Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


XIX.

De vurig begeerde dag, waarop Marie Louise le Blanc gedoopt zou worden, was aangebroken.

[145:]

Het klooster was geheel in feestdos; het huis scheen één bruidsbouquet van witte bloemen; het was of een sneeuwval van witte rozen en leliën er over heen was gedaald en alles in een sluier van reinheid hulde.
In de gangen stonden tobben met bloeiende planten, de kapel was één en al bloemen, bedwelmend van geur, verrukkelijk van kleur.
Nooit zoolang het klooster van Notre Dame de Bon Secours bestond, was er zulk een feest in gevierd.
Geheel het elegante, deftige Parijs, had willen bijdragen om den grooten dag op te luisteren. De koning had een vloerkleed van zilverlaken gezonden, de hertog van Orléans een altaardoek van Genueesch guipure.
lederen dag kwamen de rijkste geschenken in het klooster aan, die men in de groote zaal bewaarde.
Maar hoe zeer het de goede zusters verheugde dat haar leerling zich zoo in de algemeene sympathie verheugen mocht, meer dan alles verblijdde het haar te zien hoe zeer het kind, dat eens het boschmeisje had geheeten, doordrorigen was van de plechtigheid, die haar - de gelijke bijna van de wilde dieren des wouds - tot een lid der christelijke kerk zou maken.
Haar engelachtige zielstoestand verrukte en verbaasde iedereen; zij scheen nauwelijks meer tot deze wereld te behooren en in een geheel andere levenssfeer te ademen.
Haar oogen schitterden van een verborgen vuur.

[146:]

Zij sprak weinig en scheen de fraaie geschenken en prachtige versieringen nauwelijks een blik waardig te keuren.
Op den morgen voor het groote feest drongen de eerste lentestralen door het raam van haar kamertje en vol innige vreugde stond het jonge meisje op en begon zich te kleeden.
Een rijke dame had haar een kleed gezonden van wit zijden brocaat en andere vriendinnen overlaadden haar met allerlei kleinooden van paarlen en diamanten.
Maar het meisje had geen oog voor al die ijdelheden, zij vermochten haar heilige stemming niet te verstoren.
Een zoete glimlach verscheen op haar lippen, toen Simone met de overste binnentrad.
De beide vriendinnen omhelsden elkander teeder en Simone hoorde haar fluisteren:
"Ik dank u zoo, ik ben u zoo dankbaar. Ik zal veel voor u bidden."
"En ook voor een ander, lispelde de jonkvrouw d'Armentieres met een geheimzinnigen glimlach van geluk.
Ook voor haar was het een gewichtige dag, want gisteren avond had zij, Raoul de Soigny in tegenwoordigheid van haar oom en tante het jawoord gegeven.
Maar het boschmeisje begreep haar niet en antwoordde eenvoudig:
"Ja, ik zal voor u allen bidden, voor den graaf en de gravin, voor Ursule en Lisette."

[147:]

"En voor Raoul?"
Het was of zij iets overwinnen moest vóór zij hierop antwoord kon geven; zij kon den baron nog maar niet vergeven, dat hij haar als een wild dier had gevangen.
"Ja," zeide zij eindelijk, "voor hem ook!"
Simone kuste haar hartelijk en begon haar toen te helpen aan haar toilet.
Ondertusschen begonnen alle klokken van het gebouw te luiden en door de stad verspreidde zich het bericht:
"Het boschmeisje wordt gedoopt!"
Het volk verzamelde zich vóór de poorten van het klooster, waar dan telkens de statige koetsen der genoodigden stil hielden, om een glimpje te ontwaren van de hooge, deftig uitgedoste, gasten, die zoo gelukkig waren de ceremonie te mogen bijwonen.
Binnen werd de drukte steeds grooter, de zusters wisten niet wie het eerst te bedienen, waaraan het eerste te denken; zij gleden geruischloos door de hooge gangen, met een glimlach zwijgend groetend wanneer zij elkander tegenkwamen.
In de kapel was, de tribune voor de gasten bestemd weldra gevuld door een dichte menigte; in het koor namen de prinsen, prinsessen en voornaamste personages plaats.
Vele geestelijken zouden bijdragen tot verhooging van den luister der plechtigheid, die door niemand minder dan den Aartsbisschop van Parijs moest verricht worden.

[148:]

Toen het bepaalde uur naderde, baadde de kapel in een zee van licht, alle kaarsen waren ontstoken, de wierook kronkelde omhoog uit zilveren vaten, en de zoete stemmen der kloosterzusters deden een gezang van hemelsche schoonheid weerklinken.
Daar ging de kerkdeur open en de grootste stilte volgde op het gemurmel der nieuwsgierigen.
Aller oogen vestigden zich op de deuropening, alle harten klopten van vrome verwachting en ontroering.
Het boschmeisje verscheen tusschen twee rijen van kloosterzusters en de heiligheid der plaats en het gewicht- der handeling beletten alleen de vergadering in een luid gejubel van bewondering uit te barsten.
Zij was zoo treffend schoon en zoo aandoenlijk om aan te zien.
Langzaam ging zijvoort, de oogen neergeslagen, de handen gevouwen, een kroon van witte rozen rustte op haar donkere lokken, vanwaar een lange sluier afhing, die haar als een wazige wolk omgaf.
Een zachte, fijne blos kleurde haar wangen, en een glimlach vol zoetheid bewoog haar lippen. Niets kon haar aan haar vrome aandacht onttrekken, zij zag noch rechts, noch links en scheen niet meer tot deze aarde te behooren.
Het was of zij slechts luisterde naar hetgeen de engelen, haar zusters, haar toefluisterden.
Mevrouws d'Armentieres en Simone schreiden tranen van aandoening, toen zij het wilde kind der bosschen zoo schoon en zoo stichtend door de kapel zagen gaan.

[149:]

In haar verbeelding hoorden zij weder haar woest geschreeuw in de hooge boomen van het park - zagen zij haar rennen door het woud, in haar ruig kleed van beesten vellen - met het verbrande gelaat en de los fladderende haren. Zij zagen haar de hazen in de vlucht vangen en hen met een woeste vreugde n de oogen dooden; zij zagen haar tegenover den wolf dreigend staan, hem de tong uit den bek rukken en toen zij hem vermoord had, zijn warm bloed drinken; zij zagen haar klauteren en springen over de rotsen - toen woonden zij in den geest de vreeselijke klopjacht bij - en wat er toen volgde, haar buien van razernij, van diepe moedeloosheid en bandelooze vrijheidszucht.
Hoe kon dat alles nog slechts zoo kort geleden zijn!
Wat was zij,veranderd! Hoe scheen zij nu een hooger wezen, een mooi, zedig godsdienstig meisje, de gelijke, zoo niet de meerdere van allen, die haar omgaven.
Ook de graaf d'Armentieres en zijn zwager, al lieten zij het niet blijken, waren zeer onder den indruk der plechtigheid.
Raoul vooral had moeite zijn aandoening te verbergen, maar zijn oogen rustten meer op Simone dan op de heldin van het feest.
Hij vond haar in haar stille vreugde en dankbaarheid zoo lief en aantrekkelijk; hij kon het niet vergeten dat het vooral haar teederheid en vriendschap voor het ongelukkige kind waren, die hem zulk een diepen blik had doen slaan in haar liefdevol

[150:]

hart en daarin schatten liet raden van goedheid en trouw.
Nu zou dat meisje met die groote hoedanigheden van ziel en hart, zijn bruid worden.
Hij zou nu ook recht hebben op haar liefde, die op het boschmeisje zulk een grooten invloed uitgeoefend en van haar een beschaafd mensch had gemaakt.
Ja, hij had alle redenen God te danken, die hem na al zijn zwerftochten zulk een schat had doen vinden in het huis van zijn zuster.
Het meisje nam haar plaats in het koor in; de gravin d'Armentieres, haar peetmoeder, knielde naast haar; de hertog van Orléans, die haar andere doopgetuige was, stond aan hare andere zijde.
Een welsprekend redenaar betrad het spreekgestoelte en hield een indrukwekkende redevoering, deed die het gezelschap diep ontroerde en menig traantje vloeien.
Toen begon de ceremonie.
Met een engelaehtige vroomheid antwoordde het meisje op de vragen van den geestelijke; zij sprak met een heldere, klankvolle stem de gepeden uit die haar geloof, hoop en liefde moesten bevestigen en toen met de hand op het heilige Boek rustend, beloofde zij trouw te blijven aan alle voorschriften van den godsdienst.
Nu daalde het water der wedergeboorte neder op haar diep gebogen hoofd en een oogenblik bleef zij in stille vervoering verzonken in het gebed.
Na afloop der plechtigheid verlieten de gasten

[151:]

allen zeer onder den indruk van het gebeurde de kapel; de familie d'Armentieres die de naastbestaanden der vondelinge voorstelden, namen met haar het ontbijt in de groote eetzaal van het klooster.
Marie Louise bleef altijd even ingetogen; de fraaie cadeaux die zij nu bezag, verheugden haar wel, maar vermochten niet haar in haar heilige stemming te storen.
Zij bleef nog eenige dagen in het klooster, toen echter kwam zij op Simone's uitdrukkelijk verlangen weer in het huis der d'Armentieres terug.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina