Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


[91:]

X.

Mevrouw Van Asten was zeer bezorgd dien morgen; de onderwijzeres had haar beklag gedaan, haar kamer was naast die van mijnheer Philip, en hij had haar den geheelen nacht uit den slaap gehouden. Hij scheen niet naar bed geweest te zijn, zij had hem hooren loopen, schuifelen, zij meende zelfs kermen. Dikwijls was zij op het punt geweest, op te staan, aan zijn deur te kloppen en te vragen of hij ongesteld was, maar zij had het minder gepast gevonden. Nu werd zij door vreeselijke hoofdpijn geplaagd, haar zenuwen, die in de laatste dagen zooveel kalmer geworden waren, lieten haar geen rust.
Mevrouw Van Asten was verschrikt naar de slaapkamer van haar zoon geloopen, en daar zij de deur niet gesloten vond, liep zij naar binnen en verschrikte hevig, toen zij merkte dat hij er niet meer was.
"Eveline, Eveline! Wat hangt ons boven het hoofd!" riep zij jammerend uit, "hij is zeker met een dollen kop het huis uitgeloopen. O God! Wie weet wat hij gedaan heeft, waartoe jij hem hebt gedreven met dat scherpe gezegde!"
Eveline werd zoo bleek als zij kon en kreeg het toen op de zenuwen, begon hardop te lachen en tegelijk te huilen; de logés kwamen hooren wat er was, en ieder zeide er het zijne van.
"Mevrouwtjelief," troostte de makelaar, "denk toch niet altijd het ergste, uw zoon zal niet hebben kunnen slapen en is een wandelingetje gaan maken."
"Wel zeker," meende juffrouw Dammers, "men springt zoo maar niet in het water of schiet zich voor den kop."

[92:]

"Nu ja, ik heb 't van nacht dadelijk gedacht, dat er iets niet in orde was met hem," verzekerde de onderwijzeres, "hij bleef geen oogenblikje stil, Zijn zenuwen waren hem stellig de baas, ik ken dat wel, en nu zal hij tegen den morgen er wel uitgeloopen zijn van benauwdheid, Op zoo'n oogenblik weet men niet wat men doet."
"Het beste is bij zulke gevallen altijd het ergste te denken, dan valt het mee," zoo beurde juffrouw Dammers op haar eigenaardige manier de angstige vrouwen op.
Het natuurlijke gevolg van al deze troostredenen was, dat Eveline nog harder begon te lachen en te huilen en mevrouw Van Asten, handenwringend, een beeld der wanhoop gelijk, door het huis liep.
"O, hij heeft zich te kort gedaan, ik weet het zeker, Ik heb het al lang zien aankomen. Die kalmte van de laatste dagen was alleen om ons op een dwaalspoor te brengen."
"Hij zal zich wel tweemaal bedenken, mevrouw, voordat hij tot zoo'n maatregel overgaat! Maar wil u dat ik eens naar het bosch ga, om te zien of hij misschien ergens in slaap is gevallen?"
"Als je belieft, mijnheer! Als je belieft! O, als u hem terugbrengt..."
Nellie en Anna hadden het druk om Eveline vlugzout te laten ruiken en met eau de Cologne te wasschen, en ondertusschen fluisterde de onderwijzeres beider moeder toe:
"'t Is belachelijk zoo'n afgoderij met dien bengel van een jongen. Zij is een beste vrouw, maar zij moest meer aan haar logés denken. Is dit nu hier een stille omgeving, om mijn zenuwen te kalmeeren?"
Midden onder al die ontroeringen, terwijl de makelaar

[93:]

den hoed opzette om den vermisten zoon buiten te gaan zoeken, kwam de oorzaak van alle ellende het tuinhek binnen, met gloeiende wangen, schitterende oogen, als een jonge koning, die zich pas een nieuwe kroon heeft veroverd.
"Hé, jongmensch! Wat heb je ons een angst laten uitstaan!"
"lk?" vroeg Philip onnoozel. "Hoe zoo?"
"Wel, je moeder en zuster verbeeldden zich, dat je ergens in het bosch lag met doorboorde hersens!"
"O neen!" hij lachte vroolijk, "integendeel!"
"Nu, ik heb 't ook gezegd, maar je weet wel die zenuwjuffrouw heeft het vuurtje aangestookt; het schijnt dat je van nacht wat burengerucht hebt gemaakt, en zooals het altijd met vrouwen gaat, is je moeder dadelijk het ergste gaan denken, en je zuster zit daar te grienen. Kom, ga ze maar gauw troosten."
"'t Is de moeite waard! Ik kon van nacht niet slapen en toen heb ik een flinke wandeling gemaakt, en dat heeft me opgefrischt."
"Wel zeker, dat zei ik ook, maar als dat vrouwvolk zich eens iets in 't hoofd heeft gezet, praat er dan maar tegen!"
Hij ging naar de huiskamer, waar mevrouw hem onstuimig omhelsde en Eveline een paar laatste snikken liet tot afscheid van het zenuwtoeval, en toen verwijderden zich de logés uit bescheidenheid om de familie vrij te laten in haar ontboezemingen.
"Wat heb je ons doen schrikken, beste jongen!" zuchtte mevrouw, hem over de haren strijkend.
"Philip," fluisterde Eveline haast onhoorbaar, "wil je mij vergeven - van gisteravond?"
"Kom, windt jelui je toch niet zoo op! Wat moeten

[94:]

de menschen daarvan denken! Geef mij maar een kop thee, ik heb honger en dorst gekregen."
"Hij wilde de dames eerst tot kalmte laten komen, vóór hij het groote nieuws vertelde, dat zijn lippen verschroeide; beiden bedienden hem om strijd; mevrouw maakte zijn boterhammetjes, Eveline schonk de thee.
"Heb je een prettige wandeling gemaakt, vent?" vroeg de moeder, hem liefdevol toeknikkend.
"Heerlijk! 't Was zoo goddelijk in het bosch."
Eveline keek hem wantrouwend aan; hij had den klimoptak door twee knoopsgaten van zijn morgenjasje gestoken, en deze slingerde nu op zijn sportblouse daaronder.
't Was of Eveline Hortense ruiken kon; met een soort van zesden zin ontdekte zij altijd wanneer haar broer met dat gehate nest in aanraking was geweest; zij had een vraag op de lippen, maar hield zich in, omdat zij wel begreep, dat wat zij ook zeide, een scherpen klank zou hebben.
Toen hij gedaan had, nam Philip met die vleiende manier, welke hem zoo aantrekkelijk maakte, de handen van mama en zuster in de zijne, keek haar beiden diep in de oogen en vroeg toen:
"Belooft u mij deel te nemen in mijn geluk?"
"Je geluk!"
Philip voelde Eveline's handjes koud worden in de zijne.
"Wat bedoel je?"
"U dacht, dat ik den dood ging zoeken, en ik heb juist het leven, het geluk gevonden."
"Hortense!"
't Klonk haast als een smarLkreet, en hij wist niet, of 't van zijn moeder of van Eveline kwam.
"Ja, Hortense en ik hebben ons geëngageerd. Ik

[95:]

telegrapheer nog vandaag naar Indië, dat ik die betrekking aanneem."
En toen was het een gesnik en een geklaag en een gejammer van:
"Ach, nu zie ik, dat ik je eigen moeder niet ben Die had je wel om raad gevraagd! Buiten die om zou je niet gehandeld hebben. Je weet wat wij van de Charières denken."
En Eveline, in de volle verontwaardiging van haar jaloersche, vrouwelijke antipathieën:
"Nu heeft zij haar doel bereikt. Zij trouwt je, alleen omdat zij bang is dat geen ander komt, en om ons te tergen."
"Eveline!"
Met schrik zagen beiden nu de vreeselijke voorteekenen, die den naderenden storm bij Philip voorspelden.
Het zwellen van de aderen op zijn voorhoofd, het trillen van zijn neusvleugels, het krijtwit worden van zijn lippen. De angst sloeg hun om het hart; schuw week Eveline achteruit, en mevrouw nam zijn hoofd in haar handen en suste hem of hij een ondeugend kind was.
"Lieveling, lieveling! Houd je bedaard, ik bid je!"
Ruw stiet hij haar van zich af, en de gloeiende oogen op zijn zusje gevestigd, zeide hij heesch:
"Schandelijk, zóó te spreken over het meisje van je broer. Gister heb je mij al dol gemaakt en nu weer! Schaam je, zóó te spreken over iemand, die je niet eens kent. Wij zijn het eens, en je liefdelooze praatjes zullen geen verandering brengen in onze verhouding. Als je dus niet wilt, dat ik met je breek, dan ontvang je haar vriendelijk, hoor je, of anders ga ik de deur uit en kom er niet meer in."
"Ja, Philip, ja!" snikte Eveline, "maar word toch niet dadelijk zoo kwaad!"

[96:]

"Je zoudt iemand razend maken."
Hij voelde, dat de bui afdreef, en was blijde en trotsch dat hij haar meester gebleven was.
"Geeft elkaar een zoen," bad mevrouw. "O, dat zoo'n vreemde komen moet om verwijdering te brengen tusschen mijn kinderen."
"Maar dat hoeft volstrekt niet," en zijn stem klonk alleen nog wat ongeduldig. "Hortense is een engel, en als u haar maar beter kent en kennen wilt, zult u 't ook erkennen. Maar dat malle vooroordeel bederft alles, dat hechten aan dwaze uiterlijkheden; zij is niet als ieder ander en dat is haar eenige fout."
"Ach, Philip! Heb je het nu wel goed overdacht, wat je gaat doen?"
"Ik hoef het niet te overdenken, wij zijn dol op elkaar, en dat is genoeg."
Mevrouwen Eveline zagen elkander pijnlijk aan, met het gezicht van een paar menschen, die het veel beter weten, maar hun goed inzicht ten offer brengen aan de overmacht.
"'t Is goed, beste jongen, 't is goed!" zuchtte de moeder, "je moet het zelf weten, wij zullen je meisje ontvangen, natuurlijk," - haar stem stierf weg in een snik.
"Is het zoo hard, moeder?" vroeg Philip spottend.
"Ja, zeker is het hard, heel hard! Ik heb mijn heele leven mijn best gedaan om je zoo gelukkig mogelijk te maken; geen offer is mij daarvoor te groot geweest, en dat je, nu het de belangrijkste stap in je leven geldt, geheel eigenmachtig handelt en mij voor een fait accompli stelt, dat is zeker hard, heel hard."
"Maar, lieve ma! 't Heeft mij zelf verrast, ik was geëngageerd voor ik 't zelf wist."
"In het bosch?"

[97:]

"Ja, bij den grooten vijver, ik was erg verdrietig, en toen kwam zij - en - en -"
"Zij heeft je getroost, ja, zij kan meer dan wij."
"Zeker, het was een groote troost voor mij, die meende tot niets meer goed te zijn, voor wien het zoo'n waag was te trouwen," hij keek Eveline aan, "een meisje te vinden, die 't wel met mij aandurft."
Eveline zweeg hardnekkig, maar een stroom van woorden en verwijten, bleef achter die stijf op elkaar gedrukte lipjes opgesloten.
"Dus dan ga je met haar naar Indië?" vroeg zijn moeder weer op troosteloozen, klagenden toon.
"Ja, maar u zal er niet door lijden. Wij zullen zorgen, dat u en Eveline een onbezorgd bestaan krijgt."
"O, dat is niet noodig. Wij kunnen werken, Eveline en ik, zoolang wij maar gezond blijven; wij hebben het jaren gedaan en zullen het nog wel langer doen. Je krijgt een huishouden en moogt het dus niet bezwaren met de zorg voor een stiefmoeder en een stiefzuster."
Philip wilde weer uitvaren, maar hij bedacht zich gelukkig bijtijds; hun overgroote liefde jegens hem maakte het hun zoo moeilijk zich neer te leggen bij zijn besluit en hij begreep dat zijn geluk hem niet onrechtvaardig mocht maken.
"U heeft zooveel voor mij opgeofferd," begon hij weer, "'t is dus niet meer dan billijk, dat ik het u, zoo veel ik kan, teruggeef."
"Praat daar toch niet over! Je maakt mij nog verdrietiger."
Dien middag, tegen koffietijd, ging Philip naar de Charières; hij wilde nu oom Bernard officieel de hand van zijn nichtje vragen, en intusschen vertelde mevrouw op diep bedroefden toon aan de logés het groote nieuws.

[98:]

"Wel, wel!" zeide mijnheer, "dat is wat anders dan zich te kort te doen. Hij heeft een goeien smaak, die zoon van u, en dat meisje ook, dat moet ik zeggen. Een paar om den hoed voor af te nemen."
De dames keken echter heel zuinig; mevrouw Van Asten kreeg den schralen troost mede, dat zij allen precies zoo over het engagement dachten als zij, met uitzondering van de Amsterdamsche moeder, die druk bezig was een kliekje van den ragout van den vorigen dag te genieten, en van de suffe mevrouw, die tot groote verontwaardiging van haar juf een kopje koffie over haar nieuwe japon morste, op het oogenblik, dat deze in de drukte van het interessante gesprek niet naar haar keek.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina