Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[86:]

VII.

Leonore kwam in Ankeloo terug terwijl het nog een weinig licht was; de schemering viel vroeg op den somberen November-avond; alles zag er even grijs; somber en nattig uit, toen zij van het station naar huis wandelde; niemand haalde haar af, zij had het niet eens noodig geoordeeld te schrijven, wanneer zij zoude aankomen, zelfs niet of zij geslaagd was.
In haar gedachten vergeleek zij deze eenzame aankomst met die in Amsterdam, toen zij in dat heerlijke coupétje reed en niet noodig had, zooals hier, haar rokken hoog op te nemen, de parapluie boven haar hoofd te houden en door de modder van den ongeplaveiden stationsweg te baggeren.
Dat was toch zoo geen leven, altijd ontberen, altijd zich behelpen, altijd zich vergelijken met anderen die het beter hebben en altijd, altijd zich voelen of men niet op zijn rechte plaats is.

[87:]

En toch, wat zij nu tegemoetging was,ook niets meer dan een voorbereiding; het was nog niet het leven, zooals zij zich voorstelde, dat zij gaarne leven wou, het leven, dat zij voor zich gekozen had. Toen zij met Otto geëngageerd was, toen voelde zij, dat zij was waar zij wezen moest, maar nu was het maar, weer iets voorloopigs, een station op den weg naar het geluk - och neen! Leonore was te practisch en te wereldwijs om aan geluk te gelooven - geluk was eenvoudig het goed en ruim te hebben, niemand naar de oogen te zien, niet onophoudelijk uit te rekenen dat een gulden honderd centen heeft, goed eten, een mooie omgeving, bedienden die alles deden, toiletten te kust en te keur, schitteren op badplaatsen, het moderne leven in zijn vollen omvang, ziedaar het eenige ideaal wat zij zich voorstelde. - Hoe kwam het dan toch dat zij terrwijl zij aan al deze begeerenswaardige dingen dacht, nog zoo'n leegte, zoo'n flauw, hongerig gevoel in haar binnenste voelde; zou dat alles nog niet voldoende zijn om iemand tevreden te maken? In de gelukkige maanden van haar engagement met Otto had zij hoop op al deze dingen, maar toen voelde zij zich zoogoed als volmaakt tevreden - en nu wist zij vooruit dat haar nog altijd i e t s zou ontbreken.
Wat was dat i e t s? Zijn liefde? Maar mijn hemel! een mensch kan toch niet alles hebben; wanneer zij nu die liefde nog bezat, wat zou zij dan nog een menigte andere dingen moeten missen, dingen, waarvan zij het gemis toch ook onophoudelijk zou voelen, hetgeen haar stellig nog veel meer zoude drukken dan nu dat vage, onbestemde verlangen naar iets, wat zij niet omschrijven kon.

[88:]

Zij zuchtte nog eens en dacht alweer:
"'t Is toch jammer, vreeselijk jammer, dat het zoo geloopen is, dat die oude Waelbeke gebleken is een zwendelaar te zijn, en dat Otto zoo wanhopend eerlijk wilde wezen. Wij hadden het anders nog best kunnen redden."
Een heer liep vlak langs haar, juist onder een lantaarnpaal; het volle licht viel op zijn gelaat en hooge gestalte, en zij schrikte even, toen hij, haar herkennend, den hoed afnam, even, haast onmerkbaar draalde en toen; terwijl hij haar reeds voorbij was, keerde hij zich haastig om en kwam naar haar toe.
"Goedenavond, Leo! Kom je van den trein?"
"Ja," antwoordde zij, "ik ben zoo juist van Amsterdam aangekomen. Hoe maakt het je Ma?"
"Zoo! Naar omstandigheden! Met Februari gaat zij in Den Haag wonen."
"Dat vertelde Willem!"
Zij zwegen even; hun parapluies raakten elkander.
"Haalt niemand je af?"
"Neen, zij weten niet eens, dat ik kom. Ga je op reis?"
"Ja, als ik tijd had, bracht ik je naar huis, maar je bent er misschien niet eens op gesteld," voegde hij er bedrukt bij.
"O, doe die moeite niet! Ik ken den weg en ieder weet wie ik ben;" en toen, vlug als gold het een uit het hoofd geleerd lesje: "vertel je Ma, dat ik geslaagd ben met een betrekking in Amsterdam."
"Wil je haar dat niet eens zelf komen zeggen? Ik kom pas morgenavond thuis."

[89:]

"Ik zal eens kijken, als ik tijd heb. Goedenavond, Otto."
"Wel thuis; Leo!"
Hij ging weg; en 't was of Leonore van binnen nog kouder, nog leeger, nog flauwer werd; hoe onverschillig klonk zijn stem! hoe vreemd deed hij; of zij elkander nooit inniger toegesproken; nooit door en door gekend, nooit gekust of omhelsd hadden!
Zij rilde, 't was alles zoo akelig rondom haar, die flauw verlichte weg, die eindelooze motregen, die als gloeiende spijkers hier en daar verstrooide lantaarns, die vervelende straten met nare, lage huizep, en dan straks dat ellendige interieur, en over veertien dagen dat barbaarsche kind en die zonderlinge vader.
Dat hij zijn vrouw vermoord zou hebben in drift, kwam haar volstreekt niet ongeloofelijk voor; hij behoefde de mishandeling van Daisy maar een weinig uit te breiden, dan kon het kind er ook gemakkelijk onder bezwijken. Wat was alles toch hol, leeg, dof, zooals zij het nu zag, ontdaan van alle glans, alle verguldsel.
Loom sleepte zij zich voort; dat had haar die Otto aangedaan, met zijn bleek gezicht en zijn bedroefde oogen, en eensklaps kreeg zij een hartstochtelijk verlangen hem te volgen naar het station en bij hem troost, warmte en liefde te zoeken.
"Laten wij het samen eens blijven, Otto," wilde zij:zeggen, "ik weet het nu, 't is alles p r a d a, Willem heeft gelijk, vergeleken bij jou oprechte, sterke liefde."
Maar zij keerde zich niet om, zij sprak deze wooren niet uit, zij stapte door langs de dubbele rij

[90:]

huizen, met de smalle lichtstreep onder de gordijnen, of donker door de gesloten blinden; zij sloeg de zijstraat in, waar zich haar gehaat tehuis bevond, en ging de altijd half open staande deur binnen.
In de gang walmde als naar gewoonte de lamp en kwam de petroleumlucht haar tegemoet; alles scheen haar nog burgerlijker en armzaliger toe dan vóór haar vertrek; zij maakte de zijdeur open, en een benauwde lucht, door slechte steenkolen veroorzaakt, steeg haar in de neusgaten, de kachel gloeide rood; als naar gewoonte was haar vader ingedut bij de tafel, waaraan Willem zat te schrijven.
"Hé,Prada!"
"Goedenavond!" zeide zij, wierp haar taschje op tafel en ontdeed zich van hoed en mantel.
De Baron deed een grofilmend geluid hooren, keek half versuft op en sloot toen weer zijn oogen.
"AIs ik geweten had, dat je aankwam, zou ik Betje naar het station hebben gestuurd," zeide WilIem.
"Dank je wel. Ik ken den weg en loop honderdmaal liever alleen dan met die stoethaspel naast mij."
"Is 't mis?"
"Wat mis?"
"Met die conditie van jou?"
"Och, wat conditie! Gebruik toch zulke meidentermen niet."
"Vertel mij maar hoe jij het genoemd wil hebben, maar liever zeg eerst gauw of je geslaagd bent."
"Geloof je van niet?"
"Je bent zoo allerliefst gehumeurd, dat ik niets an

[91:]

ders denk dan dat je een vergeefschen tocht hebt gemaakt."
Nu werd de Baron heelemaal wakker, wreef zich de oogen uit en trachtte langzaaerhand meer tot bezinning te komem; eindelijk bemerkte hij zijn dochter.
"Hé, ben jij daar, kind? Ben je al lang hier? Waarom niet gezegd dat je aankwam, dan had ik je afgehaald, dat was meteen een verzetje vor mij geweest. Foei, foei; is me dat slapen!"
"Geen wonder, als u ook stookt of wij vijftien graden vorst hebben; 't is hier niet niet te houden van benauwdheid."
"Kom, vertel nu maar eens, hoe je het gehad hebt. Denk dat wij hier een paar hongerlijders zijn, die hunkeren naar een nieuwtje als naar een bete brood! Ben je niet gelukkiger geweest dan je tweehonderdenzooveelste voorgangsters? Ik was er bang voor."
"Wie zegt dat?" vroeg Leonore snibbig.
"Gelukkig maar, Prada!" zeide de Baron met zeer veel zalving; "blijf gerust in je ouderlijk huis. Daar behoor je, en zoolang je vader en broer nog een stukje brood hebben, deelen zij het met je."
"'t Is me wat moois, dat ouderlijk huis," en Leonore lachte minachtend; "je zoudt er voor je plezier in blijven.
"'t Is aan de dochter het aantrekkelijker te maken," verklaarde Willem; "mooier levensdoel kan zij niet hebben, dat heb ik je meer gezegd!"
"Och, jelui praat naar je wijs bent. Ik ben wel degelijk klaargekomen en zóó prachtig als je maar wen

[92:]

schen kan. Salaris zoo veel als ik verkies, het huis voor mij en het kind alleen, desnoods mag jij en Pa bij me inwonen; mijnheer vertrekt naar Indië en laat alles aan mij over."
Triomfantelijk zag zij hem aan; haar wangen gloeidden nu door de opgewondenheid, alle matte lusteloosheid, alIe weifelen en tobben was uit haar geest verdwenen.
"Is die man gek?" vroeg Willem, "een meisje dat hij voor het eerst ziet, zoo'n vertrouwen te geven."
"Dat moet hij weten. Ik ben gekomen, ik heb gezien en overwonnen. Reeds over veertien dagen moet ik daar zijn."
"Maar kind, het lijkt een sprookje! En hij wil ons daar hebben, die mijnheer Mac Dunolly? Maar dat gaat niet.
"Dat heb ik ook gezegd! Dus daar spreken wij niet niet meer over!" haastte Leonore te zeggen, en toen begon zij te vertellen, zoo spraakzaam en levendig als Willem haar nooit te voren gezien had.
Zij zorgde er natuurlijk voor, alles wat zij te zeggen had, zoo zorgvuldig mogelijk te ziften; die bemoeial van een Willem en dat oude kind van een vader behoefden niet alles te weten.
Er werd veel geidealiseerd; Mac Dunoly werd een echte gentleman, Daisy een wilde bloem; van het afstootende tooneel, dat zij bijgewoond had, sprak zij geen woord, wel van de groote liefde tusschen vader en dochter, maar van de eischen, die hij haar stelde, vermeldde zij niet anders dan dat hij er op gesteld was dat zijn kind haar sprekend evenbeeld zou worden.

[93:]

"Van buiten toch altijd?" vroeg Willem.
"Deug ik dan van binnen niet?" gaf zij scherp terug.
"Och, je hebt daar eenvoudig heelemaal niets," plaagde hij, maar zeide intusschen al schertsend zijn oprechte meening; zij deed of zij niets gehoord had en ging voort met vertellen over dat prachtige huis en die meubelen, en die bedienden, en die fijne lunch.
"Dan is 't geen wonder dat het ouderlijke huis je afvalt," zuchtte Willem, "alles zoo volmaakt te vinden."
"'t Is een lot uit de loterij," verklaarde de Baron,en stond op, vast besloten gebruik te maken van deze gelegenheid om weg te komen, naar de societeit.
Ter eere van zoo'n heuglijke gebeurtenis kon er wel een grog of wat op staan; maar Willem zag zijn manoeuvre.
"Kom, vadertje! Blijf nu thuis! Onze Lady is nog maar zoo kort in ons midden. Niet waar, Prada, je trakteert vanavond toch zeker op een flesch wijn!"
"Papa moet het zelf weten; als hij zoo weinig gesteld is op hetgeen ik te vertellen heb, dan moet hij maar gaan. Ik ben nog lang niet aan 't eind."
Schoorvoetend ging de oude heer weer zitten en Leonore zette haar verhaal voort; zij vergat niets, geen vaas op den schoorsteen, geen schilderij aan den muur.
"En moet je dat alles nu dirigeeren, kind?" vroeg Willem bezorgd. "Zoo'n gecompliceerde huishouding?"
"O, dat is niets, er is een huishoudster en een paar meiden en een knecht. Daar ben ik niets bang voor!"
"Maar het kind?"
"Dat speel, ik ook wel klaar."

[94:]

En nu vertelde zij hoe vleiend mijnheer had gesproken van haar broer, den held van Pamanangan, en hoe daardoor de naam van Asseleyn reeds bij hem bekend was.
"Zie je wel! Dat zeg ik altijd!" galmde de Baron uit, "jelui jonge menschen geven veel te weinig om namen en om adel. 't Is tegenwoordig mode daar den neus voor op te trekken maar dat hoor je nu! Als Leonore niet haar vollen naam onder dien brief had gezegd, dan kon je er wel zeker van zijn dat ze nul op het rekest had gekregen, maar nu, je begrijpt wat dat zoo'n parvenu kleedt te kunnen zeggen: "Mijn dochter is toevertrouwd aan de zorg van freule Asseleyn van Arsenede." Neen, de adel heeft veel, heel veel goeds."
En na die opgewonden tirade wilde hij weer ongemerkt de kamer uitsluipen, maar hij kon het niet doen zonder langs Leonore of Willem te komem; beiden deden echter of zij niets van zijn plannen merkten.
"Ik wou wel met dien man eerst kennis maken," zeide Willem nadenkend.
Hierop nu was Leonore niet precies gesteld; zij begreep dat bij nadere kennismaking veel van haar ideale beschouwingen verloren zouden gaan. Veel liever had zij haar broer eens ontvangen wanneer hij op zee was en zij als meesteres in zijn huis heerschte, en het kind onder haar leiding wat beschaafder was geworden.
Op haar broer had Leonore reden trotsch te zijn; zijn gezicht was door en door aristocratisch en zijn gebrekkigheid stond hem; vooral door hetgeen er oorzaak van was, hoogst interessant; zij zou hem dus gaarne

[95:]

eens als logé hebben. Of haar vader daar echter zijn fatsoen zou houden; daaraan twijfelde zij sterk.
"Daarvoor is de tijd te kort, dat begrijp je," begon zij haastig; "over veertien dagen vertrekt hij reeds en ik zou één óf twee dagen; te voren komen, om mijn laatste instructiën van hem te ontvangen."
"Ik zal toch eens informatiën naar hem nemen," zeide Willem; "voor dat andere is dus geen gevaar?"
"Wat voor andere?"
"Och, je weet, waarover wij toen nog gekheid maakten."
"O, dat!" En Leonore stelde zich op een hoogte alsof zij meters ver zich daarboven verheven achtte.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina