Melati van Java: Zwervertje
Amsterdam: L.J. Veen, 1922


[83:]

VII.

Nadat juffrouw Pieters hem verlaten had, sprong Philip vlug uit het bed en kleedde zich weer aan. Zijn besluit stond vast.
Nu of nooit moest hij heengaan. Alles in dit huis stond hem tegen, vooral vond hij het onduldbaar, dat akelige meisje weer onder de oogen te komen. Hij was verontwaardigd over haar gedrag maar tevens schaamde hij zich voor haar omdat zij nu iets gemerkt had van hetgeen er in hem omging en dat hij voor ieder mensch tot eIken prijs verborgen had willen houden.
- Weg van hier naar Indië, naar tante Rose! dit was het eenige, wat hij uit geheel zijn ziel wenschte. Maar hoe dit groote plan uit te voeren?

[84:]

In den laatsten tijd had hij in de kranten de gelegenheden bestudeerd om naar Indiê te komen. Hij kende precies de dagen wanneer de booten vertrokken uit Amsterdam en Rotterdam. Zoo wist hij, dat overmorgen een groote boot Amsterdam moest verlaten.
Ook het spoorwegboekje was goed door hem nagezien, hij kende alle aansluitingen om op een groote lijn te komen, die rechtstreeks naar de hoofdstad voerde. Geld had hij in de verloop en weken van zijn zakduitjes gespaard; hij telde zijn schat.
Veel was 't niet, omstreeks vijftien gulden en daarmede heelemaal naar Indië te gaan, dat was toch wat dwaas, maar toch verloor hij den moed niet.
Hij wilde zich als koksjongen of schoenpoetser verhuren op de mailboot; dan hoefde hij geen salaris te hebben, alleen maar overtocht en kost. Alles leek hem zoo gemakkelijk toe, 't voornaamste was, van hier weg te komen. Hij keek uit het raam en zag daar den grooten boom, die zijn takken zachtjes heen en weer bewoog en dacht aan dien middag

[85:]

toen hij met Frits hier stond en met hem wedde, dat hij van uit zijn raam in den boom kon klimmen.
Frits beproefde het vergeefs; hij was te angstig. Met een forschen ruk had hij toen een der takken gegrepen en slingerde zich naar buiten - Frits gaf een gil en wendde de oogen af - maar hij zat lachend en fluitend reeds op een tak en liet zich toen handig afglijden. Dat moest hij dus weer wagen.
Nu pakte hij eenige kleeren bijeen en zijn liefste herinneringen aan zijn ouders; hun portretten, een paar brieven, vaders ringen en hemdknoopjes. Zijn geld deed hij in een zakje om op de borst te dragen en met droefheid zag hij op naar het groote portret, dat kon hij natuurlijk niet medenemen. Later moest men het hem maar opzenden als hij bij tante Rose zou zijn.
Toen zette hij zich aan het schrijven, eerst aan zijn gastheer en vrouw. Even bedacht hij zich of hij hun zou vertellen hoe 't Mientjes onwaardig gedrag was, dat hem weg zond maar neen! hij mocht zich niet

[86:]

wreken, dat was niet christelijk en 't was ook niet waar. Haar daad had zijn plan doen rijpen, meer niet.
Hij bedankte hen voor hun goedheid jegens hem en vroeg vergiffenis voor zijn overhaast vertrek maar hij kon 't niet langer uithouden; zijn heimwee naar zijn tante dreef hem weg. Hij wilde haar zoeken totdat hij haar had gevonden.
Op dezelfde wijze schreef hij aan den dokter; beide brieven nam hij mee om ze op het laatste oogenblik vóór zijn vertrek te posten.
Hij sliep dien nacht niet; zoodra het licht begon te worden, wierp hij zijn pakje met kleederen en souvenirs het raam uit, greep een der takken en slingerde zich naar buiten; handig vatte hij een dikken tak en zette zijn voeten tegen den stam, nu liet hij zich afglijden en stond in den tuin.
Haastig nam hij zijn pakje op en sloop voorzichtig naar het hek achter in den tuin, dat steeds open bleef. Nu stond hij op straat; alles rondom hem

[87:]

nog donker, in de verte alleen schemerde roze dat een mooien, zonnigen dag voorspelde.
Philip's plan was naar het naaste dorp te loopen om daar in den trein te stappen; hier liep hij gevaar herkend te worden. Om 6.14 zou de trein daar stoppen.
Het was nu pas half vijf, hij had dus al den tijd om het dorpje, dat maar een goed uur verder lag te bereiken. Moedig ging hij op stap; niemand kwam hij tegen dan soms een melkwagen of een boer, die naar de markt reed. Hier en daar als hij langs een boerderij of een verlaten huis kwam, blafte een hond tegen.
Hij moest langs het huis komen, waarin hij met zijn vader had gewoond; het stond nog leeg, even bleef hij staan en keek naar de ramen, waarachter hem zulk groot leed had getroffen.
- Vader, fluisterde hij, vindt u het goed, wat ik ga doen?
Even aarzelde hij, maar toen ging hij zonder omzien voort. Er viel niets aan te veranderen. Hij had

[88:]

zijn besluit genomen en iedere stap verwijderde hem meer en meer van Banveld.
In Rijnsberg moest hij meer dan een half uur wachten, toen merkte hij dat hij nog niets sinds gisteren middag gegeten had. Daarom had hij op 't laatst zoo'n moeite gehad zich voort te slepen; hij had grooten honger. De winkels in het dorp waren echter nog niet open, gelukkig zag hij een veld met knollen, hij haalde er een paar uit en verzadigde er zich mede, met nog een paar uien, die er wat pit aan gaven.
Hij nam een kaartje 3e klas tot A, waar hij den sneltrein naar Amsterdam hoopte te pakken.
In A dronk hij aan het station een glas melk en kocht zich een broodje met kaas. Nu voelde hij zich weer sterk en opgewekt en zag de toekomst hoopvol in.
Omstreeks 11 uur kwam hij in de hoofdstad aan en toen hij op 't perron stond tusschen al die vreemde menschen beving hem voor 't eerst angst en misschien spijt over hetgeen hij in jeugdigen overmoed had ondernomen.

[89:]

Hoe zou hij hier den weg weten en hoe met zijn beetje geld naar de Oost komen? Wat zouden de menschen hem vreemd aanzien, zoo'n jongetje heel alleen in de groote stad, wie weet òf de politie niet gewaarschuwd was door meester Pieters en den dokter en hij hier zou achterhaald worden en teruggebracht naar Banveld.
Meer dan ooit groeide zijn verlangen, Holland uit te komen en naar Java te gaan, om daar bij zijn tante een nieuw te huis te vinden, maar zooals hij hier stond leek zijn plan, dat hem in Banveld zoo uitvoerbaar had toegeschenen, geheel onmogelijk.
Hij durfde niemand den weg vragen; hij vreesde dat men hem zou herkennen, aanhouden en terugbrengen naar Banveld. Doelloos volgde hij dus maar den menschenstroom; achter het station had hij vele masten en schoorsteenen van schepen van uit den trein gezien, en groote loodsen.
Daar moest hij dus zeker zijn om zich in te kunnen schepen, en hij zocht den weg er heen. Hij drentelde

[90:]

langs de kaden, vol verlangen de oogen gevestigd op die groote, mooie schepen, waarop hij zoo graag een plaatsje zou willen bemachtigen, maar hoe?
Hij kwam langs de gebouwen der maatschappij Nederland, en hij zag een prachtig schip voor anker liggen. Dit was zeker de Willem lIl, die morgen zou afvaren. Men was druk bezig te laden, hij bleef staan om er naar te kijken, niemand mocht dicht bij het schip komen, die geen toegangskaart had.
Daar viel hem iets in, vastberaden ging hij naar den beambte, die voor de poort der schutting wacht hield.
- Mijnheer, vroeg hij met zijn vriendelijk stemmetje, weet u ook of mijnheer Meyer aan boord is?
- Meneer Meyer, is dat een passagier?
- ja, 't is mijn Pa en ik moest hem iets vragen. Mag ik even door?
- Heeft je vader een kaart? vroeg de man onverschillig. 't Kind leek net gekleed en hij had een pakje bij zich; 't kon dus zijn dat hij waarheid sprak.
- Ja zeker, antwoordde Philip.

[91:]

- Nu ga maar!
In een oogwenk was Philip de loopplank over en aan boord van het schip. Zijn hart klopte. O hoe heerlijk zou 't zijn hier te mogen blijven en pas aftestappen in Batavia.
Maar hoe zou hij 't aanleggen?
Er heerschte overal groote drukte, de kolen werden ingeladen en de bagages. Javaansche bedienden liepen heen en weer door de gangen, passagiers keken hun hutten na, ieder had het te druk om op het ventje te letten, dat zoekend rondliep maar niemand om den weg durfde vragen.
Toen hij het station uit was, had Philip, die weer geducht zijn maag voelde, eenige broodjes en een koek onderweg gekocht en hiervan reeds 't een en ander opgepeuzeld. 't Speet hem dat hij niet meer had genomen, want hij begreep dat hij alleen door zich te verstoppen totdat het schip goed en wel in zee was zijn doel kon bereiken. Maar dan moest hij toch eten om zich in het leven te houden en wat hij

[92:]

gekocht had was nauwelijks voor een dag genoeg.
Hij dwaalde door het schip om het terrein te verkennen en een schuilplaats te zoeken, maar nergens voelde hij zich veilig en onbespied. Eindelijk besloot hij naar het ruim af te dalen; op een onbewaakt oogenblik liet hij zich langs een touw glijden en bevond zich in de diepte tusschen tal van koffers en kisten.
Hier zou hij zich wel kunnen verschuilen, maar wat wachtte hem als het groote luik dicht ging en hij hier opgesloten zou zijn met zijn enkele broodjes en zonder eenigen drank?
Hij rilde van het vooruitzicht maar er was niets aan te doen, zóó alleen, kon hij de reis meemaken.
Vol vertrouwen beval hij zich aan God en zocht een plaatsje op tusschen een paar hooge koffers en den scheepwand; hij hurkte neer en hoorde de matrozen alles inladen onder veel geschreeuw en gekijf.
De tijd kroop voorbij, eindelijk was het werk gedaan, de mannen gingen heen en het luik werd ge

[93:]

sloten. Nu waagde Philip het, uit zijn lastige schuilplaats te kruipen en bij het onzekere licht dat door de reten viel, zijn rijk te onderzoeken. Gelukkig vond hij nog een koffiekannetje door een der mannen achter gelaten dat nog meer dan half vol was. Gretig dronk hij het uit en at er een broodje met een stuk koek bij.
Daarna strekte hij zich op een der koffers uit; overmand door vermoeienis viel hij weldra in een diepen slaap.
Vroeg in den morgen werd hij gewekt door het leven, dat weer op de boot begon te heerschen. Ook het ruim werd geopend en 't heldere licht van den mooien zomerdag viel er in. Haastig kroop Philip weer in zijn schuilhoek.
Langzamerhand werd de drukte minder, het schip maakte zich gereed voor den grooten tocht: maar het jongske merkte er in zijn diepe verblijfplaats weinig van. 't Werd beangstigend stil rondom hem, de honger deed zich hevig voelen en de dorst misschien nog meer. Zuinig zijn met zijn kleinen voor

[94:]

raad was de boodschap en hoe groot zijn trek ook mocht zijn, hij beheerschte zich en at slechts nu en dan een hapje.
Eindelijk vertrok de boot; hij hoorde hoera! roepen en de stoomfluit hard gieren, de beweging voelde hij nauwelijks; het schip vaarde door het kanaal naar IJmuiden.
Afgesloten van de buitenwereld als hij zich voelde, bekroop Philip nu groote angst. In geen geval mocht men hem ontdekken vóór dat het schip zich in volle zee bevond. Hij wist precies dat pas den volgenden morgen de boot in Southampton aankwam en daar een nacht over bleef. Zoo lang moest hij hier verborgen blijven. Maar daarna? Hoe zou hij zijn schuilplaats kunnen verlaten? Zou het ruim nog open komen? Of anders was hij veroordeeld hier in dit donkere hol van honger, dorst en gebrek aan lucht te sterven en toen kwam over hem het bewustzijn dat hij een dwaasheid beging en zich begeven had in een onmogelijk avontuur.

[95:]

Hoe kwam hij hier ooit uit? Wie weet of men niet in weken in het ruim daalde en dan zou hij reeds lang dood zijn.
Hardop begon hij te huilen, maar niemand kon hem hooren. Hij strompelde over de kisten en koffers, klauterde naar boven, misschien alleen om zich te verstrooien, maar al hoorde hij ook duidelijk menschenstappen boven zijn hoofd, het luik bleef hardnekkig gesloten.
Wanhopend klopte hij tegen de wanden; het kon hem niet meer schelen of hij nu ontdekt werd, of hij teruggezonden werd naar Banveld. Met verlangen dacht hij aan de heerlijken, frissche lucht, aan het stevige eten van moeder Pieters, zelfs Mientje boezemde hem geen wrok meer in. Als hij er maar uit kon komen, als hij niet veroordeeld was hier te sterven, door niemand gezien, door niemand vermist.
Weer begon hij hard te schreeuwen maar zijn stemmetje verloor zich in de ruimte; als hij eens

[96:]

zoo hoog mogelijk klom en een koffer liet vallen. Zou men dat ook niet hooren?
En weer klauterde hij omhoog, zijn handen verwondden zich aan de spijkers, de pijn deed hem ineenkrimpen en gedwongen liet hij zijn vingertjes los. Hij viel achterover op den bodem van het ruim en verloor 't bewustzijn.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina