Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


XIV.

Daags na het vertrek van de koningin van Polen werd de reis naar Parijs voortgezet.
Het was een ware verlichting voor allen, maar vooral voor het boschmeisje, toen de groote reiskoets op het voorplein binnenreed van de prachtige woning der graven d'Armentières. Het boschmeisje scheen bang te worden toen de koets over het nog zeer onregelmatige plaveisel der groote stad reed,

[101:]

tusschen de hooge huizen, waartusschen men nauwelijks een stukje blauwen hemel ontwaarde.
De gejaagde, angstige, bijna wilde uitdrukking die zij in den laatsten tijd verloren had, kwam weer in haar oogen en haar lichaam schokte telkens zenuwachtig.
Simone trok haar naar zich toe en streelde bedarend haar lokken, dit scheen haar goed te doen; zij liet de oogleden neervallen en kwam blijkbaar tot rust.
"'t Is te hopen dat zij hier geen dwaasheden uithaalt om te ontvluchten," zeide de graaf, die niet erg ingenomen was met dit reisgezelschap en zich verheugde, dat hij in Parijs ten minste niet verordeeld. zou zijn, altijd met het wilde kind te moeten omgaan in gedwongen afzondering, zoo als gedurende hun reis.
"Dat zal zij niet doen, niet waar, vriendin?" vroeg Simone teeder en het kind scheen kalm te worden als altijd onder haar bedarende liefkoozingen; zij knikte zelfs toestemmend.
"Nu, het zou ook heel dwaas zijn van de jonge juffrouw," ging de graaf voort, een "huis te ver laten, waar zij het zoo goed heeft en waar allen haar met zooveel liefde en zorg omringen; terwijl zij spoedig zal ondervinden, dat het zwerven door Parijs nog gevaarlijker en lastiger is dan door de bosschen van Soigny."
Er scheen echter geen gevaar te bestaan voor een ontvluchting van het arme kind. Instinctmatig voelde zij zich niet thuis in het

[103:]

midden der groote, ongezellige stad; het hotel had een mooien, grooten tuin - ten minste voor een stadstuin mocht hij gerust groot heeten - maar hooge muren omringden hem en gaven er iets sombers en gedrukts aan.
Toen het boschmeisje op haar kamer was gekomen, die door een portaaltje van de vertrekken van Simone gescheiden was, ging zij aan het raam staan en barstte in tranen uit.
Het was een sombere winterdag, en hoewel nog niet laat, scheen de zon reeds afscheid te hebben genomen van den tuin.
Simone vond het boschmeisje droevig snikkend en op haar deelnemende vraag, wat haar toch scheelde, antwoordde zij, wijzend op den besloten tuin:
"Bosschen, boomen.."
En op haar borst wijzend, scheen zij moeite te hebben adem te halen.
"Ja, beste vriendin, dat kan ik je niet geven, maar hier zal je zeer gelukkig worden. Mijnheer Raoul zal knappe menschen spreken en hen vragen waar vandaan je komt, dan zullen wij landgenooten van je zoeken en die zal je misschien beter verstaan."
Het meisje zag haar vragend aan, het scheen dat zij baar niet goed begreep of althans niet vatte, welke voorrechten haar wachtten.
"En dan, lieve kind..'" en Simone vouwde haar handen en sloeg haar oogen ten hemel, "dan wordt mijn vriendin een dochter van den goeden God, van Hem, die haar geschapen heeft."

[103:]

"Ja, ja!" riep zij nu met meer vuur.
"En die de boomen, en de bloemen, en de zon en de sterren, en de herten en vogeltjes gemaakt heeft; en die daarboven in den hemel woont!"
Het boschmeisje vouwde nu ook haar handen, haar tranen waren opgedroogd.
"En dan krijgt mijn vriendin een nieuwen naam, waarmede ik haar voortaan zal noemen - zooals ik Simone heet."
"Ja, Simone, Simone!"
Reeds daags na hun aankomst in Parijs begaf zich Raoul naar den grooten natuurvorscher en wereldreiziger, monsieur de la Condamine.
Het kabinet van dezen geleerde was een waar museum, waarin hij met evenveel smaak als oordeel alle merkwaardigheden had gerangschikt, die hij van zijn groote tochten medebracht.
Men zag daar allerlei vreemde vruchten en planten als tropeeën langs de muren geschikt en daartusschen zaten opgezette vogels in zulk een vlugge houding, dat men telkens verwachtte ze te zien wegvliegen.
Prachtige vlinders schenen van bloem tot bloem te fladderen en trokken door hun schitterende, ondanks- het drogen nog levendig gebleven kleuren, ieders aandacht.
Kleine vijvers waren nagebootst door stukken glas en hier stonden pelikanen of ibissen op één poot, schijnbaar in diepe overdenking of wel zij zagen neer op de vreemde visschen en amphi

[104:]

biën, die onder het glas in het water schenen te zwemmen.
In de kasten langs de muren waren allerhande eigenaardige gereedschappen, vazen, potten en beeldjes verzameld, van elk waarvan de heer de la Condamine veel interessants zou kuhnen verhalen.
Om nagemaakte boomstammen rolden zich slangen van fraaie kleuren met wijd opengespalkte muilen - afgodsbeeldjes verscholen in kunstig bewerkte nissen hun gedrochtelijke vormen.
Dan zag men nog in een zeer bestudeerde en gewilde wanorde eene groote menigte schelpen, bonte steenen, zeegewassen, koralen, geslepen kristallen, bloemen van edelgesteenten, gouden sieraden en zelfs ketens van parelen.
Fraaie, wonderlijk geweven stoffen vielen in bevallige plooien tusschen groote wapentropeeën waaiers van struisveeren, afgietsels van monsterachtige poppen.
Hier in deze arbeidskamer, die hij met zooveel liefde en zorg had ingericht, voelde de geleerde zich het beste thuis.
Hij was druk bezig met een zeer ingewikkeld wetenschappelijk rapport te schrijven, bestemd voor de Academie der Wetenschappen, toen hij het verzoek van Raoul de Soigny ontving om hem te mogen spreken naar aanleiding van het boschmeisje.
De zaak moest hem zeker hoogst belangrijk voorkomen, want hij, die juist in deze dagen zoo zorgvuldig zijn kamer afsloot voor alle, zelfs de hoogste

[105:]

bezoeken, was onmiddellijk gereed den jongen markies te ontvangen.
Raoul werd dus in het heiligdom van den geleerde toegelaten en de heer de la Condamine kwam hem vriendelijk tegemoet en wees hem een zetel tegenover den zijne aan.
Door den "Mercure de France," het voornaamste fransche nieuwsblad of liever tijdschrift van die dagen, had de heer de la Condamine reeds van het boschmeisje gehoord en Raoul kon zich dus bepalen tot het in korte woorden vertellen van de vangst en van de verdere lotgevallen van het wilde kind.
Met de grootste aandacht luisterde de heer de la Condamine toe, terwijl Raoul zijn verhaal met de volgende woorden besloot:
"Onder de leiding van mijn zuster en haar nichtje begint het boschmeisje zich langzaam te wennen aan onze beschaafde wereld. Het schijnt een kind te zijn met meer dan gewonen aanleg begaafd en van een goed karakter, dat alleen door de noodzakelijkheid gedreven zich aan wreede handelingen schuldig maakte."
"En spreekt zij reeds verstaanbare woorden?"
"Ja, zij begint de beteekenis van vele woorden te vatten en herhaalt ze goed te pas."
"Het is een zonderling geval en ik ben zeer nieuwsgierig met dit vreemdsoortige kind kennis te maken. Dit is uw bedoeling immers?"
"Juist mijnheer, maar wij hebben er nog een andere bedoeling bij. Het is ons niet genoeg dit kind aan haar ongelukkigen toestand te hebben

[106:]

ontrukt, gaarne zouden wij zoo mogelijk willen weten, vanwaar zij komt en door welke ongelukkige, omstandigheden zij haar geheele leven in de bosschen heeft doorgebracht."
"En zou ik u daarmede moeten helpen?"
"In een enkel opzicht ja! Ik ben in vele, landen geweest, ik heb vele typen van volken gezien, dus is het mij duidelijk, dat dit kind tot het blanke ras behoort. Maar hoe is zij in dit bosch gekomen en hoe heeft zij van jongs af zich daar kunnen onderhouden?"
"Als u mij niet een ernstig man toescheen, markies, zou ik denken dat u mij om den tuin leidde of een grap vertelde."
"U zal zich van de waarheid van mijn woorden zelf kunnen overtuigen, mijnheer!"
"O neen! Hoe gaarne ik het wilde meisje ook wensch te zien, zoo heb ik dit niet noodig om u op uw woord te gelooven. U is officier der marine van Zijne Majesteit en dat is mij waarborg genoeg voor de waarheid van uw woorden en den gezonden toestand uwer hersenen. Maar u heeft mij nog altijd niet gezegd, waarin ik u behulpzaam kan zijn."
"De zaak is deze. Wij gelooven dat dit meisje, hoewel dochter van europeesche ouders, ergens in de koloniën geboren is, misschien heeft een schipbreuk haar op onze kusten geworpen..."
"Dan moet zij ver gezworven hebben om in het bosch van Soigny te belanden."
"Misschien zijn er ook andere invloeden bij betrokken geweest; hoe het ook zij, mijn zuster

[107:]

wenschte haar aan een proef te onderwerpen, waartoe zij uw hooggeschatte medewerking zou willen inroepen."
"Ik ben bereid voor zoover dit in mijn vermogen is."
"U bezit misschien de volledigste verzameling van opgezette dieren in Europa, van in was nagemaakte vruchten, van handwerken en stoffen uit die verre streken afkomstig. Als het meisje zich te midden van die vreemde voorwerpen, bevindt, dan zal zij waarschijnlijk dingen herkennen uit haar eerste jeugd en dit zal ons wat licht brengen."
"Welnu, markies! Breng het meisje hier en dan kunnen wij altijd de proef nemen, die niets gevaarlijks heeft. Wanneer wil u haar hier laten komen?"
"Het is aan u, mijnheer, dit te bepalen."
"Dan heb ik u nog een verzoek te doen. U vertelde mij zooeven, dat de koningin van Polen het meisje in het Klooster van Chalons heeft gezien en dat zij toen blijkbaar afkeerig was, zich daar te laten zien als een merkwaardigheid. Misschien zal het haar ook niet aangenaam zijn, wanneer eenige van mijn collega's van de Akademie hier ook komen om van de proef getuige te zijn, maar aan uw zuster en u, die eenigermate haar voogden zijn, is het om dit toe te staan of te weigeren."
"U heeft gelijk, mijnheer, maar ik zelf heb de wetenschap te lief, om niet met veel genoegen u de gevraagde toestemming te geven. Uw naam en karakter zijn er mij borg voor, dat de heeren, door

[108:]

u uitgenoodigd, slechts gedreven worden door zucht om te leeren en niet door onbescheiden nieuwsgierigheid."
"Ik geef u daarop mijn woord als eerlijk man."
"Wanneer ik opgang wilde maken met onze vondeling, dan behoefde ik maar verlof te vragen haar aan het hof voor te stellen."
"Het pleit voor u, dat u dit niet wenscht! Komt het u gelegen, dat de zitting over een week hier plaats zal hebben in dit kabinet?"
"Niets zal mij aangenamer zijn."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina