht tegen hem geleund.
"En nu moeten wij verstandig praten, Philip!" zeide zij, "en niet meer doen als kinderen, want wij zijn volwassen menschen."
"Die over hun leven hebben beschikt, ja, vrouwtje, lief vrouwtje! ja zeker, praat verstandig, maar ik heb nu juist zoo'n trek heel onverstandig en heel dwaas te zijn."
"Dat heb je al den heel en morgen gedaan, niets anders. Je hebt mij zoo overvallen, deugniet, ik ben anders altijd gewoon heel beredeneerd en wijs iets te overdenken vóór ik beslis."
"Maar je hebt nog nooit zoo goed beslist als nu. Kom, Hortense, is 't heusch waar, dat je het met mij waagt en je aan mij toevertrouwt, heelemaal naar Indië?"
"Och, ik geloof dat het vertrouwen geheel aan jou

[87:]

kant is. Ik ben de sterkste van de twee; mijn taak is het zwaarst; maar ik houd van moeilijke dingen, mits wij elkaar eerst verstaan."
"Verstaan wij elkaar niet?"
Hij trachtte haar weer te kussen, zij weerde hem af.
"Neen, genoeg voor vandaag! Je kunt ook niets met mate doen, huilen, lachen, zoenen, nu moeten wij praten."
"Praat dan! Ik luister."
En hij drukte haar dichter tegen zich aan en stal een kus achter haar oortjes op de kroeze nekharen; zij tikte hem op de vingers en hield toen krachtig vast.
"Je kent mij nog weinig, en daarom moet je weten wie ik ben, dat is noodig."
"Ik weet, dat je het liefste schepseltje van de heele wereld bent."
"Malle praatjes! Die hebben geen waarde voor mij. Ik ben niets lief, niets Eveline-achtig, je hoeft niet te denken dat ik je zal verwennen, ik zal zelfs streng voor je zijn, en dan - ik moet het goed hebben, ik moet mij ruim kunnen bewegen, niet onophoudelijk denken dat een dubbeltje tien centen heeft - - rekenen was nooit mijn fort!"
"Hortense, 't zal je aan niets mankeeren; ik zal voor je werken."
"Ja, dat ken ik, dat zeggen ze allen! Dat is zoo'n gewoon praatje. En dan wil ik niet gewantrouwd worden, als ik dat van je merk, dan is 't heelemaal tusschen ons uit. Van menschen, waarvan ik houd, kan ik veel verdragen, maar als het eens tusschen hen en mij knapt, dan is 't gedaan."
"Houdt je dan werkelijk van mij, Hortense," vroeg Philip, die van al haar woorden alleen dit eene vastgehouden had.

[88:]

Zij zag hem aan met een uitdrukking in de fluweelzachte oogen, als hij er nog nooit te voren in had opgemerkt; het was een andere Hortense, zoo zacht, zoo vol stille geestdrift en teere overgave.
"Ja, ik zal het je maar bekennen. Ik heb altijd van jou gehouden, van jongs af, en dat ik geen examen wilde doen, en dat ik de aanzoeken in Amsterdam afwees, het kwam alleen, omdat ik er zeker van was, dat wij elkaar eens zouden vinden, dat je mij zoudt zoeken. Ik weet, dat ik misschien heel dom en onverstandig doe, maar ik kan niet anders."
"O, Hortense!"
En vol verrukking vergat hij weer alles om hem heen, in de groote vreugde over haar bekentenis.
"En jij hebt in al die jaren niet meer aan mij gedacht?" vroeg Hortense.
"Neen, niet veel, maar toen ik je terugzag, was het als een openbaring: Wij zijn voor elkander geschapen, wij behooren bij elkaar. Dat na zulk een nacht zoo'n heerlijke morgen zou komen, hoe had ik het kunnen denken?"
"Heb je nog lust, je zoo wanhopig aan te stellen?"
"O, neen, ik zou willen juichen, joedelen, zingen, lachen, de wereld aan mijn hart drukken, zooals ik het nu mijn vrouwtje doe."
"Stil, bedaard, nu is het genoeg. 't Wordt tijd naar huis te wandelen!"
Het was een wandeling vol genot in die eerste morgen ure van hun geluk; dicht aaneen gestrengeld gingen zij door de lanen van het bosch, de zon strooide gouden munten voor hun voeten, als vierde ook zij hun bruiloftsfeest mede, de vogels zagen hen, blijde tjilpend aan, en bloesems vielen over hun hoofden neer als een zegen van boven.

[89:]

"Hortense, is 't werkelijk waar, je hieldt dus al van mij zoo lang, zoo lang geleden?"
"Ja, ijdele jongen, en weet je nu waarvoor de meisjes dienen, en waarom Onze Lieve Heer zulke valsche schepsels heeft geschapen?"
"Voor mijn geluk, voor mijn redding!"
"Wat zal je moeder zeggen? Zal zij toestemmen, maar o, 't is waar, zij heeft niets te beslissen, zij is maar een stiefmoeder!"
"Zeg dat niet, Hortense, zij is altijd een eigen moeder voor mij geweest."
"Nu ja, dat weet ik wel, maar voor de wet doet dat er niets toe of zij goed is of niet, je hebt haar toestemming niet noodig."
"Maar je begrijpt toch, dat zij die niet weigeren zal?"
"Meen je dat? Ik beloof je erg, erg lief te zijn tegen haar en tegen Eveline, om jou!"
"Je bent een engel, Horry!"
"O neen, zeg geen Horry, dat heeft te veel van Horreur, en dat ben ik toch niet, wel?"
"Kind! kind, je maakt mij dol!"
"Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt."
"Is het dan wonder, na zoo'n uur! Je doet het dus werkelijk niet alleen om mij te troosten?"
"Neen, Philip, ik houd wel van je, maar zooveel en zoo verheven nu niet."
"Dus zal ik vandaag maar telegrapheeren naar Indië dat ik het aanneem - en dan trouwen wij heel spoedig."
"Waarom niet op zijn Engelsch, vandaag reeds!"
"O, als het aan mij lag! Maar je oom! Hoe egoïst van mij, niet aan hem te denken. Wat zal hij zeggen als ik hem zijn zonnetje ontneem!"
"Och, die goeie oom, als het zonnetje maar tevreden

[90:]

is, dan heeft hij niets meer te wenschen. De meid is goed door mij gedresseerd en houdt het machinetje op gang en anders - anders..."
"Nu, wat dan?"
"Niet boos worden! Dan moet hij zijn oude charme Bertha maar weer opzoeken. Oude liefde roest niet. Dan wordt hij onze pa!"
"Ik zou het gelukkig vinden," zeide Philip ernstig, "mijn arme moeder denkt aan geen trouwen meer. Haar tijd is voorbij, maar wij houden hem vast, hé Hortense, dien heerlijken, jongen tijd!"
Zij waren op het kruiswegje gekomen, en Hortense bleef staan.
"Ga nu naar huis, Philip, als een bedaarde jongen. Neen, neen!" toen hij weer van zijn recht als verloofde gebruik wilde maken. "'t Is wel geweest! Hier in geen geval. Goed succes thuis!"
Zij wierp hem den klimoptak toe, waarmede zij al dien tijd had gespeeld en riep vroolijk lachend, terwijl zij hard naar huis holde: "Bewaar dien goed! Daarmede heb ik je aan den ketting gelegd!"
Zij verdween achter de struikjes, en toen zij wist, dat hij haar niet meer zien kon, bleef zij staan, haalde diep adem en streek zich de verwarde haren van het voorhoofd.
"Als 't maar goed gaat! Maar 't moet. Ik wil het!"


inhoud | vorige pagina | volgende pagina