Melati van Java: Zwervertje
Amsterdam: L.J. Veen, 1922


[51:]

IV.

Het medelijden met den armen wees was algemeen in het stadje. Ieder had met het kind te doen, men keurde het gedrag van den dooden man, die zich zoo afgezonderd had van zijn medemenschen, ten sterkste af, maar tot zijn verontschuldiging deed men gelden, dat hij niet in 't volle bezit van zijn geestvermogen was geweest en na den dood van zijn vrouw - misschien nog vroeger - was gaan tobben.
De dokter, de eenige, die met vader en zoon bekend was geweest, besloot voor Philip te zorgen en nam hem dadelijk bij zich aan huis. Hij en zijn vrouw trokken zich het kind aan, nadat zij alles voor de begrafenis regelden.
Het kind wist niets van familie of vrienden, zij

[52:]

hadden altijd zeer terug getrokken geleefd. Vader en moeder gingen in Wageningen nooit uit, ontvingen geen bezoeken.
De dokter schreef naar de vroegere chefs van Dr. Stuvinga in die stad en kreeg ten antwoord, dat men weinig of niets van diens omstandigheden wist.
Hij was een zeer geleerd man, maar een middelmatig leeraar, zeer onverschillig voor zijn ambt en hoogst eigenaardig in zijn gewoonten. Mevrouw was altijd ziekelijk en werd bijna nooit gezien. Zij werden voor Oosterlingen gehouden, ofschoon alleen mevrouw Stuvinga een Indische van geboorte was. Op een onderzoekingstocht in den Archipel had haar man met haar kennis gemaakt en waren zij getrouwd.
Dit was alles wat men van hen wist te vertellen.
Op bevel der rechtbank werd er een voogd voor het kind gezocht; niemand wilde echter deze taak op rich nemen.
Er werd beslag gelegd op de papieren van den overledene en het bleek, dat hij een klein vermogen

[53:]

had nagelaten, waarvan de renten nauwelijks voldoende waren kost en leergeld voor het knaapje te betalen.
Philip kon slechts weinig inlichtingen geven, hij wist niet eens den naam en het adres van zijn tante op Java.
Toen zijn moeder nog leefde, correspondeerden de zusters zeer veel; maar hij hoorde haar nooit anders noemen dan tante Rose. Na mama's dood verwaarloosde vader ook deze familiebetrekking en Philip verweet het zich, dat hij zoo dom en onnadenkend was geweest om zijn vader er nooit naar te vragen.
Dr. Vreeburg had een te groot gezin om het kind in zijn huis te kunnen opnemen en hij deed daarom Philip in den kost bij een onderwijzer, die zelf twee kinderen had, een jongen, Frits en een meisje, Mientje, beiden iets ouder dan Philip.
Liever was Philip stil in het eenzame huis gebleven, waar hij met zijn vader had gewoond. Hij zou zich daar alleen heel goed hebben geschikt, maar de

[54:]

dokter en mevrouw Vreeburg wilden terecht er niets van weten.
Zij vonden zulk een leventje heel alleen hoogst ongeschikt voor zoo'n jong ventje, hoe verstandig en zelfstandig hij ook mocht zijn. Dus moest hij zijn intrek nemen bij meester Pieters, die in een tamelijk groot huis niet ver van de markt woonde.
Juffrouw Pieters was een goedige, zeer gezette vrouw, die van 's morgens vroeg tot del avonds laat altijd aan het boenen, vegen, schuren en schoonmaken was en haar kamers en keuken nooit schoon genoeg vond.
Haar man was geheel haar tegenbeeld, lang, mager en van aard misschien zeer slordig, maar zijn vrouw had hem geleerd net en precies te zijn. Hij moest in den gang altijd zijn schoenen uit en zijn pantoffels aantrekken vóór hij de huiskamer binnenging. Ook Frits en Mientje waren goed gedresseerd, Frits was een zoet, braaf jongetje, altijd in de puntjes, nooit wild of slordig, en dus het troetelkindje van zijn

[55:]

moeder, terwijl Mientje daarentegen een levendig, plaagziek meisje was, vol ondeugende streken, die haar moeder vaak tot wanhoop bracht door haar gescheurde jurken, bemorste boezelaars en kapotte schoenen.
Mientje vond het niets leuk, dat er nog een jongen in huis kwam en dan zoo'n janhen, die zijn vaders huishouden had gedaan, precies een meisje. Zij haalde er het neusje voor op.
- Bah foei! 't Is al genoeg zoo 'n poeslief ventje als Frits en nu nog zoo 'n wijsneus. Neen, hij had gerust kunnen wegblijven.
juffrouw Pieters zuchtte:
- 't Is ongelukkig, dat men die twee kinderen van mij niet kon omruilen. 't Zou zoo 'n goeie hulp voor mij geweest zijn als Frits een meisje was. Wat zou hij mij kunnen helpen, terwijl mijn dochter alles nog meer in de war stuurt.
Den eersten middag nadat Philip er gegeten had, nam de huisvrouw alle borden en schotels op, om

[56:]

ze naar de keuken te brengen. - Zij hield alleen een dagmeisje gedurende de morgenuren - daar vloog Philip van zijn plaats op, nam het haar uit de handen en begon dadelijk alles in de keuken om te wasschen. Met de grootste handigheid zette hij het water op, goot het in de pannen en kommen, en had in een oogenblik het werk gedaan terwijl de juffrouw verbaasd toekeek. Zij droogde af en in een oogenblik was alles weggeruimd tot groote vreugd der moeder, die nog nooit zulk een goede hulp had gehad.
- Dank je wel, Philip, zeide zij hartelijk, zóó heeft mijn dochter mij nooit geholpen en van onzen Frits verwacht ik het natuurlijk niet.
Toen Philip in de kamer terug kwam, lachte Mientje hem spottend uit.
- Philippien, handige Pien, pottenkijkster, pannenlikster, plaagde zij.
- Schei toch uit, nest! snauwde Frits, je moest je schamen, dat een jongen jou werk doet.

[57:]

- Waarom doe jij 't dan niet? vroeg zij sarrend als jij zulk werk zoo mooi vindt voor jongens?
- Ik kan 't niet.
- Ik ook niet. Moeder zou mij zien aankomen als ik haar begon te helpen.
- Omdat jij alles stuk smijt en je geen tijd gunt een bord behoorlijk af te drogen.
- Ik kan 't eenvoudig niet en ik wil 't ook niet.
- Dan wordt het tijd, dat jij 't leert.
- De wereld is omgekeerd; nu jongens meisjes werk doen, gaan meisjes als mannen studeeren en op kantoor werken.
- Daar zul je ook wat van terecht brengen. Ik vind het al zoo moeilijk die sommen op te lossen. Ik begrijp er niets van.
- Zal ik je even helpen, vroeg Philip, die zonder op Mientje's plagerijen te letten zijn lesboeken had gehaald en zich verdiepte in zijn aardrijkskundige les.
- Wil je? Heel graag! Vader laat mij altijd alleen tobben en wil mij niet helpen. Dat is ook heel

[58:]

goed als ik 't vat, maar ik snap er nu niets van.
- Ik zal probeeren het je uit te leggen.
En kort en zakelijk verklaarde hij Frits zijn sommen.
Mientje keek er verlangend naar; zij kon ook niet voort met haar fransche thema maar liever had zij zich de tong stuk gebeten dan Philip te vragen haar ook te helpen.
- Mijn zuster is zoo geleerd. Die heeft geen hulp noodig, bitste Frits, maar een half uur lang zit zij op haar pennehouder te zuigen en schrijft geen woord.
- Wat gaat jou dat aan? snipte zij terug, ik werk juist zoo plezierig.
- Omdat je niet voort komt?
- Ik doe, wat ik wil en 't gaat niemand aan.
- Zal ik 't even nazien, bood Philip goedig aan maar Mientje schudde haar hoofd.
- Wat weet zoo'n keukenpiet van een fransche vertaling?
- Stellig meer dan jij, verzekerde Frits, die een onbegrensde bewondering voor zijn vriendje had.

[59:]

- Graag of niet. Aangeboden diensten zijn nooit welkom!
En Philip, na Frits op dreef te hebben gebracht, ging zijn eigen schoolwerk maken.
Toen juffrouw Pieters weer in de kamer terug kwam en thee zette, merkte zij dadelijk dat Mientje niet in haar humeur was, terwijl de beide jongens ijverig en prettig schenen te werken.
- Scheelt er wat aan? vroeg zij.
- Och, moeder! kwam Frits, Mientje is jaloersch omdat Philip u zoo goed kan helpen met de afwasscherij in de keuken.
- Dat is niet waar, viel het kind uit, wie zegt dat?
- Anders zou je Philip niet zoo gesard hebben.
- Ik heb wel wat anders te doen dan borden te wasschen, bromde zij, met een wanhopigen blik op het nog altijd bijna geheel blanke papier vóór haar.
- Als je dat andere werk maar goed doet! sprak de moeder - maar daar mankeert ook dikwijls het noodige aan.

[60:]

- Ik kan ook nooit iets goed doen, en zij begon luid te snikken met den boezelaar tegen de oogen gedrukt.
- Kom maar hier, vleide de goedige Philip, ik merk het wel. Je kunt niet terecht met je thema. Laat mij je helpen!
En nog altijd huilend, liet ze Philip begaan, die in een oogenblik haar over de moeilijke ezelsbrug heen hielp zoodat zij verder zonder moeilijkheden voort kon gaan.
- Zie je wel, kon Frits niet laten te zeggen, dat Philip nog wel wat anders kan dan borden wasschen en schotels afdrogen?


inhoud | vorige pagina | volgende pagina