Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


XXI.

Hendrik was een neef van den heer van Voornwijck, een man van omstreeks vijftig jaar die sedert jaren bij hen half de betrekking van rentmeester, half die van secretaris vervulde, en zoo diep in hun vertrouwen had weten te dringen, dat hij voor de beide oude, zwaarbeproefde menschen zoo goed als onmisbaar was.
Zij waren na den dood hunner kinderen geheel van hem afhankelijk geworden; hij regelde en beschikte alles, wat zij in de eerste oogenblikken van groote droefheid en bittere moedeloosheid aan hem hadden overgelaten - en langzamerhand had hij

[164:]

zulk een overwicht op hen gekregen, dat zij niets durfden ondernemen, zonder zijn medewerking of zelfs toestemming.
Nu was hij afwezig om het landhuis dat de Voornwijcken in de fraaie Vechtstreek bezaten, in orde te brengen voor hun zomerverblijf.
Dien avond kwam hij met de diligence terug en vermoedde niets van de groote besluiten, die er zonder hem genomen waren.
De eerste blik echter geworpen op de beide oude luidjes die in de eetkamer zaten en druk met Philip van Oudenaarde het gebeurde van dien middag en hun reisplannen bespraken, overtuigde hem dat er iets belangrijks gedurende zijn afwezigheid was voorgevallen.
Ook dat van Oudenaarde het avondmaal der van Voornwijcken deelde, was hem onaangenaam. Hij duldde bij zijn oom en tante niet gaarne een anderen invloed dan den zijne; zoo stond zijn gezicht reeds tamelijk bewolkt en ontevreden toen hij zich bij het drietal neerzette om hun verbaal te hooren.
't Scheen echter dat mevrouw van Voornwijck - die nog vol was over haar blijde hoop en verwachhtingen niets hiervan merkte of merken wilde - want zij verhaalde met schitterende oogen zoo levendig en opgewekt als Hendrik in langen tijd van de door smart en jaren gebroken oude vrouw, niet had gehoord.
Maar terwijl hij luisterde en nu en dan telkens een blik wierp op zijn oom, die hoewel eerst twijfelachtig en ongeloovig, toch ook langzamerhand onder

[165:]

den indruk kwam van het vaste vertrouwen en de onwrikbare overtuiging zijner vrouw, rees de gedachte in hem op, dat met het terugvinden van een der afstammelingen van het oude paar zijn macht hier in huis een gevaarlijken knak zou krijgen.
Meer dan dat, zijn vaste hoop om erfgenaam te worden van den grooten rijkdom der Voornwijcken, vervloog in rook.
Zijn helder verstand en sluwe zin maakten het hem voor geen oogenblik twijfelachtig dat het zonderlinge meisje ergens in het Ardennerwoud in wilden staat gevonden, de dochter was van zijn neef Arie - die uit de schipbreuk gered op de een of andere wijze door Frankrijk moest hebben rondgezworven, totdat zij in die streken was aangeland; bovendien had hij tot stelregel aangenomen, dat wanneer men iets onaangenaams vreest, dit stellig zal gebeuren.
Hij luisterde toe, schijnbaar met de grootste aandacht en kalmte, de spitse trekken onbewogen door elke aandoening, maar intusschen streed hij een hevigen strijd - en vroeg zich af wat hij in deze omstandigheden te doen had.
Zijn tante tegenspreken, dit begreep hij maar al te goed, zou niets baten - de zoolang aan verdriet en teleurstelling gewende vrouw, was te veel vervuld van het geluksterretje daar in de verte voor haar schemerend, om naar iets te willen luisteren, dat dit schijntje zou kunnen verdonkeren.
Het beste was haar niet tegen te spreken, maar te veinzen dat hij haar geluk deelde; dan zou hij

[166:]

altijd nog verder kunnen zien wat hem te doen stond.
Zoo luisterde hij dus met ingespannen aandacht en oplettendheid naar haar verhaal en toen met een gebaar van blijdschap en dankbaarheid, sloeg hij de oogen ten hemel.
"God zij gedankt en geloofd, dierbare oom en tante, voor dit onverwachte geluk dat Hij u in uw eenzame grijsheid schijnt te gunnen; na alle slagen waarmede Hij uw ouderhart getroffen heeft, biedt Hij nu den balsem; die ze alle zal genezen."
Philip van Oudenaarde zag hem half spottend, half wantrouwend aan, hij dacht onwillekeurig aan het bekende spreekwoord: "Wanneer de vos aan het preeken gaat, Boer! pas op je kippen!"
Hij besloot den zalvenden neef in 't oog te houden en zoo noodig de beide grijsaards tegen hem te verdedigen.
Waarschuwen, dat wist hij maar al te goed, zou niet baten, want beiden waren te hoog met hem ingenomen, zooals ook uit mevrouws antwoord op zijn fleemerige woorden bleek.
"Ja, beste neef!" sprak zij, "ik weet het maar al te goed, hoezeer gij steeds in ons lief en leed deeldet. Helaas! tot nu toe heeft het leed meestal het lief overtroffen. Moge nu eindelijk het zonnetje van het geluk over onzen ouden dag schijnen."
Men begon dadelijk met de reisplannen te ontwerpen, die toen natuurlijk veel omslachtiger en ingewikkelder waren dan tegenwoordig, als men eenvoudig maar in den trein gaat zitten om in minder dan een dag in Parijs uit te stappen.

[167:]

Besloten werd, dat de brave Hendrik het oude echtpaar zou vergezellen, evenals twee vertrouwde bedienden.
Philip van Oudenaarde bood zich zelf ook als reisgezelschap aan tot Hendrik's groote teleurstelling en ergernis: hij begon het onnoodige van zijn medegaan met zulke klemmende redenen te betoogen, dat de oude vrouw reeds bijna toegaf en hem voor de eer wilde bedanken, maar de heer Voornwijck, die zeer tegen de reis opzag en er zich zooveel succes niet van beloofde, legde zijn vrouw uit hoe oneindig veel waard het voor hen zou zijn, iemand bij zich te hebben, die niet alleen goed in de fransche hoofdstad bekend was, maar ook alle bijzonderheden wist aan de geheimzinnige geschiedenis van het boschmeisje verbonden.
Hendrik was niet bestand tegen den wil van beide mannen en moest, hoe onaangenaam het hem ook was, toegeven en dulden dat Philip van Oudenaarde de vierde reisgenoot werd.
Na eenige dagen vertrok het gezelschap in een ruimen reiswagen naar Frankrijk tot groote verbazing van de vrienden en verwanten der Voornwijcken, die niet begrepen, welke belangrijke reden de oude lui er toe, gebracht had, zulk een groote reis te ondernemen.
Zonder bijzondere lotgevallen bereikte men de grenzen van Frankrijk, toen mevrouw van Voornwijck in een onaanzienlijk plaatsje, waar zij overnachtten, licht ongesteld werd.
Eenige dagen rust zouden haar goed doen en

[168:]

hiervan maakte Hendrik gebruik om de oude lui te overtuigen, hoe geschikt het voor hem zou zijn vooruit te reizen en het logies voor hen in orde te brengen.
Dit viel nu juist in den geest van den heer van Voornwijck, die op zijn gemak gesteld, de ontberingen van de reis hartelijk moede was en niets zoo zeer vreesde dan in Parijs minder goed gelogeerd te zullen zijn.
Hij vond het dus uitstekend dat Hendrik hen vooruitreisde, maar van Oudenaarde, die als bij instinkt begreep, dat de neef alles met geheime bedoelingen verrichtte, verklaarde hem niet alleen te willen laten gaan, maar hem te vergezellen om met zijn meerdere bekendheid in Parijs hem voorte lichten en bij te staan.
Hendrik was niets op deze voorlichting en bijstand gesteld, maar hij kon er niets aan doen en moest zich met dit opgedrongen gezelschap vergenoegen.
Zij vertrokken dus samen met de diligence naar Parijs en terwijl Hendrik pogingen deed om een gepast onderkomen voor zijn oom en tante te vinden, ging Philip van Oudenaarde bezoeken af leggen bij den heer de la Condamine en bij de familie d' Armentières.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina