Melati van Java: Zwervertje
Amsterdam: L.J. Veen, 1922


[5:]

I.

Philip had zijn laatste boodschap gedaan en bij den kruidenier een pond rijst, havermout, vijgen en een ons thee gehaald.
Handig pakte hij de zakjes in een krant, bond ze aan de fiets, waaraan reeds eenige andere pakken hingen, groette beleefd, bracht zijn karretje naar buiten, sprong er op en verdween in de kille grauwte van den vroegen voorjaarsdag.
- Wat 'n pittig jong! zei een juffrouw, die voor de toonbank wachtte op het afwegen van haar anderhalf ons krenten. Is 't niet het zoontje van... - van - den kluizenaar aan den Rijnbergschen weg,

[6:]

lachte de kruideniers vrouw, die naast haar man stond. Wonderlijk volk!
- Die jongen bedisselt het heele huishouden - als je blief juffrouw - en de man reikte haar de krenten over.
Maar het mensch had er niet genoeg van; dat huisje aan den Rijnbergschenweg hield de bewoners van Banveld - het kleine stadje, reeds sints lang bezig.
- Och arm! 't Lijkt niets geen sterk kind.
- Hij is uit de Oost, zeggen ze, en die zien altijd wat spichtig.
- Hoe oud zou hij zijn? Me dunkt hij is zoo groot als mijn Pietje.
- Nou, 'n jaar of tien, elf - ze zijn lang voor hun leeftijd, die Oostersche kinderen. Ik weet nog, toen die meneer van Meerkotten uit de Oost kwam, had hij jongens bij zich van vijf jaar, die even lang waren als Hollandsche van tien.
- Wat je zegt, Teunissen! Maar is hij het eenig ventje van dien engen man?

[7:]

- Ik heb ten minste nooit iets anders gezien en jij Trijn...
- Ik ook niet - verzekerde zijn vrouw - op een goeien middag in den vorigen winter - Neen, 't was een winter te voren, verbeterde de man - toen het zoo vroor en de rivier dicht zat. Ik weet het nog heel goed...
- Nu voor mijn part, dan twee jaar geleden - de tijd gaat tegenwoordig zoo gauw om, je bent dood voor je het weet - Nu dan, drong de klant aan, kwam hij daar wonen...
- ja, 't huisje had lang leeg gestaan en toen reed een verhuiswagen met één paard er voor hier langs en daar achter liep de kluizenaar - zal ik maar zeggen - in een lange pelerine mantel en aan zijn hand het jong. Den volgenden morgen kwam het kind hier van allerlei koopen en dat doet hij van toen af geregeld alle weken - En wonen ze daar met z'n tweeën heel alleen?

[8:]

- Ik zou 't wel denken - ten minste Sina de werkster, die daar een paar maal in de week schoon maakt, vertelt dat zij den ouwen heer zoo goed als nooit ziet, die zit maar op een bovenkamer en 't jong prutst in de keuken om wat voor allebei klaar te maken.
- 't Is God geklaagd, zoo'n arm kind! Maar bij de hand moet hij toch zijn!
- Dat zou ik denken! En op school is hij ook een bovenste beste. Mijn Kees zegt, dat hij altijd No.1 is van de klas en No. 1 op 't voetbalveld.
- Ja, ze houden allemaal van hem.
- Ik zeg maar, 't leven is zoo heel anders voor den een, als voor den ander...
- Dat zeg je wel, juffrouw Pikker, en dat zei mijn vrouw's vader ook altijd...
Er kwam een nieuwe klant in den winkel en het gesprek werd onderbroken.
Intusschen was Philip zoo snel als hij kon eerst de straat met haar hobbelig plaveisel afgerend en kwam

[9:]

toen aan den buitenweg, die hoe langer hoe eenzamer werd.
De huizen aan weerskanten vertoonden zich altijd schaarscher, de populieren, die de straat hier en daar omzoomden ruischten in den sterken wind. Zoo ver het oog reikte, breidden zich de weiden uit, waarover lage nevels hingen, de spoordijk strekte zich lang en recht daar tusschen uit, alles maakte een treurigen, verdrietigen indruk. Maar Philip had er geen oog voor, hij was niet vroeg vandaag; in de winkels, waar hij zijn inkoopen deed, had hij lang moeten wachten en 't was dus later dan anders - hij moest den verloren tijd inhalen want hij had nog veel te doen van avond.
Na een kwartier ongeveer gefietst te hebben, was hij aan het doel van zijn tocht. Een afgelegen huisje, met slechts een raam naast de deur en laag afloopend dak, stond er te midden van een tamelijk grooten wilden tuin, een ouderwetsche put bevond zich op het erf, een hekje, 's zomers met 0.I. kers welig

[10:]

begroeid, nu kaal en verfloos scheidde het bescheiden voortuintje van den weg.
Philip sprong van zijn fiets, scharrelde in zijn zakken tot hij de huissleutel vond, ontsloot de deur en tilde de fiets naar binnen in den donkeren met zwarte vloersteenen geplaveiden gang. Weer kwam er een lucifersdoosje uit zijn zakken te voorschijn, hij maakte licht, stak een petroleumlampje aan, dat aan den muur hing en bracht toen zijn pakjes in de holle keuken.
Een petroleumstel was bijna alles, wat hier aan het doel van een keuken herinnerde; een paar pannen stonden op de aanrecht, een bezem en stoffer en een emmer in een der hoeken, maar overigens was alles even armoedig.
Philip stak het stel aan, nam een pan, waarin zich melk bevond en zette die er op, toen vulde hij den ketel met water en plaatste ze daar naast - alles ging hem even handig en vlug af.
Hij keek de vlammetjes goed na, om zich te overtuigen, dat er geen gevaar was voor walmen en liep

[11:]

toen in een paar sprongen de trap op naar boven.
Hij klopte even en op 't tamelijk zwakke ja, dat hij als antwoord ontving, opende hij de deur en trad in het donkere vertrek.
- Ben je daar jongen? klonk het flauw uit de duisternis. 't Is laat geworden, dunkt mij. Ik maakte mij reeds ongerust.
- Ik ben wat opgehouden in de winkels. O foei, wat is 't hier koud!
- Ja, ik schijn ingedut te zijn en in dien tusschentijd is de kachel uitgegaan.
Philip streek weer een lucifer aan en bracht de groote bureaulamp aan 't branden. Nu was er ten minste iets te zien. De kamer lag vlak onder het dak en had dus schuin toeloopende muren, maar zij was groot en niet ongezellig.
Alle meubels, waarover de bewoners te beschikken hadden, waren hier verzameld. Twee ledikanten voor vader en zoon bestemd stonden achter een scherm; verder zag men een groot bureau ministre, beladen

[12:]

met boeken en papieren, twee clubsessels, een vier kante tafel en nog een paar oud-hollandsche stoelen.
Aan de muren hingen schilderijen, indische landschappen voorstellende en boven het bureau een mooie photographie van een jonge, knappe vrouw.
Philip ging naar de kachel.
- Zoo koud als ijs, lachte hij, zocht in een turfbak wat krullen en papier bijeen, pookte en peuterde tusschen de asch en doode kolen, stak er zijn lucifer in en weldra liet zich een vroolijk branden en trekken hooren.
- Is u erg koud geworden, vadertje? vroeg het kind bezorgd. Waarom heeft u Sientje niet geroepen?
- Sientje is reeds heel vroeg vertrokken. Ik heb gebeld en nog eens gebeld maar zij kwam niet.
- Schandalig! Zij moet een flink standje hebben.
't Licht viel nu op den vader van Philip, een heer van middelbaren leeftijd met een ziekelijk, zwak voorkomen. Men kon zien, dat hij iemand van goeden huize was, hoewel zijn gezicht er wat onverzorgd uitzag.

[13:]

Zijn wangen en kin waren met stoppelharen bedekt, zijn grijsblonde haren hingen ordeloos langs zijn uitgeteerd, bleek gezicht, maar zijn trekken waren fijn besneden, zijn handen mooi gevormd en zijn gestalte, die in een bonte huisjas, bijna geheel schuil ging, was zeker slank en edel van houding. Philip leek weinig op hem, hij was donker van haar en oogen, levendig van uitzicht, vlug en lenig in zijn bewegingen.
- Zie zoo, hij doet het, zoo verklaarde hij, een blik van voldoening op de kachel werpend, nu ga ik naar beneden en zal gauw 't eten klaar maken.
- Ik heb niets geen trek, zuchtte de vader.
- Foei vadertje, dat mag u niet zeggen. Ik heb een blikje bouillon gekocht, dat is zoo makkelijk, zoodra 't water kookt, kan ik een heerlijke kop voor u klaar maken.
- En wat eet jij dan?
- O ik heb melk opstaan en daar doe ik havermout door. Dat geeft een lekker papje en er is nog wat spek over met bruine boonen van gisteren. Fijn hoor!

[14:]

- Als je maar genoeg krijgt. Voor mij komt het er niet op aan - maar voor jou...
- Foei pappie, hoe durft u dat zeggen? Als ma het hoorde, kijk haar eens zien! - En hij staarde naar het groote portret.
- Is het niet of zij zegt: Foei Frans! hoe kun je mij zoo'n verdriet doen door niet naar Philip te luisteren?
De vader glimlachte even maar dadelijk nam zijn gezicht weer een troostelooze uitdrukking aan.
- Ach! zij had nooit moeten weggaan van ons, Philip! wat zijn wij stumpers en nietsnutters zonder haar, zuchtte hij en dook nog dieper in zijn leunstoel weg.
- 't Was haar verkiezing ook niet. Zij was veel liever bij ons gebleven, troostte Philip, maar onze lieve Heer vond haar te goed voor deze wereld en riep haar bij zich in den mooien hemel.
- Waren wij maar meegegaan! Wij hebben hier toch niets dan ellende.

[15:]

- Kom paatje! U is zoo somber geworden door de donkerheid en de kou. Wij gaan nu heel gezelligjes eten en dan doen wij een partijtje schaak.
- En je huiswerk dan?
- O dat komt terecht! Maar heeft u van middag nog wat kunnen werken?
- Neen! 't Ging niet, 't valt mij hoe langer, hoe moeilijker de pen vast te houden.
Philip ging naar de schrijftafel, nam een schrift op, dat een vertaling leek uit een dik boek, daarnaast liggend en verlucht was met afbeeldingen van vlinders en insekten.
Hij keek het na en zeide toen goedkeurend:
- Drie bladzijden, dat kan nog wel op zoo'n donkeren achtermiddag.
- Ik kom er nooit mee klaar.
- Als 't zomer wordt, zal u eens zien, hoe u opschiet. Maar ik ga weg, mijn melk kookt over en ik moet mijn boonen nog warm maken.

[16:]

Een kwartier later kwam hij weer boven dekte de vierkante tafel en bracht zijn vader de bouillon en havermout pap met eenige dikke sneden roggebrood.
- Ik heb ook ham meegebracht en rookworst. Die kook ik morgen middag met boerenkool of snijboonen. Heeft u geen trek?
Maar de vader schudde onwillig het hoofd.
- Neen, Flip! Dat weet je wel, dat kan ik niet eten. Melkkost gaat er nog zoo'n beetje in, maar vleesch, foei neen!
- En wat moet ik dan doen met mijn prachtige worst en ham?
- Die eet jij wel op. Je moet er van groeien en anders geef je het maar aan Sientje, die zal 't wel kunnen gebruiken voor haar arme wurmen van kinderen.
- Ik heb 't voor u gekocht, niet voor haar.
- Je weet toch, dat ik 't nooit gebruik.
Philip zuchtte diep en de droevige uitdrukking op

[17:]

zijn kindergezichtje zou iemand hebben doen lachen als het niet zoo treurig ware geweest.
Zelf at hij alleen in de keuken; na 't eten haalde hij weer de borden en schotels van boven weg.
Vader had maar een paar lepels van die kostelijke pap gegeten en niets van den bouillon, merkte hij op tot zijn bittere teleurstelling. Snel waschte hij al het gerei, droogde het zeer zorgvuldig en keerde toen voor goed naar zijn vader terug.
Hij zette het schaakbord klaar.
- Och jongen! Waarom doe je dat nu? vroeg de oude heer lusteloos - voor mij hoeft het niet.
- Maar voor mij wel! verklaarde het kind met gemaakte opgewektheid, u weet, dat ik den geheelen dag naar dit uurtje spelen verlang.
Vader en zoon begonnen het spel, maar tot zijn grooten spijt merkte Philip, dat tegen zijn gewoonte zijn vader er maar niet in kon komen. Suffig keek hij naar de figuren, vergat ze te verzetten en scheen telkens In te sluimeren.

[18:]

- 't Gaat niet langer zoo met vader, dacht het jongske, als hij niet opleeft bij zijn schaakbord dan is 't niet in orde. Morgen moet ik naar den dokter en hem verzoeken eens naar hem te kijken. Pas op, dat hij 't niet merkt.


inhoud | volgende pagina