Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[49:]

IV.

Leonore had op haar advertentie in de couranten maar twee brieven ontvangen; den eenen legde zij met een minachtenden blik neer - een huishouden met zes kinderen, ergens in Overijsel - den anderen las zij drie-, viermalen over.
"Geeft dat iets?" vroeg Willem, die tegenover haar zat.
"Wat denkt je?" en zij reikte hem den brief over.
"Veel salaris, weinig werk, daar is het toch om te doen," zeide hij spottend en las toen:

"Mejuffrouw!

"Uw advertentie heb ik gelezen.
"Ik ben weduwnaar met een dochtertje, voor wie ik een gouvernante zoek; ik zoek al twee jaar lang en u is de 133e dame, die ik uit alle landen der wereld heb laten overkomen om kennis mee te maken.

[50:]

Geen heeft mij voldaan. Wil u ook eens u vertoonen? De conditiën zijn prachtig. Honorarium zooveel als u verkiest. Vrij gebruik van rijtuig, opera, komedie, concerten, vrij commando over huis- en dienstpersoneel.
"Mag ik u Maandagmorgen tegen het déjeuner verwachten?
"Hoogachtend,
JOHN MAC DUNOLLY,
"Chef der firma Lange, Mac Dunolly & CO.
"Willemspark Amsterdam, No... -. "

"Een bekende firma en een bekende naam op Batavia!" zeide Willem, nadenkend den brief nog eens overziende.
"Origineel, vind je niet? Dat origineele bevalt mij juist. Ik ben nieuwsgierig met dien man kennis te maken."
"Je begrijpt, toch wel dat hij een gouvernante meer zoekt voor zichzelf dan voor zijn kind."
"Vind je dat daarin?"
"Nu, houd je zoo onnoozel niet! Daar is het jou toch om te doen."
"Foei, Willem!"
"Nu ja, laten we voor mekaar er geen doekjes om winden. Jou streven is om zoo spoedig mogelijk onder dak te komen, en een verguld dak nog liefst. Als je dus het geluk hebt in den smaak van dien mijnheer te vallen, dan ben je klaar."
"Je vergeet dat ik de 133e zal zijn. In elk geval 't is licht te probeeren. Ik maak een uitstapje naar Amsterdam en zal daar mijn schoolvriendin de dochter van

[51:]

overste De Block zien te spreken. Misschien weet die ook wel iets. Ach! wat is dat toch vervelend zoo uit te moeten gaan om zijn brood te verdienen."
"'t Is volstrekt niet noodig, Zus! Wij hebben genoeg om je fatsoenlijk te onderhouden. Maak het ons maar wat gezelliger hier in dit hol en meer vragen wij niet van je. Mij dunkt, dit is toch dankbaarder werkkring dan daar bij dat vreemde volk."
"Dat kan immers niet. Papa is geen man om mee te huizen, en jij kunt me niet uitstaan, sedert ik je vriend heb bedankt. Ik hoor niets dan hatelijkheden van je. Daar kan ik niet tegen."
"Nu vraag ik je! Wat voor hatelijks zeg ik jou, Prada, dat je niet ten volle verdient!"
"Om te beginnen, die leelijke naam! Ik wil niet meer zoo genoemd worden. Pa zegt het ook al, en op slot van rekening zal ik niet anders meer heeten. Betje begon vanmorgen ook al "freule Prada" te zeggen."
Willem moest er toch om lachen.
"Wat ben je kinderachtig, Prada! Ik kan het niet helpen, maar ik kan je niet anders noemen. Bij die geschiedenis met Otto heb je toch ook zoo duidelijk getoond, dat er zoo'n dun laagje verguldsel op je zit, niets meer. En dien mijnheer in Amsterdam zit je daar ook misschien mee bedriegen."
Boos nam Leonore den brief terug en ging heen om dien te beantwoorden. Zij schreef, dat zij Maandag op den bepaalden tijd daar zou wezen, en teekende met haar vollen titel:
"Jonkvrouwe Leonore Asseleyn van Arsenede."

[52:]

Otto beleefde intusschen moeielijke dagen; zijn moeder was onhandelbaar, zij had een advocaat haar belangen opgedragen en weigerde iets te ondertekenen. Otto moest met de man der wet onderhandelen; deze nam een hoogen toon aan en beschuldigde hem in de scherpste termen dat hij zijn moeder berooven wilde.
Otto begreep er niets van; wie kon zijn meegaande, domme moeder zulk een gedragslijn hebben voorgeschreven? Dat Leonore, terwijl hij afwezig was, haar soms bezocht, wist hij, maar het kwam niet in hem op, haar de schuld te geven van die wonderlijke koppigheid welke hem tegenwerkte en in zijn plannen belemmerde.
Eindelijk nam hij een kort besluit; hij zag af van zijn oorspronkelijk plan om het geld zijner moeder te gebruiken, en sloeg den crediteuren voor een maatschappij op aandeelen van de fabriek te maken. Het kostte hem veel, te bekennen, dat zijn vader eigenlijk arm gestorven was, maar anders bleef hem niets meer over.
Zijn plan, dat hij in overleg met Dumont gevormd had, was om voor zichzelf zooveel mogelijk te bezuinigen en door spaarzaam overleg te trachten beter rond te komen.
De villa wilde hij verhuren, en verzocht daarom zijn moeder het huis te verlaten en zich elders te vestigen.
Triomfeerend stemde mevrouw Waelbeke er in toe; ja! nu had zij toch haar zin gekregen, zij behield haar geld en kon nu prettig met haar kinderen in Den Haag gaan wonen. Dat was de illusie van haar leven geweest, want zij hield niets van Ankeloo; ten minste niet nu zij haar goeien, besten man verloren had.

[53:]

Otto's pogingen werden met goed succes bekroond; de maatschappij op aandeelen kwam tot stand. Hij en Dumont werden er directeuren van en een raad van beheer uit den kring der crediteuren aangesteld om er toezicht op te houden. Zoo was de naam van Waelbeke ten minste voorloopig gered, zonder dat diens vrouw maar eenigszins toe had medegewerkt.
Willem had zijn ouden vriend met raad en daad trouw bijgestaan. Hij vatte het eerste idee van de maatschappij op, toen Otto eens radeloos over dien onverklaarbaren tegenstand bij hem kwam. Hij werkte het plan uit en schreef de brieven voor Otto, en beantwoordde de bezwaren, die daartegen inkwamen.
"Nu wed ik dat je nog beter af bent dan vroeger," zeide hij, "je hebt je die Haagsche familie niet meer aan te trekken, die bestaan eenvoudig niet meer voor je. Laat mevrouw nu zelf haar kindertjes opvoeden volgens haar eigen hoogwijze manier en ook zelf haar lieve centen administreeren. Jij hebt er ten minste geen zorg meer voor."
Otto zuchte; neen, zorg had hij niet meer, maar ook niets wat hem eenigszins bond aan het leven; niets wat hem belang meer inboezemde, wat hem hoop gaf op de toekomst; maar een blik op Willem schonk hem weer moed.
Wat had hij nog veel voor op dien armen kerel. Hij met zijn ijzeren gezondheid, zijn krachtige ledematen en die andere had nog levensmoed en levenslust. Neen hij wilde en zou niet minder zijn dan zijn vriend, en zonder geestdrift, maar toch met geestkracht regelde hij zijn volgend levensplan.

[54:]

De villa werd verhuurd, de meubels en de rijtuigen verkocht, en Otto huurde een paar doodeenvoudige kamers bij den directeur Dumont, die met zijn vrouw een klein huisje aan de andere zijde der fabriek bewoonde. De vrouw kookte voor hem, en zoo kon hij dus met een minimum van geld rondkomen.
"Ik zal niet rusten en geen overbodige uitgave doen vóórdat vaders laatste schuldeischer betaald is."
"Jij verdiende in het begin van een nieuwe eeuw te leven, in plaats van aan het einde van zoo'n lamme, rotte eeuw als de onze geworden is," sprak Willem, die in hem een ideaal van ridderlijke eerlijkheid zag.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina