Melati van Java: Zwervertje
Amsterdam: L.J. Veen, 1922


[19:]

II.

Den volgenden morgen belde Philip bij den dokter aan, hij was op weg naar school. Van nacht had vader weinig geslapen, maar veel gehoest.
Gelukkig was Sientje vandaag gekomen en daar 't Woensdag was, kon hij den heelen middag thuis blijven, maar hoog noodig vond hij het toch geneeskundige hulp te halen.
- Mag ik Dokter even spreken? vroeg Philip aan het meisje, dat de deur open deed.
- Dokter heeft spreekuur, je moet dus wachten.
Philip haalde zijn horloge voor den dag, keek er op en bevond dat hij nog maar een kwartier tijd had vóór de school.
- Zijn er veel menschen? vroeg hij.
- Gaat nog al. Drie of vier.

[20:]

- Dan kan ik niet wachten. 't Is niet voor mij, dat ik kom maar om Dokter te verzoeken bij vader te komen.
- Waar woont je vader dan?
- Ik wou toch graag eerst Dokter spreken, ging de jongen voort met een nadenkende, zorgvolle uitdrukking op het kinderlijke gezichtje, kan ik hem niet heel even maar iets zeggen, want hij is nog nooit bij ons geweest en...
- Hij zal 't wel vinden, Dokter kent den weg, bromde het meisje. Wie kan ik zeggen, dat er geweest is?
Philip aarzelde, de tijd drong, maar 't ging niet aan, den dokter zonder eenige voorbereiding bij zijn vader in huis te zenden. 't Liefst had hij, dat deze kwam wanneer hij zelf thuis was.
Gelukkig voor hem, kwam mevrouw, die het woordengewissel hoorde uit de huiskamer en vroeg wat er aan de hand was.
- Die jonge heer moet Dokter spreken en wil niet

[21:]

naar de wachtkamer gaan, legde het meisje uit.
Mevrouw kwam naderbij en vroeg vriendelijk.
- Wat wil je van Dokter, vriendje?
De meid ging knorrig naar de keuken en pruttelde onderweg iets van:
- Zoo'n kouwe drukte van zoo'n blaag!
- Mevrouw, antwoordde Philip beleefd, zijn petje in de hand, ik wilde mijnheer vragen of hij vandaag even naar mijn vader wilde komen zien, die niet erg wel is.
- Waar woon je dan? En hoe heet je?
- Rijnbergsche weg 51. Vader heet Stuvinga. Dr. Eelco Stuvinga.
Mevrouw schreef den naam op het leitje.
- Wonen jullie in dat huisje, dat daar alleen staat en..? en...?
Evenals iedereen in het stadje had mevrouw Vreeburg gehoord van de zonderlinge bewoners van het eenzame huis. Haar jongens waren op dezelfde school als Philip en vertelden dikwijls van zijn vlug

[22:]

heid in het leeren en in lichaamssport, maar ook van zijn eenzelvigheid en stelselmatig zwijgen over alles, wat hem en zijn vader betrof.
- Leeft je moeder nog? vroeg zij zeer goed wetend dat zij alleen met hun beiden er woonden, maar zij wilde den knaap aan het praten krijgen.
- Neen mevrouw. moeder is twee jaar geleden gestorven.
- Vóór dat jullie hier kwam?
- Ja, wij woonden toen in Wageningen, waar Vader leeraar was.
- O zoo, was je vader leeraar aan de Landbouwschool.
- Ja, hij is doctor in de natuurwetenschappen.
En er was een beetje trots in zijn stem te erkennen.
- En werkt hij nu niet meer?
- Neen, na moeders dood is vader wat vreemd geworden, hij wil geen menschen meer zien en daarom zijn wij hier gaan wonen.

[23:]

- Wie doet dan de huishouding bij jullie?
- Ik, antwoordde hij op den natuurlijksten toon der wereld, alsof 't van zelf sprak.
- Jij, zonder eenige hulp?
- 'n Paar maal in de week komt Sientje de boel wat opknappen.
Hij keek weer op zijn horloge.
- 't Wordt mijn tijd voor de school. - Wil u dan zoo goed zijn mevrouw, aan mijnheer te vragen, of hij als je blieft na één uur komt, dan ben ik thuis en en of hij er niet op wil letten als vader wat raar doet. Hij is hard ziek, geloof ik.
- Dat beloof ik je! Ik zal 't zeggen, hoor!
- Hoe heet je?
- Philip Stuvinga.
- Nu, dag Philip! Van middag komt Dokter!
Hij groette, sprong op zijn fiets, die tegen het tuinhek stond en holde weg. Hij had nog geen vijf minuten tijd.
Op school had hij groote moeite zijn gedachten bij

[24:]

de lessen te houden. Vader had er van morgen zoo vreemd uitgezien, zoo blauwwit en zijn oogen keken zoo wazig en suf. Zoo goed als niets had hij willen eten. Als Sientje niet gekomen was, zou hij nooit gedurfd hebben hem alleen te laten. Dan maar in vredesnaam de school verzuimd.
De jongens met hun grappen en dollen kwamen hem zoo kinderachtig voor, vergeleken met zijn eigen groote zorg en verantwoordelijkheid. Onwillekeurig gingen zijn gedachten terug naar vroeger toen hij met zijn ouders op een lieve villa even buiten Wageningen woonde.
Wat was 't toen netjes in huis. Moeder was wel zwak en dikwijls van den vloer, maar zij had een goede dienstbode en regelde alles, zelfs uit haar ziekenkamer, zoodat vader en hij een goed leventje hadden. Vaag herinnerde hij zich nog een zusje te hebben gehad, maar dit was gestorven en na dien tijd waren zijn ouders nooit meer recht vroolijk geweest, vooral vader niet.

[25:]

Moeder deed wel òf zij 't was, maar als zij alleen zat, merkte Philip maar al te vaak dat zij stil huilde en gauw haar oogen moest afwisschen vóór dat zij weer vriendelijk lachte en met hem schertste of speelde.
Vader was meestal somber gestemd, hij kon geen oogenblik zonder moeder en de arme vrouw, hoe ziek ook, deed zich zelf geweld hem op te beuren, te helpen in zijn werk en te zorgen, dat het huishouden goed beheerd werd, zoodat geen stoffelijke zorg hem kon plagen of afleiden van zijn studies.
Maar na moeders overlijden was alles ineens veranderd. Dagen lang sloot vader zich op en wilde hem zelfs niet zien. Hij was er niet toe te krijgen zijn werk te hervatten, welke moeite zijn chefs ook deden om hem weer in gewonen doen te brengen.
Vrienden en kennisen bezat Dr. Stuvinga zoo goed als niet. Menschenschuw als hij was, verklaarde hij niemand noodig te hebben dan vrouw en kind. Het medelijden met de twee stumpers was algemeen, maar elke poging tot toenadering en hulp werd

[26:]

door den weduwnaar min of meer grof afgewezen.
De meid verklaarde in zoo'n keet niet te kunnen dienen en liep weg. Toen was Philip begonnen zelf zijn vader te bedienen, die door niemand geholpen wilde zijn dan door zijn zoontje.
Soms beweerde hij, dat men zijn vrouw had vergiftigd en wilde dan niets eten, wat niet door Philip was klaar gemaakt.
Na eenige maanden toen hij hardnekkig weigerde weer les te geven, bracht men hem er toe zijn ontslag te nemen. Hij verkocht zijn meubels op het allernoodigste na en ging met Philip uit om een nieuwe woning te zoeken. Hun tegenwoordig verblijf scheen aan alle eischen te voldoen, die hij er aan stelde en zoo vestigden zij zich in Banveld.
Dikwijls moest Philip denken aan de bijna laatste woorden, die hij van zijn moeder had gehoord toen hij 's nachts bij haar waakte.
- Philip, beloof je mij goed voor vader te zorgen, zooals ik altijd gedaan heb?


[27:]

- Ja, moesje, antwoordde hij plechtig, dat beloof ik u.
- En als 't eenigszins kan, zorg dan dat vader aan zijn werk blijft, dat zal zijn eenige troost zijn, wanneer ik er niet meer ben.
- Ja moeder, als ik kan.
- En dan moet je schrijven aan mijn tweelingzuster in Indië, je weet dat ik op Java geboren ben, aan tante Rose, die met oom Willem is getrouwd en 't liefst had ik, dat zij naar Holland kwamen en tante voor vader zorgde want zij lijkt zoo veel op mij en niemand zou 't zoo goed kunnen en anders... als vader naar Indië wilde gaan, waren jullie gered.
Maar hoeveel moeite Philip zich ook gaf zijn vader over te halen een betrekking in Indië aan te nemen, de heer Stuvinga was er niet toe te krijgen. Ook zijn werk weer opnemen verkoos hij niet en Philip kon niets anders doen dan hem aan te zetten tot eigen studie en tot vertaling van een belangrijk wetenschappelijk boek.

[28:]

- Moesje, lief moesje, zuchtte hij dan, ik doe mijn best, maar ik kan niet anders vader is zoo moeilijk van zijn stuk te brengen, U kon 't beter.
- Stuvinga, klonk 's meesters stem, vóór het bord en los som 24 op.
Philip knipte even met zijn oogen, hij was met die oogen, en met zijn gedachten ver uit de school geweest.
- Wat kijk je suf, ben je niet goed uitgeslapen, vroeg de onderwijzer half ernstig, half schertsend.
Maar Philip had even de som nagelezen, verzamelde zijn verspreide gedachten, ging de bank uit, nam het krijt op en werkte vlug en gaaf het vraagstuk uit.
- Als die jongen half slaapt, is hij nog wakkerder dan menige kameraad van hem, verklaarde de meester later aan een collega.
Philip was blijde toen hij eindelijk de klok van twaalf hoorde slaan.
Heerlijk, nu was hij vrij! Een paar jongens vroegen hem of hij met hen mee ging voetballen.

[29:]

- Neen, ik heb geen tijd!
Hij sprong weer op zijn fiets en in een oogwenk was hij uit aller oogen verdwenen.
't Huis gekomen sprong hij de trappen op naar zijn vader, die rillend ineengedoken zat bij de kachel.
- Hoe is 't vadertje? vroeg hij hartelijk.
- Ik ben zoo koud, klaagde de zieke man, ik kan niet schrijven zoo verkleumd zijn mijn handen.
- Waarom heeft u Sientje niet de kachel laten opstoken?
- Och! dat vervelende mensch om mij heen te zien dwalen.
- Maar kou lijden is ook niet alles. Ik wed dat u koorts heeft. Wacht! waar is de thermometer?
Hij zocht in een der laadjes van het bureau en vond spoedig het instrument. Na het op 0' gebracht te hebben legde hij het zijn vader aan en redderde intusschen de kamer wat op.
Toen het kwartiertje om was, nam hij den thermometer er weer uit en zag nauwkeurig de graden na.

[30:]

- Acht en dertig zeven! Gelukkig dat straks de dokter komt, want u heeft de koorts flink te pakken.
- De dokter zeg je? De dokter? Wat moet die hier doen?
- Wel u beter maken.
- Hoe verzin je het? Weet je dan niet dat de dokters je moeder hebben dood gemaakt?
- Foei vader! Dat is niet waar! Zij hebben gedaan wat zij konden om moeder te redden.
- Dat deden zij niet! Moeder was vergiftigd en dat hebben ze nooit willen gelooven en behandelden haar er niet naar.
- Och kom, vader! Geloof dat toch niet!
- Ik begrijp niet, hoe je er op komt zoo'n kerel hier in huis te halen. Waar moet dat voor dienen?
- Vader! U is 't eenige wat ik op de wereld heb - en Philips stem trilde een beetje van aandoening 't Is dus geen wonder dat ik alles doe om u lang te laten leven.
- En denk je dat te bewerken door een dokter

[31:]

te roepen? - wat ben je toch nog een kind, Philip!
- Dan zijn alle groote menschen, die dokters roepen ook kinderen, antwoordde hij gevat.
Philip ging heen om voor zijn huishoudelijke zaken te zorgen en met Sientje af te rekenen.
Een half uurtje later kwam Dr. Vreeburg. Philip geleidde hem naar boven; de heer Stuvinga ontving den arts beleefd maar zeer koel en afgemeten. Op diens vragen antwoordde hij kort en met blijkbaren tegenzin.
- Ik zou u raden naar bed te gaan en met warme kruiken onder de dekens te liggen.
- Maar ik heb geen tijd, dokter! Ik moet werken zoolang ik kan.
- Dat werken kan wel wachten. Heeft u hier niemand anders aan huis dan dit jongetje, dat alles schijnt te doen?
- Neen, dokter! Wij zijn maar met ons beiden en hebben niemand anders noodig.
- Maar dat gaat zoo niet langer. U moet naar de

[32:]

verpleging of anders een verpleegster nemen, want u is goed ziek.
- O neen! Geen van beiden wil ik. Laat u mij maar stil begaan. Van zelf word ik wel beter. 't Is een dwaze streek van Philip geweest u te roepen. 't Is voor niets noodig!
- Maar heeft u dan niemand anders om hier te helpen? Geen zuster of nichtje?
- Neen dokter! Niemand, ik was eenig kind en mijn vrouw had maar een zuster, die woont in Indië, dus wel uit de buurt.
- Maar er moet hulp komen, 't gaat zoo niet.
Nu kwam Philip naar voren.
- Dokter! Maakt u vader niet knorrig. Hij wil niemand om zich heen hebben dan mij. Zegt u mij maar precies, wat ik moet doen, dan zorg ik er voor, dat het gebeurt.
De dokter zag verwonderd het pittige ventje aan, dat zoo beslist optrad.
- Maar lieve jongen! Dat kan je toch niet. Je

[33:]

bent er veel te klein voor en je weet niet wat verplegen is. Voor je vader zal 't veel beter zijn als hij behoorlijk wordt behandeld en - dan is er ook meer kans tot beterschap.
- Dan moet het maar gebeuren, dokter!
't Kind zag hem radeloos aan en men kon zien, dat hij bitter leed.
- Wat zeg je? Een vreemd mensch hier in huis. Dat wil ik niet! bromde de zieke.
- 't Moet toch vader! 't Kan niet anders.
- Dat heb je nu van de dokters. Altijd moeten zij hun zin hebben.
- 't Is niet voor den dokter, maar 't is voor mij. U moet beter worden voor mij, zei Philip beslist.
- O als 't niet om jou was, ik zou niets liever willen dan dood gaan, mijn vrouw terugzien. Ach, dokter, 't was zoo'n lieve schat, mijn Gretha!
- Des te erger dat uw arme jongen haar moest

[34:]

missen en dan ook u - want werkelijk, door goede oppassing alleen kan u genezen.
Dien avond zond de dokter een ziekenverpleegster naar het eenzame huis.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina