Melati van Java: Zwervertje
Amsterdam: L.J. Veen, 1922


[119:]

X.

De heer en mevrouw Dorpers zaten in de voorgalerij in afwachting van het ontbijt en lazen de brieven, die juist met de mail waren aangekomen.
Er was een groote brief van Dr. Vreeburg, die uitvoerig vertelde van de beide Stuvinga's, vader en zoon, hoe hij voorloopig het voogdijschap over den knaap op zich had genomen en hoe verschrikt hij en de familie Pieters waren geweest toen Philip spoorloos was verdwenen.
De jongen had er niet meer aan gedacht de brieven die hij aan hen geschreven had te posten en zoo was dus de brief van den heer Dorpers het eerste bericht, dat hij van den kleinen vluchteling ontving.
Bovendien meldde hij hem, dat hij nu het adres van Philip's tante had ontdekt. Zij heette niet Janssen

[120:]

maar Jacobs-Maquin, haar man was administrateur op het suikerland Kali Mingoe in de Preanger, niet ver van Bandoeng.
Dr. Vreeburg had mevrouw geschreven ook met deze mail en haar het adres van haar neefje bij de familie Dorpers opgegeven.
- Dan zullen wij hem moeten missen, klaagde mevrouw, een traan uit haar oogen wisschend. 't Was toch zoo'n lief kind.
- Daar is niets aan te doen vrees ik, zuchtte mijnheer.
- 't Is wel jammer want hij begon hier juist zoo goed op zijn gemak te komen. Den laatsten tijd zeurde hij er niet meer over, om naar zijn tante te gaan.
- Wie weet, laten ze hem wel bij ons. Misschien hebben die lui veel kinderen of zijn ze niet gefortuneerd.
- Maar waar blijft de jongen? Is hij nog niet op?
- Misschien is hij in den tuin!

[121:]

- Sapada! (Iemand moet komen) riep mijnheer! Roep sinjo Philip!
- De huisjongen zocht den knaap 't eerst op zijn kamer, maar merkte dat het bed niet beslapen was. Mevrouw Dorpers schrikte even hard als in der tijd juffrouw Pieters, toen zij 't hoorde. Zij vloog haastig op, ging naar de kamer, maar zag niets dan het treurige feit. 't Eerste wat men deed, was natuurlijk Ali ondervragen. De jongen keek echter zoo onnoozel en antwoordde met zoo'n stalen gezicht:
- Tida taoe! (Ik weet het niet) dat men wel begreep hoe hij niets wist of niet van zins was te zeggen, wat hij wel wist.
Vader koetsier bemoeide zich er mee, gaf den knaap een flink pak slaag om hem tot bekentenis te brengen, maar, hoewel Ali 't op een verschrikkelijk schreeuwen en huilen zette, geen woord liet hij over zijn Sinjo los.
De heer Dorpers ging de politie waarschuwen; van alle kanten werd het signalement van den jongen

[122:]

rondgezonden, maar Philip had de voorzorg genomen zijn hollandsche kleeren in een kuil van den klappertuin te begraven, zelfs zijn kousen en schoenen waren verdwenen, zoodat men niet anders kon denken dan dat hij er mede gekleed, was heengegaan.
Tot overmaat van ongeluk kwam des middags een telegram uit Kali-Mingoe van den heer Jacobs:
- Komen straks Philip Stuvenga afhalen. Voorloopig dank!
Verslagen staarden de heer en mevrouw Dorpers elkander aan. Wat zouden zij nu aan den oom en tante van het kind zeggen? Dat hij spoorloos verdwenen was, dat zij zoo slecht op hem hadden gepast?
Mevrouw vooral was ontroostbaar. Zij hield innig van het vreemde jongske en had hem zoo gaarne steeds bij zich gehouden en nu tegenover zijn eigen tante te moeten bekennen, dat hij gevlucht was, 't zou den schijn hebben dat zij niet behoorlijk voor hem had gezorgd, dat hij 't bIj hen niet goed had gehad.

[123:]

Mijnheer bromde en schold op den jongen, om zijn overkropt gemoed lucht te geven, maar noch huilen, noch knorren en pruttelen hielp. 't Eenige zou zijn den oom terug te telegrafeeren, dat Philip weg was, maar het telegram kon hun niet meer bereiken, want reeds dien middag reden zij het erf der Dorpers op.
Mevrouw Jacobs was een lieve, vriendelijke verschijning, haar echtgenoot een flinke, doortastende man. Zij hadden drie kinderen, maar verlangden zeer naar het zoontje van haar eenige zuster, van wie zij zoo innig had gehouden, maar met wie zij door de zonderlingheid van haar zwager, in de laatste jaren van haar leven weinig meer had gehoord.
Vol verlangen keek mevrouw Jacobs uit of zij haar geliefd neefje niet ergens op het erf zag, haar man sprong uit de victoria en hielp haar uitstijgen. Mijnheer Dorpers kwam hen tegemoet, zijn gelaat zag betrokken en zorgvol toen hij den nieuw aangekomenen de hand reikte en begroette.

[124:]

- Waar is Philip? was mevrouws eerste vraag.
En toen kwam de zware bekentenis.
- Wij weten het niet mevrouw! sinds gisteren is Philip verdwenen zonder een spoor achter te laten.
- Verdwenen! en mevrouw was zeker in elkaar gezakt als haar man haar niet gesteund had. Verdwenen, maar hoe kan dat?
En toen kwam mevrouw Dorpers naderbij, luid snikkend, radeloos, om Philip's bloedverwanten te vertellen hoe goed zij voor het kind hadden gezorgd, hoe veel zij van hem hielden, hoe hij altijd gezeggelijk en verstandig was geweest en hoe hard zij het vonden hem niet aan zijn geliefde tante te kunnen toonen, naar wie hij zoo vurig verlangde.
- Maar de jongen is stellig op weg om ons te zoeken, riep de heer Jacobs uit.
- O man! zei mevrouw Dorpers. Nu begrijp ik het! je hebt hem gezegd dat als er een brief uit Holland kwam van zijn voogd, hij misschien teruggezonden zou worden.

[125:]

- Heb ik dat gezegd, ik?
- Ja, ik vond het al dadelijk heel onverstandig van je, maar Philip antwoordde er niet op en toen dacht ik, hij heeft het niet verstaan en ging het mij door het hoofd.
- Maar wij zullen hem terugvinden, mevrouw! Wees U maar gerust, verzekerde de heer Jacobs.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina