Melati van Java: Zwervertje
Amsterdam: L.J. Veen, 1922


[108:]

IX.

Philip werd door die vriendelijke menschen zeer goed behandeld. Zij hadden geen kinderen meer en hechtten zich spoedig aan het aardige jongske, dat zijn leeftijd zoo vooruit scheen.
Zij zonden hem naar school en vertroetelden hem om strijd, maar Philip voelde zich nog volstrekt niet tevreden.
Was hij hiervoor naar Indië gekomen om onder vreemden een vreemde te blijven? Neen, dan had hij evengoed in Banveld kunnen wachten tot hij groot genoeg zou zijn om zelf nasporingen naar zijn familie te doen.
En dan, als hij groot en volwassen was dan had hij hen niet meer noodig, maar nu, o! nu voelde hij er nog zoo'n behoefte aan geleid en gesteund te worden.

[109:]

De advertentie had niets opgeleverd heette het; eigenlijk waren de heer en mevrouw Dorpers, bij wie hij logeerde, blijde dat er niets op kwam, zoo immers hadden zij kans den aardigen jongen bij zich te houden.
Philip zocht maar gelegenheid iets naders van zijn familie te hooren zonder dat zijn pleegouders het merkten. Intusschen deed hij op school goed zijn best, maar nog meer spande hij zich in om maleisch te leeren.
Hij sprak veel met de bedienden, vooral met den jongen Ali, den zoon van den koetsier, een keurig, net Javaantje, op wien mijnheer en mevrouw zeer gesteld waren. De beide jongens speelden veel samen in den grooten klappertuin. Philip leerde hem voetballen en oefende zich op zijn beurt in het maleisch spreken onder leiding van zijn vriendje.
Een plan rijpte in Philip's hersens; hij had wel het kracht stuk volbracht heelemaal uit Banveld naar Batavia te komen met omstreeks f 15.- op zak,

[110:]

waarom zou hij eenmaal hier zijnde niet heelemaal het doel van zijn leven kunnen bereiken en zijn tante vinden?
- Heeft u nog niets van mijn oom en tante gehoord, mijnheer? vroeg hij nadat hij ongeveer twee maanden bij de Dorpers had gelogeerd.
- Neen, nog niets, antwoordde mijnheer, die wat kort aangebonden was, barsch.
- Zou u dan niet nog een advertentie plaatsen in een andere krant, vroeg Philip haperend.
- Wel neen! - Dat is maar geld weggooien, als zij die eene niet gelezen hebben - of wat ik eerder denk - niet hebben willen lezen - hij drukte zwaar op elke lettergreep - dan zullen zij die tweede ook niet opmerken.
Philip kleurde - neen! dat kon hij niet denken.
De zuster van zijn moeder zou niets van hem willen weten, dat was onmogelijk.
- Ja maar mijnheer! Ik kan toch niet altijd hier blijven, ik wilde zoo graag mijn tante vinden.

[111:]

- Daarvoor ben ik uit Holland gekomen - begon Philip, verlegen en zoo bescheiden als hij maar kon.
Toch stoof de heer Dorpers op en snauwde hem toe:
- Ik kan je tante niet uit den grond tooveren. Bevalt het je hier niet dan zal ik je naar het Weeshuis zenden. Mij dunkt, wij doen alles om het je aangenaam in huis te maken. Je hebt het hier goed, misschien veel te goed.
- Ik zal u nooit dankbaar genoeg zijn.
Mevrouw, die zeer sentimenteel was, begon te huilen.
- Waarom wil je weggaan Philipje! Je doet mij zoo denken aan mijn lief Jantje, dat ik moest missen. Als je weggaat, zou 't zijn of hij weer stierf.
Philip kuste haar en verzekerde dat hij, wanneer hij geen tante had, nergens liever zou zijn dan altijd bij haar, maar zijn moeder had hem gezegd, dat hij naar haar zuster moest gaan en hij voelde zich verplicht haar wil te doen.
Hij wist nu, dat hij volstrekt geen hulp van de

[112:]

Dorpers had te wachten en dus weer zelf moest handelen. 't Deed hem leed, die goede menschen, - want ondanks zijn drift was mijnheer toch een heel beste man - te moeten verlaten, maar er was niets aan te doen. 't Moest gebeuren.
Na lang nadenken besloot hij Ali in het geheim in te wijden; als Javaansche jongen verkleed wilde hij ontsnappen, dan zou hij nergens de aandacht trekken en zóó al zwervend in het Cheribonsche stellig op de een of andere manier zijn bloedverwanten vinden.
Evenmin als vroeger begreep hij echter den vollen omvang van zijn plan. Hij vergat, hoe hij opgesloten in het ruim van de stoomboot zijn onnadenkendheid en roekeloosheid bijna met zijn leven had moeten boeten en die zoo bitter berouwd had.
Zijn avontuurlijke geest liet hem geen rust en begon weer te werken. Ali beloofde hem alle hulp. 't Eerst had hij noodig Javaansche klederen en liet deze door het jongentje koopen. Met zijn geld was hij zeer zuinig geweest, hij had nog omtrent zeven gulden

[113:]

over. Hij wilde loopen, dat kostte niets; hij oefende zich sinds lang om op bloote voeten te gaan - als zijn pleegmoeder het niet zag.
Met belangstelling en bewondering keek het Javaansche jongentje tegen zijn blanken vriend hoog op. Hij begreep niet goed, wat hij van zins was, maar gehoorzaamde hem blindelings en zweeg over alles wat hij deed, niet alleen tegenover zijn heer en mevrouw, maar ook tegenover zijn ouders.
De waarheid was, dat de heer Dorpers de advertentie in 't geheel niet had geplaatst. Nu was er geen reden meer voor Philip om te verzwijgen, waar hij 't laatst in Holland woonde en hij vertelde het oprecht. Zelfs schreef hij een brief aan Dr. Vreeburg om hem zijn wedervaren te vertellen en nogmaals te bedanken voor diens betoonde goedheid en vergiffenis te vragen voor zijn vlucht.
De heer Dorpers achtte zich verplicht ook den voogd te schrijven en tevens inlichtingen te vragen over het kind en wat zijn finantieele positie betrof.

[114:]

Hij was een flink zakenman en wilde geen stappen doen om den misschien denkbeeldigen oom en tante op te zoeken vóór dat de zaak wettelijk was geregeld.
Philip, die het niet vermoedde, raadde echter als bij instinkt, dat hij zoo niet verder kwam en dus evenals toen in Banveld, zelf moest handelen.
De schrik sloeg hem om 't hart, toen de heer Dorpers eens zeide, dat er nu elken dag bericht uit Holland kon komen en misschien wel het bevel van den voogd, dat hij teruggezonden moest worden.
Philip verbleekte, maar zeide niets. Nu of nooit! dacht hij en ging na het eten met Ali den klappertuin in. Daar legden zij zich op den grond neer.
- Zeg eens Ali! zei Philip, die de Javaansche kleederen, door hem gekocht had aangetrokken, lijk ik nu werkelijk op een Javaanschen jongen?
- Neen, Sinjo is nog veel te blank, maar waarom wil Sinjo zoo graag sinjo djawah (Javaansche jongen) zijn?
- Nu dan Ali, dat zal ik je vertellen. Ik wil weg

[115:]

van hier. Toewan en Njonja zijn wel heel lief voor mij, maar ik wil naar mijn moeders zuster toe, en als ik hier blijf, vind ik haar nooit. Toewan zal mij misschien naar Holland zenden en dat wil ik niet.
Ali zag hem met zijn groote, zwarte oogen nieuwsgierig, afwachtend aan.
- Ik wil mijn tante zoeken en wanneer ik als hollandsch kind door Java reis, dan herkent men mij dadelijk en de politie pakt mij op en zendt mij weer naar toewan Dorpers terug. Vat je dat?
Het Javaantje knikte van ja.
- En nu wil ik heengaan, van avond nog en jij moet me helpen. Misschien heb je wel iets, waarmee ik mijn gezicht en handen wat donkerder kan maken.
Er ging een licht op in Ali's hoofdje.
- Ik zal arêng (houtskool) nemen en met water vermengen en dat dan smeren op Sinjo's huid. Als Sinjo zich niet wascht, dan blijft het er wel op.
- Best! Dan ga ik van avond vroeg naar bed.
Toewan en Njonja gaan naar het kaartpartijtje bij de

[116:]

familie Willems. Dat treft dan heel goed, kom jij tegen half negen nu weer hier en dan zullen wij achter over het groote hek klimmen en weg vluchten.
Zoo gezegd, zoo gedaan. De heer en mevrouw Dorpers reden niets vermoedend heen, Philip zat zijn huiswerk te maken in de achtergalerij, maar nauwelijks hoorde hij het wegrollen van het rijtuig, of hij sloeg zijn boeken dicht en ging naar zijn kamer.
Daar had Ali een groote kom met vuil kolenwater neergezet. 't Kostte Philip wel moeite en tegenzin zich daarmede in te wrijven, maar 't was noodzakelijk. Toen het opgedroogd was, trok hij de Javaansche kleed eren aan, omwikkelde zijn hoofd met den hoofddoek, stak zijn kostbaarheden in den sarong, die om het middel werd vastgeplooid en liep toen den donkeren tuin in, die op een eenzamen weg uit kwam.
Hier wachtte hem Ali.
- Sinjo! Mag ik niet mee? vroeg de knaap.
- Neen Ali! dat wil ik niet. Je mag je ouders niet ongerust maken en twee jongens zullen zij

[117:]

gemakkelijker op het spoor komen dan één.
- Ach! Sinjo weet den weg niet, Sinjo zal verdwalen en door een tijger worden opgegeten.
- Dat is toch beter, dan dat wij beiden worden opgepeuzeld, lachte Philip, neen! Ali! blijf maar rustig hier en houd je vooral dom. Als ik bij tante Rose ben zal ik haar verzoeken je over te laten komen en in haar dienst te nemen.
- Mag ik Sinjo een eind wegbrengen?
- Kom! waar dient het voor Ali?
Maar dit liet zich het trouwe mannetje niet uit het hoofd praten. Vlug als een eekhoorn klom Philip over den tamelijk hoogen muur, Ali echter, die lenig en magerder was, kroop tusschen de pijlers van het hek door.
Nu stonden zij buiten en liepen hard weg. 't Was een donkere nacht, ten minste zoo donker als een nacht in de tropen kan zijn. Er was geen maan, maar de sterren schitterden in diamanten glans, de lucht was door hen als overpoeierd. Zoo gauw als

[118:]

zij loopen konden, snelden de beide jongens weg, totdat zij aan den grooten rijksweg kwamen, die naar de Preanger leidde.
- En slaapt Sinjo van nacht niet? En is Sinjo niet bang dat hij den weg verliest?
Philip wees naar boven.
- Toewan Allah, die daar boven de sterren woont, ziet mij en zal mij den weg wijzen, want ik doe wat mijn moeder mij heeft bevolen. Wees dus gerust Ali en ga nu maar spoedig heen. Anders merken zij dat je weg bent.
Vol tegenzin nam de Javaansche jongen afscheid van zijn Sinjo en keerde met looden voeten - want schoenen had hij niet aan - naar huis terug.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina