Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


XX.

De "Prinses Marie" kwam op een helderen mooien morgen in Maart aan. Bernard Charière haalde zijn nichtje af van de Handelskade. Later bedacht hij, dat

[176:]

hij haar wel tot IJmuiden had kunnen tegemoet gaan, maar toen hem dat inviel, was het te laat.
Hij stond op het dek tusschen passagiers, sjouwerlui en de bemanning, allen even druk en vervuld met den ernst van het oogenblik, hij alleen verlegen rondziende, zonder iets anders bepaalds te doen.
"Als ik iemand zie, die 't minder volhandig heeft, zal ik hem naar Hortense vragen," besloot hij juist bij zich zelf.
"Dag, oom!"
Hij keek rond en zag een slanke, donkere vrouw, zeer eenvoudig gekleed, mager, bleek, met ingevallen wangen en oogen.
"Hortense! Ben jij dat?"
"Erg veranderd, hé, oom! Hier is mijn bagage, die ik ten minste bij me wil houden; de andere boel zal wel volgen. Ik kan toch bij u logeeren?"
"Ja, ja! dat is geschikt!"
Bernard wilde haar over de loopplank helpen, maar zij was hem te vlug; hij leidde haar naar de vigilante, en liet haar koffer op de imperiale plaatsen; toen kwam hij naast haar zitten.
"Wel, kind! kind!" was't eenige wat hij vinden kon.
"Verdronken voor ik water gezien heb!" antwoordde zij bitter; "zoo pas even tegen het leven gebonsd, en daar lig ik al vleugellam."
"Maar, Hortense, wat is er gebeurd?"
"Och, oom! 't Is te lang om te vertellen, en ik weet er zelf zoo weinig van. -;- Goddank! dat u alleen is; ik was zoo bang dat de huilende engelen uit overmaat van liefheid mee zouden komen."
"Wie bedoel je?"
"Wel! uw oude vriendin en haar dochter!"
"Zij komen - morgen!"

[177:]

"Dacht ik het niet? Enfin! 't Moet toch eens. Vandaag ben ik ten minste vrij!"
Zij keek naar buiten door 't raampje, naar de drukte van het Damrak, de verbouwde huizen, de stellages vol aanplakbiljetten, de trams.
"'t Gaat alles zijn gang, of ik een dag, of vijf jaar of maar twee ben weg geweest! En hoe gaat het u, oom? Bevalt dat vrije leven u goed? Jammer dat ik er nu weer zoo'n stoornis in breng!"
"Dat is minder, kind! Als je - als je - ik bedoel wanneer alles nog maar terechtkomt!"
Zij keek strak voor zich uit en zeide niets meer, totdat zij stilhielden vóór oom's huis op de Leidschegracht.
In de kamer stond het dejeuner klaar. Hortense deed mantel en hoed af en bekeek zich in den spiegel.
"Wat zie ik er nu inlandsch uit!" zeide zij half hardop, maar plotseling keerde zij zich om, als had iets haar gestoken; zij vond dat zij nu sprekend geleek op die javaansche vrouw in de kampong, aan wie zij niet zonder huiveren kon terugdenken.
Oom deed haar eenige vragen:
"Ben je ook zeeziek geweest? Was 't zwaar weer? Ben je niet bang dat Holland je zal afvallen, na dat mooie Indië?"
Hierop alleen antwoordde zij levendig:
"O neen, oom! Ik vind het een allerakeligst land, en ik ben veel liever hier en ben zoo blij dat ik er uit ben. Hu!" en zij rilde van afschuw.
Oom Charière wist niet hoe hij 't met haar had, zoo'n heel andere Hortense dan vroeger; zij lachte niet, zij was niet bedrijvig, niet geestig of scherp, meestal zat zij met het hoofd op de handen, alsof zij moe was, vreeselijk moe.

[178:]

"Heeft de reis je erg vermoeid, kind?" vroeg hij zoo bezorgd als hem mogelijk was.
"O neen, oom! De reis niets, alleen het leven!"
Eindelijk dien avond, nadat hij op zijn geliefd Leesmuseum den middag had kunnen doorbrengen, terwijl zij haar goed wenschte uit te pakken, en hun maal geëindigd was, deed hij de vraag, die hem al zoo lang op de lippen brandde:
"En Philip? Weet je werkelijk niet waar hij is?"
Zij schudde het hoofd.
"Werkelijk niet."
"Maar - maar wat kan hem dan - was hij..." en hij tikte tegen het voorhoofd.
"O neen, integendeel!"
"Heb jelui gekibbeld?"
Zij nam haar taschje van de tafel en haalde uit een portefeuille een veelgelezen, vergeelden brief. "Daar, oom! lees u maar! Dan weet u zoo wat alles - in elk geval evenveel als ik."
Bernard Charière las:
"Mijn lieveling, mijn eenige Hortense! Arm, lief vrouwtje!
"Dat wij samen blijven, begrijp je, is niet mogelijk, na hetgeen voorgevallen is, waardoor ik je beul, de moordenaar van ons engeltje ben geworden. Ik wil je niet meer laten beven en angstig wegschuilen als ik kom, ik begrijp dat zoo'n toestand ondráaglijk voor je is, en ik je niet dwingen mag in zoo'n toestand te leven, die je moreel en physiek te gronde richt.
"Mijn eerste plan was je voorgoed van mij te verlossen, maar ik heb 't niet gedaan, omdat - een herfstdraad zich tusschen mij en mijn plan stelde. Er is iets beters te doen dan laf uit het leven te vluchten.

[179:]

"Ik wil boeten, ik wil goedmaken, ik wil tegen mijzelf en mijn ellendig(e kwaal) - dit was doorgehaald - gebrek strijden.
"Nooit had ik je aan mijn treurig lot moeten vastketenen; ik wist immers wat mij wachtte.
"Ik breek alles achter mij af, ik wil levend dood zijn.
"Geld zal ik verdienen en niets voor mij houden, alles is voor jou, arm schepsel! Is 't al niet erg genoeg dat ik je leven gebroken heb? Word zoo gelukkig als je het nog kunt zijn. O Hortense, als je wist hoe ik van je houd, hoe gelukkig je mij hebt gemaakt! En hoe heb ik 't je vergolden?
"Dat gebrek aan vertrouwen is mijn ongeluk geweest. O, ik wil, ik mag er niet aan denken, hoe gelukkig wij hadden kunnen zijn zonder mijn schuld.
"Maar dat is voorbij! Niets blijft mij nu over dan te boeten, zoolang ik leef. God, die verbiedt zelfmoord te. plegen, zal mij helpen.
"Voor je moeder zal ik zorgen, Hortense! Maar ach, ik bid je, wees goed en een beetje hartelijk voor mijn arme zuster en onze mama! 't Is zoo'n slag voor haar! Als je soms iets missen kunt, zend het haar, niet om mijnentwil, ik verdien het niet, och neen! maar doe het uit medelijden. Je bent zoo rechtvaardig, zoo goed!
"Nog voor 't laatst heb ik je gekust dien nacht in den maneschijn, en je schrikte niet! O, als je, toen wakker geworden, mij nog een woord had gezegd, ik zou den moed niet hebben gehad heen te gaan, en 't is toch het beste, 't eenige wat ik kan doen!
"Adieu, Hortense! Mijn liefste, lieve vrouw!
" Voor 't laatst noemt je zoo
PHILIP."
Bernard Charière las den brief. Een diepe plooi lag op zijn eerlijk voorhoofd, toen hij haar dien teruggaf.

[180:]

"Ben jij geheel zonder schuld?" vroeg hij ernstig.
"Maar, oom! Dat leest u wel in den brief. Hij zegt het toch zelf: samenleving is niet meer mogelijk. Ik ben zoo bang."
"Jij bang! Hortense, jij!"
Eensklaps barstte zij in een zenuwachtig lachen en schreien los. Bernard liet haar drinken.
"Oom, oom!" zeide zij, terwijl haar tanden tegen het glas klapperden, "u denkt aan grootmama!"
"Ja, daar denk ik aan! Hoe jij als kind je grootmoeder, die niet van je hield, aandurfde, en nu zou je bang zijn voor je man die zoo zielsveel van je houdt."
"O, als u hem toen gezien hadt, oom! Zoo iets vreeselijks - begrijpt u - dat mijn kind er van stierf."
"En de aanleiding? Was je toen geheel onschuldig? Of barstte hij los als een redeloos dier?"
Hortense zweeg.
"Je hoeft mij niets te vertellen. Ik vraag je vertrouwen niet; maak dat af met je geweten en met God. Had je het recht je man af te stooten? Je wist het toch vooruit, dat hij aan die vlagen leed. Was het je plicht niet geweest, hem met liefde en verstand te leiden?"
"Ik was zoo ziek en zwak," verontschuldigde zij zich, "ik kon toch waarlijk niet."
"Maar nu ben je beter, nu is 't je plicht je man ter zijde te slaan."
"Hij heeft mij verlaten."
"Om je bestwil. Wij moeten weten waar Philip heen is, en dan ben je verplicht naar hem toe te gaan."
"Oom, verlang dat niet van mij," kermde zij, "ik kan niet."
"Hoe zouden die andere vrouwen gedaan heb

[181:]

ben, die je altijd uitlacht?- Mevrouw Van Asten en Evelientje."
"O, die!"
Maar toen boog zij verlegen het hoofd; ja, die hadden Philip lief, maar zij?
"Ik heb mijn leven bedorven en het zijne ook," snikte zij, "er is geen redding meer voor ons."
"Er is altijd nog redding, als je ernstig wilt, en je moet willen! Je moet in jezelf keeren en jezelf richten, niet alleen afgaan op je gevoel, je impressies, zooals tegenwoordig mode is, want hoog boven elke impressie staat onze plicht jegens onszelf en jegens God!"
Hortense sprak niet, en hief haar oogen niet op.
"Ik heb ook elken plicht, elke verantwoordelijkheid ontvlucht," ging Charière voort met trillende stem, "ook uit bange gemakzucht, en daarom is mijn leven zoo klein, zoo ellendig, zoo ledig geworden."
"Oom!" riep Hortense verschrikt en verontwaardigd
tegelijk, "dat is niet waar!"
"Jawel, kind! 't Is maar al te waar; 't was zoo lastig mij te verzetten, zoo onaangenaam huiselijken twist te hebben, en zoo mooi, zoo edel, den wensch van mijn moeder te doen en den gehoorzamen zoon te spelen; maar nu zie ik het in, nu het te laat in; 't was zelfzucht, niets anders. Ik koos mijn lot - omdat het zoo makkelijk was, en voor jou was 't ook makkelijk bang te zijn en je achter die bangheid te verschuilen en niet te vragen wat je plicht jegens je man eischt."
"Als hij maar niet heengegaan was - als hij gewacht had! Maar wat kon ik doen na zijn vertrek? Ik heb alles verkocht en ben Tjakra-Tjikri ontvlucht en dat ellendige land."

[182:]

"Wij zullen hem zoeken en vinden! Dat is onze eerste plicht."
"Maar waar? De wereld is zoo groot, en wat beteekent één enkele mensch?"
"Je verlangt niet hem te vinden!"
Hortense antwoordde niet, maar begon weer te schreien.
"ls 't zoo, of niet?
"Oom, u is zoo hard!" snikte zij.
"Moet ik 't niet wezen?" 't Is voor jou geluk! Wat wil je anders beginnen met je leven?"
"U niet tot last zijn," en zij stond beleedigd op.
"Dat zijn kinderpraatjes, die ik niet van je verwacht en niet aan je verdien. Maar je bent nog zoo bitter jong, een lang leven ligt voor je open. Wat wil je er mee doen?"
Zij zag hem aan en glimlachte ondanks haar boosheid en verdriet; maar die glimlach was bitter, bijna hartverscheurend.
"Wat ik vroeger wou worden, paardrijdster! Ik hoor niet meer onder de fatsoehlijke, nette menschen. Een verlaten belasterde vrouw! Eigenlijk had ik hier niet moeten terugkeren; maar ik had behoefte aan raad en steun, en u is mij het naaste! Aan de andere familie wil ik mij niet opdringen."
"Ga naar bed, Hortense, en kom tot kalmte! Er valt nog niet met je te redeneenen van avond. Bedenk maar eens wat ik je gezegd heb!"
"Oom!" zeidc zij nu een weinig bedaarder, "wat ik daar zei is maar gekheid. Ik wil bij u blijven, als u 't goed vindt, uw huishouden waarnemen; ik heb nog geld genoeg om van te leven, en dan zal ik aan allerlei modeliefhebberijtjes doen, philanthropie, kunst, alles wat maar netjes en fatsoenlijk is. Ik ben oud en

[183:]

leelijk en bitter geworden, dus mijn jeugd en mooi gezicht zullen mij niet meer in den weg staan."
"Dat overleggen wij morgen. Kom, Hortense, wees verstandig en ga naar bed."
"Ja, ik heb morgen mijn kracht wel noodig."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina