Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[111:]

IX.

Nu was er een kleine maand om en Leonore keek uit het raam naar buiten; het zag er daar zoo kaal en koud en dor uit als een polderlandschap op den winterdag er uit kan zien.
Grijsgroene weiden onafzienbaar verre, de kale takken van een laan, een zwarte streep vormend tegen een stuk grauwe lucht; hier en daar een donkerder massa, die een boerderij verraadt, en in de buurt hoopen steenen en zand, een soort van zandtrein, bestaande uit leege bakken, over rails gesleept, die thans werkeloos neerliggen; vlak voor haar een nog weinig gevorderde parkaanleg en hef ijzeren hek, dat het erf der villa van den weg scheidde.
Het was een vervelend uitzicht en hier binnen vond Leonore het eigenlijk nog vervelender; zij kwam maar niet verder met dat Satanskindt zooals zij Daisy niet anders in haar gedachten noemde. Wat zij vandaag

[112:]

meende te zijn vooruitgegaan, holde zij morgen achteruit; iederen dag verzon zij nieuwe ondeugende streken. Als Leonore meende dat zij terrein won, kwam een booze bui, die al het aangewonnene plotseling in rook deed opgaan.
Een paar dagen lang was Daisy vrij bedaard; zij kleedde zich volgens Leonore's wenschen, ging met haar netjes wandelen door het park of rijden; zij wilde zich zelfs verwaardigen les te nemen in het lezen en schrijven en luisterde bijna een half uur lang met eenige aandacht toe.
Maar dan barstte zij weer uit; het boek werd zonder eenige aanleiding in stukken gescheurd en de kamer doorgegooid, de kleeren wierp zij uit en trok haar oude jongensblouse aan; het haar, dat Leonore een paar weken lang vrij had laten groeien, knipte zij zelf weer kort met het gevolg, dat haar hoofd er uitzag als een slecht geschoren grasperk; zij holde door het huis, wierp alles omver wat zij tegenkwam, onverschillig of het een kostbaar stuk was of niet, sloot zich dan weer op in haar kamer, in één woord gedroeg zich als een dolle.
"Maar is dat kind wel wijs?" vroeg Leonore aan juffrouw Van Duin.
De huishoudster glimlachte veelbeteekenend; zij was een hoogst fatsoenlijke en plicht betrachtende vrouw, en zou het een groote fout hebben gevonden iets te zeggen tegen haar meesters. "Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt" was een spreuk, die zij zich gedurende lange in dienstbaarheid doorgebrachte jaren steeds voor oogen had gehouden, en eigenlijk vertrouwde zij die mooie freule ook niet recht; in stilte dacht zij:

[113:]

"'t Is een aartje naar haar vaartje. Geen wonder dat het kind zich zoo aanstelt, als die oude man zich ook niet beheerschen kan in tegenwoordigheid van vreemden."
Eens dat Daisy een goede bui had, liet Leonore haar met juffrouw Van Duin naar Artis gaan en maakte van die gelegenheid gebruik haar kamer te bezoeken. Zij had de huishoudster gezegd dat zij zich hiertoe verplicht achtte en liet toen een smid halen, die met een dievensleutel de deur openmaakte.
De kamer was oorspronkelijk keurig ingericht met fijn rose behangsel en rose satijnen gordijnen vol witte rozen; nu echter zag alles er verhavend en slordig uit. Het mooie kleed op den grond was grijs van het stof, op het ledikant lag niets dan een matras, volstrekt geen beddegoed, zelfs geen kussens. Daisy scheen er zich eenvoudig maar plat op neer te werpen. De toiletspiegel was gebarsten, het groote glas van de spiegelkast half in gruizels geslagen.
Leonore was niet gevoelig van aard, maar toen zij al dat rijke, prachtige goed zoo vernield zag, kreeg zij de tranen in de oogen; wat zou zij er zorg voor dragen als het 't hare was geweest, en haar ziel vervulde zich met bitterheid over de onrechtvaardigheid van het wreede lot.
In de kasten heerschte wanhopende schaarschte van linnengoed en kleederen; verder niets opmerkenswaardigs, niets karakteristieks in de geheele kamer dan die groote slordigheid en nonchalance. Leonore wilde reeds heengaan, toen zij in een hoek een gordijntje zag, ruw aan een touw gehangen en van zulk een grove stof,

[114:]

dat het met de geheele inrichting der kamer vloekte.
Nieuwsgierig trok zij het weg en zag daar een heele verzameling poppen op kleine stoeltjes rondom een kleine tafel zittend en allen vrij netjes gekleed. Het naai- en knipwerk der japonnen droeg nog de sporen van groote onervarenheid in het hanteeren van naald en schaar, maar toch kon men zekeren smaak in snit en garneering niet miskennen.
Losgescheurde bladen uit modejournalen lagen over den grond verspreid, met allerlei stukken stof en half voltooide kleederen; tot haar verbazing herkende Leonore onder de poppenkostumes vonkelnieuwe japonnen van Daisy, welke zij niet meer had teruggezien en waarover het meisje hardnekkig weigerde eenige uitlegging te geven.
Na eenig zoeken vond zij die jammerlijk verknipte kleederen onder het ledikant als vodden opeengestapeld; dit was dus de reden van Daisy's geheimzinnigheid.
Daarmede bracht zij de uren door, gedurende welke zij zich opsloot in haar kamertje; Leonore bezag de poppen en merkte dat elk op haar schort een papiertje gespeld hield; een der poppen was als heer gekleed en zijn jas en broek waren gemaakt uit den duren beige regenmantel van Hirsch, door Leonore nog geen week geleden voor haar leerling gekocht.
"Dit is mij Lieve paapa," stond met groote hanepooten op het etiketje van deze pop geschreven; Leonore merkte dat zij aangedikte wenkbrauwen bad en vlekken op het gezicht, die zeker de door de pokken geschonden huid van John Mac Dunolly moesten voorstellen.

[115:]

Een andere pop in het wit gekleed met kant opgemaakt droeg de aanwijzing:
"Mijn dierst (dearest) Moder".
Een derde had een stuk van de bebloede, blauwe jurk aan, erg slordig genaaid, het haar met rooden inkt gekleurd en de lippen tot dunne strepen gemaakt; hierop las zij :
"De naare, Akklige juf."
"Zoo zoo, erg flatteus," dacht Leonore en zag meteen dat het hoofd van de pop op alle manieren gekneusd en gedeukt was.
De andere poppen schenen tot het gevolg der drie voornaamste te behooren en droegen geen nadere aanwijzigingen.
Leonore wist genoeg, liet de kamer weer sluiten en ging op haar gewone plaats zitten; zij was ten einde raad en wist niet meer wat te beginnen.
Zoo moeilijk had zij zich haar taak niet voorgesteld.
Wat zou zij nu doen?
Den vader schrijven? Hij was zoo ver en daarbij hoorde zij nog steeds een zijner laatste recommandatiën:
"En dan vooral, freule! nooit mij een woord schrijven over de streken van dat kind. Ik ben zoo ver af, ik kan er toch niets aan doen. U moet er mee klaar zien te komen, op welke manier dat doet er niet toe."
"En als ik het nu niet kan?"
"U kan het wel, u is zoo bij de hand en zoo verstandig."
Maar met verstand en bij-de-handheid kwam men niet verder bij zulk een onmogelijk wezen als Daisy.
"De vader," dacht Leonore vol ergernis, "doet slim: hij

[116:]

heeft zijn kind totaal bedorven en kan er zelf geen huis mee houden; nu laat hij het mij over, betaalt er goed voor en maakt dat hij wegkomt. Echte struisvogelpolitiek, maar ik zit er mee."
Weer overviel haar die verschrikkelijke moedeloosheid, en zij moest zich bekennen, dat al woont men nu nog in zulk een weelderig intérieur, al heeft men geen materieele zorgen, al blinkt alles rondom nog zoo van verguldsel, dat toch voor geld niet alles te ruilen is; "die rijke Chinees" - anders noemde zij haar meester nooit in gedachten - peinsde zij wrevelig, "meent dat met al zijn geld dat kind nog op te voeden is. Ik zie er geen kans toe."
Maar wat zou zij dan doen? Het opgeven, weer terugkomen in Ankeloo, waar Otto het dadelijk zou weten dat zij jammerlijk schipbreuk had geleden; dat was toch ook niet begeerenswaardig en van hieruit iets anders zoeken, zij huiverde bij de gedachte.
Alles beviel haar overigens zoo goed; nergens zou zij zoo veel vrijheid genieten, nergens zoo ruim over andermans beurs beschikken, nergens zoo weinig te doen hebben; zij voelde dat zij dit huis, die meubels, die coupé liefhad, dat zij er nimmer van kon scheiden, omdat zij reeds een groot gedeelte van haar ziel vervulden.
En voor dat ellendige kind zou zij het veld moeten ruimen, dat wurm zegevieren over haar, al haar vér reikende plannen in rook opgaan enkel en alleen omdat het haar niet beliefde de gouvernante te gehoorzamen; was het dan niet mogelijk tenminste in vrede samen te leven?

[117:]

"Kom, wat geef ik om dat dier! Ik zal haar stil aan haar lot overlaten. Voor mijn part kan zij zich den heelen dag in haar kamer opsluiten en doen wat zij verkiest. Ik bemoei er mij niet mee."
Juist had zij getracht door dit plan zichzelf rust te verschaffen, toen Daisy met juffrouw Van Duin tehuis kwam; zij zag er goed gehumeurd uit en begon druk te vertellen in half Engelsch en half gebroken Hollandsch, over de leeuwen en de tijgers en het Nijlpaard en over het koloniale museum, waar zij de juffrouw zooveel van al die Indische dingen had uitgelegd; zij was vroolijk en natuurlijk, zooals Leonore haar nog niet tevoren gezien had. Met tact vroeg zij:
"Gaan wij nu ook eens samen naar Artis, Daisy, en leg je mij ook die zaken uit? Ik weet er zoo weinig van, al komt mijn broer ook uit Indië."
"Very well!" antwoordde het kind en vroeg telkens aan de juffrouw of zij zich nog dit en dat herinnerde en hoe mooi dat was; haar oogen schitterden bij die herinneringen aan haar vaderland; eindelijk ging zij naar boven om zich te verkleeden.
"Wat is men in zijn nopjes," zeide Leonore tot de huishoudster.
"lk heb er geen kind aan gehad," verklaarde deze.
"Zij is zoo netjes en zoo bedaard geweest als ik maar wenschen kon. Haar mondje heeft geen oogenblik stilgestaan, en waarlijk zij heeft haar volle verstand wel. 't Is zonde zoo'n goed kind op die manier te verwaarloozen."
En als vreesde zij reeds te veel gezegd te hebben, wilde juffrouw Van Duin de kamer uitgaan, toen plotse

[118:]

ling een wilde gil boven op de eerste verdieping weerklonk, en nog vóórdat zij en Leonore zich van iets rekenschap konden geven, holde het de trap af, stormde het de kamer in.
Daisy, lijkwit van drift, het schuim op de lippen, de handjes tot vuisten gebald boven haar hoofd, het heele lichaam voorovergebogen als van een jonge tijgerin op haar prooi loerend; klanken als die van een razend dier sisten over haar lippen.
"Bienatang, bangsat - beest -" stiet zij al gillend en brieschend uit, stortte zich op Leonore, wierp haar tegen den muur en beukte met samengeperste vingers op haar gezicht, haar borst, waar zij maar treffen kon.
"Wat is er - wat is er toch!" riep juffrouw Van Duin zenuwachtig en greep haar bij de armen, terwijl Leonore, van den eersten schrik bekomen, haar met een krachtigen duw van zich afstiet.
"Dat mensch - dat - dat -" stotterde zij, "zij is in mijn kamer geweest. Zij heeft mijn engelen gezien, zij heeft mij daarom weggezonden, nu weet ik het, ja, nu weet ik het wel, valsch spook, gendroewo, setan! Ik - haat jou - leelijke, nare juf!"
Zij spartelde tegen met handen en voeten, zij liet zich op den grond vallen, sloeg naar links voorover, achterover rechts, totdat de meiden en de knecht binnen kwamen en op bevel van Leonore haar opnamen en op de canapé legden; eensklaps werd zij door de overmacht der aandoening stijf en bood geen weerstand meer. Zij had haar bewustzijn verloren.

[119:]

Leonore keek in den spiegel; heur haar was losgewoeld, haar gelaat gekneusd door het stompen van het kind en haar zijden blouse hing gescheurd van haar schouders; zij haalde zwaar adem en gaf hijgend bevel den dokter te halen voor het kind.
"Hoe kan zij dat gemerkt hebben?" dacht zij, "nu heb ik alle macht over haar verloren en kan niet beter doen dan weggaan."
Juffrouw Van Duin deed alles om het kind tot het wustzijn te brengen. Leonore keek er niet naar om.
"Het zal nooit goed gaan," dacht julfrouw Van Duin tot zichzelf, haar eenige confidente, "die twee haten elkander, en alleen door liefde is dit kind te winnen en te redden. Zij wordt ziek of gek. Het gaat zoo niet langer.
"Het gaat zoo niet langer!" dit herhaalde Leonore ook zielsbedroefd toen zij des avonds haar kamer op en neer ging en liefkoozend haar oogen liet gaan over de smaakvolle, rijke omgeving, welke haar kamer tot zulk een verrukkelijk nestje maakte.
De dokter was gekomen en had het kind een kalmerend drankje gegeven, waarop zij in slaap was gevallen; de meiden hadden haar toen naar boven gedragen in haar ontwijde kamer, waarvan de deur nu ver openstond. Leonore trok zich al vroeg in haar eigen kamer terug; het lampje met zachtgelen kap brandde boven haar schrijfbureautje van ingelegd rozenhout; alles zag er hier even gezellig en smaakvol uit, en toch zou zij het niet kunnen volhouden.
Hoe vernederend, hoe vernederend! Zij had er om kunnen schreien, en werktuiglijk zette zij zich aan

[120:]

tafeltje neer, legde papier voor zich en nam de pen in de hand. Zij moest iets doen, maar wat? Den Chinees schrijven?
Neen, dat hielp niet. 't Eenige wat zij, hem schrijven kon, was dat zij bedankte voor de verdere eer zijn boschjesmannenkind te beschaven en op te voeden.
Zou een van die honderd en zooveel andere dames daar kans toe hebben gezien? 't Deed er niet toe, de bekentenis was te vernederend. Hij had zulk een groot vertrouwen in haar gesteld, zoo'n hooge opinie van haar gehad, en nu moest zij haar onmacht bekennen, zich terugtrekken, haar toekomst opgeven, want al had zij geen bepaald idee er van hoe de toekomst er uit zou zien, onwillekeurig had zij die in den laatsten tijd samengevlochten met Mac Dunolly; het viel haar hard weer te breken met haar levensdoel, bijna even hard als toen zij Otto zijn ring teruggaf.
Moest het dan? Was er nergens uitkomst; kon zij den strijd nog niet een poosje volhouden? Was er niemand wien zij om raad kon vragen?
Daar dacht zij aan Willem; het eerste oogenblik schrikte zij van het idee terug; van alle menschen op de wereld was er geen, tegenover wien zij zich minder vrij voelde dan tegenover Willem; hij doorzag haar geheel met haar kleine en groote kunstjes, haar inwendige holheid, haar grenzenloos egoïsme.
"Prada", zoo noemde hij haar en zij ergerde zich nog bij de herinnering aan den twijfel dien hij koesterde over haar opvoedkundige tatenten.
En nu zou zij juist bij hem om raad komen? O foei, neen!

[121:]

Zij wierp het plan, zoo pas opgevat, verre van zich, om een oogenblik later er zich weer aan vast te klampen als aan haar eenige reddingsplank in den nood.
Wat zou het toch ook eigenlijk, of zij hem haar moeilijken toestand bekende? Hij was immers toch maar een broer, en wat is nu een broer? Wat het zwaarste is moet het zwaarste wegen. Zij mocht toch deze prachtige positie niet zoo zonder slag of stoot opgeven; zij moest alles doen om zich te handhaven. Twee weten meer dan één. Willem zou misschien kunnen raden.
En dit eenmaal besloten hebbende, stak zij vastberaden de pen in den koker en schreef het voor haar liggende papier vol.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina