Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[250:]

XX.

Alles liep haar mee; nog geen week later stierf Ellen Smith; Mac Dunolly scheen de tijding met ware verlichting te ontvangen, hij volgde de begrafenis en vertelde zijn vrouw dat de overledene de Engelsche nicht was geweest van Daisy die haar in den eersten tijd had opgevoed, of liever niet opgevoed.
Zij vroeg niet verder, een bescheidenheid of liever onverschilligheid, die Mac Dunolly verrukkelijk vond.
Hij raakte hoe langer hoe meer onder den invloed van haar bekoring en vermoedde niet hoe veel het haar kostte tegenover hem altijd vriendelijkheid te huichelen, want met den dag steeg haar afkeer van hem en vervulde haar de gedachte aan den andere. Zoolang haar toestand het veroorloofde kon zij vrij stil en grillig zijn; haar man vond alles goed en verklaarbaar; hij verlangde vurig naar een zoon, en ook zij smachtte er naar, maar om andere redenen dan hij: Eerst als zij moeder was

[251:]

van zijn kind kon zij in waarheid zijn vermogen het hare noemen, dan behoefde zij zich niet langer meer geweld aan te doen om door een vertoon van liefheid hem te boeien en zich onmisbaar te maken.
Wanneer zij zijn stem of stap maar hoorde, verbleekte zij; alles werd koud in haar en zij had de grootste moeite, een glimlach om haar lippen te laten spelen, hem de hand of het gelaat toe te steken tot een begroeting; altijd zag zij Gladys voor zich, die zij zich niet anders kon voorstellen dan met de trekken van haar zuster en steeds met dien beenigen, langen vinger als dreigend naar haar uitgestoken. Dan zag zij weer die ontzettende aanvallen, van woede van vaIIer en dochter, welke hen voor moord en doodslag niet deden terugdeinzen. Zooals Daisy Willem haast had vermoord, zoo had hij zijn tweede vrouw behandeld en zoo zou hij ook haar behandelen als zij hem mishaagde.
ln de lange eenzame uren die zij doorbracht, kon zij aan niets anders denken en dan verscheen Otto weer voor haar met zijn lieve, zachte oogen, zijn sympathieke stem, Otto, die slechts smeeken en liefkoozen, nooit dreigen of schelden kon, Otto, de fijn beschaafde heer, en deze ruwe barbaar, en dan, voelde zij zich benauwd en opgesloten als een gevangene.Hoe lang moest die gevangenschap nog duren? Wat had zij gedaan? Nu eerst begreep zij, wat Willem bedoeld had, met haar Prada te noemen, nu kende zij de waarde van dat afschuwelijke klatergoud, waaraan zij het echte goud, dat zij onder haar bereik had, opofferde.
De toekomst zag zij duister dreigend voor zich; zij

[252:]

genoot niets meer van alles, wat zij eens zoo hoog stelde, onophoudelijk zag zij hem wien zij alles dankte, voor zich, en boven hem, naast hem stak altijd die dreigende vinger uit.
Wanneer alles voorbij was, dacht zij, zou het wel beter worden, dan zou zij weer heerschappij verkrijgen over zichzelf, dan werd zij weer normaal. Wat hielp het haar nu of zij vrij over geld, rijtuigen, paarden, bedienden te beschikken had, wanneer zti de macht over zichzelf niet bezat? Tot nu toe had zij altijd haar gevoelens en gedachten kunnen behandelen, of het toiletartikelen waren, lintjes en strikjes, die zij naar welgevallen afdeed en opstak, waarmede zij zich versierde of ze wegwierp wanneer zij hen moede was geworden; nu echter schenen het slangen, die zich vastzetten, in haar hoofd, in haar hart overal.
Kennissen had zij genoeg, vrienden, die had zij nooit gehad, nooit nog voelde zij er behoefte aan, zich uit te storten, zich te geven, bulten haar eigen kringetje te gaan. Nu zij een geheim te bewaren had, vreesde zij het meer dan ooit; een koortsachtig zondig verlangen bezielde haar om vrij te zijn, vrij om lief te hebben, vrij om te beschikken over haar geld, vrij om dit huis te ontvluchten, vrij vooral om den man nooit meer te zien aan wien zij zich verkocht had en dien zij nu haar hart als een monster vreesde en verachtte.
Niets was er wat haar leerde zichzelf te overwinnen; godsdienstige gevoelens bezat zij volstrekt niet, plichtbesef had men haar nooit geleerd, het eenige wat haar sterkte uitmaakte, was een overdreven liefde tot zichzelf,

[253:]

een zucht om het goed te hebben, geacht en bewonderd te worden, niets te hebben wat haar hinderde.
Eindelijk werd Leonore moeder van een zoon; het geluk van Mac Dunolly kende geen grenzen. Leonore daarentegen zag verbaasd het kleine, bruine kind aan, en voelde er niets voor, alleen een soort van inwendigen triomf omdat zij door dit kleine, onbeduidende wezen een vader nog meer onder haar macht kreeg. Met een aan aanbidding grenzende liefde overstelpte Mac Dunolly moeder en kind. Zij nam echter zijn zorgen en geschenken aan met iets onverschilligs, iets moedeloos dat zij tot zijn groot verdriet niet van zich wilde afzetten.
Haar doel was, zoodanig ziek te schijnen dat de doktoren haar voorschreven naar Holland te gaan; bij de eerste toespeling, die zij daarop maakte, verklaarde Mac Dunolly, dat hij dan zich uit zijne zaken wilde terugtrekken om haar te vergezellen. Zij waren toch rijk genoeg, hij verlangde naar rust, naar een ongestoord samenzijn met haar en zijn kinderen.
Dit was voldoende om alle plannen van Leonore weer omver te werpen; neen! als hij toch bij haar bleef, liever hier dan ginds, hier was zij ten minste den geheelen dag alleen, daar zou hij altijd om haar zijn en daar was Daisy en daar zou haar verlangen naar Otto steeds heviger worden. Neen, dan liever hier, duizendmaal liever hier.
En plotseling legde zij haar kwijnend voorkomen af. Zij wilde genieten van haar rijkdom, zij wilde schitteren, haar eigen gedachten ontvluchten, en spoedig was Batavia vervuld over de prachtige toiletten en dure

[254:]

diamanten van mevrouw Mac Dunolly, over de schitterende receptiën die zij gaf en de bals en thédansants, waarop de elite van Batavia verscheen.
Vroeger had Mac Dunolly zich altijd buiten het gezellige leven gehouden; hij leefde en garçon, men wist dat hij daarboven op Salemba een geheimzinnig huishouden bezat, maar het Indische leven is nu eenmaal vol mysteries en toen hij zijn dochtertje naar Europa had gebracht en later terugkwam met zulk een schoone, adellijke vrouw, openden zich alle kringen als vanzelf voor hem, zoodra men wist dat hij het verlangde, en waarom zou hij niet verlangen wat zijn mooie Leonore wenschte?
Als zij maar tevreden was, als zij maar glimlachte, als zij hem vriendelijk begroette, doch hoe weinig gebeurde dit na James' geboorte! Leonore vond het nu niet meer zoo noodig haar ouden man vóór te huichelen dat zij hem zoo liefhad en hoogachtte, nu zij hem een geschenk had gegeven, dat haar zooveel gekost had. Zij zette zich hoe langer hoe meer op een voetstuk en liet zich door hem vereeren, en hoe ontoegankelijker zij scheen, hoe meer zijn hartstocht vermeerderde.
Als zij samen verschenen in de opera of op receptiën, dan werden zij nooit anders genoemd dan "De Schoonheid en het Beest".
Natuurlijk maakte men de Schoonheid druk het hof en zou het nog meer hebben gedaan als men het Beest niet zoo had gevreesd, van wien het praatje ging dat hij gevaarlijk razen kon.
Trouwens Leonore zorgde er wel voor, haar man

[255:]

vermoedde niet het bestaan van dezen eenigen, ernstigen mededinger.
Jalouzie of liever spijt dat hij niet zoo jong en knap was om beter naast zijn vrouw te passen verteerde hem; hij kon haar niets verwijten. Haar houding was onberispelijk maar wanneer zij in gezelschappen verscheen was alles in en aan haar leven en beweging; nauwelijks bevond zij zich met hem alleen of het mooie masker viel van haar gelaat en zij werd weer onverschillig, koud, lusteloos!
"Zeg me toch of er iets is, waarmede ik je gelukkig kan maken, Leo!" verzocht hij haar, "wat wil je, een groot bal, een nieuwe rivière of een reis door den Archipel? Zeg 't me gerust, ik ben gelukkig rijk genoeg om het je te kunnen geven!"
Leonore geeuwde en schudde het hoofd:
"Je hoeft mij niets te geven John; wat ik hebben wil, koop ik mij maar ik kan 't niet helpen, dat ik zoo en niet anders ben. Ik denk dat het de warmte is die mij enerveert."
Eindedijk begon het hem langzamerhand duidelijk te worden:
"Leonore verveelt zich met mij, zij maakt gebruik van mijn rijkdommen, zij geniet de weelde die ik haar geven kan, maar mij verafschuwt zij."
Het kwam langzaam, zeer langzaam in hem op, en toen eindelijk die gedachte in hem post gevat had, ver

[256:]

liet zij hem niet; eerst trachtte hij ze te bestrijden, zij was zoo verstandig, zoo degelijk en zoo trots, zij had een kind als Daisy getemd, hoe zou zij dan om geld hebben willen trouwen?
Leonore voelde dat hij op weg was haar te doorzien, dat hij evenals Willem en Daisy het klatergoud van haar karakter begon te schatten en zij begreep dat het noodig werd opnieuw te huichelen. Zij had haar kind, maar het kind was zwak, ziekelijk; als James haar ontviel en Mac Dunolly ophield haar te vergoden dan kon het nog wezen dat zij alle vruchten verloor van haar moeitevollen arbeid. In hoeverre Daisy's zaken geregeld waren wist zij niet en zij stelde het uit, de zaak aan te roeren, want op het punt van geldzaken was haar man uiterst prikkelbaar en het behoorde tot haar gedragslijn zich in een soort van onverschilligheid daaromtrent te drapeeren.
Eens echter verteerde haar de nieuwsgierigheid zoodanig dat zij een vraag doen moest, onverschillig wat daarvan de gevolgen zouden zijn.
"Heeft Daisy geld van haar moederskant?" vroeg zij.
"Geen cent," antwoordde hij barsch.
"Dan verkeeren broer en zuster in hetzelfde geval," zeide zij bedroefd glimlachend, "mijn arme James is van moederskant ook straatarm..."
Mac Dunolly zag haar verwonderd aan; hij wantrouwde haar reeds een weinig, en het bewustzijn dat zij verreweg de slimste van hun tweeën was raadde hem tot omzichtigheid.
"Ben je bang dat mijn kind rijker zal zijn dan het jouwe?" vroeg hij barsch.

[257:]

"John!" haar oogen boorden zich in hem zoo scherp als messen, "is James minder uw kind dan Daisy? Ik sta er op dat zij door je huwelijk met mij geen schade lijdt, maar mijn James heeft evenveel recht op je liefde als zij."
Haar toon en gelaatsuitdrukking maakten indruk op Mac Dunolly; hij wilde iets zeggen maar zweeg bijtijds.
Leonore wist dat hij geen toespelingen kon verdragen op zijn dood en daar zij er op gesteld was hem in een goed humeur te houden, bedacht zij zich eenige oogenblikken; toen zeide zij bedaard:
"Denk je er wel aan, Dunolly, dat als ik kinderloos sterf zonder testament, mijn broers het recht hebben je de helft van je fortuin op te eischen."
"Hoe kom je daaraan," vroeg hij, hoe langer hoe meer verbaasd,"je bent niet kinderloos en er is geen gevaar dat ik jou overleef."
"De cholera heerscht hier vrij hevig. Ieder oogenblik hoort men van plotselinge sterfgevallen. Ik heb met huwelijksvoorwaarden willen trouwen. Je wilde er niet van hooren; toen ik James verwachtte wist ik niet dat de wet zoo iets voorschreef. Nu heb ik van zoo'n geval gehoord en ik wil niet dat de jongens je last zullen veroorzaken. Willem zal het wel niet doen maar de anderen zijn altijd court d'argent."
Het was een groote troef, die zij uitspeelde, maar niet te vergeefs. Mac Dunolly voelde zijn oude bewondering voor haar doorzicht en verstand weer opleven.
"En dan Daisy," ging zij voort, "lijdt reeds genoeg door je huwelijk en daar je haar vooral als jou kind

[258:]

beschouwt, meer dan James, wil ik dat je zooveel mogelijk haar bevoordeelt."
"Haar bevoordelen!" en toen viel het hem plotseling van de lippen, dat zoo lang bewaarde geheim, "als ik vandaag stierf dan bezat James alles en zij niets."
"Kom, dat meen je niet!"
"Neen, 't is de waarheid, een schandelijke waarheid, Daisy's moeder en ik waren alleen voor de Engelsche wet getrouwd."
"Maar je hebt toch maatregelen genomen om haar te - te adopteeren of te legitimeeren?"
"Neen," antwoordde hij kortaf, "ik heb een testament gemaakt, waarbij ik haar alles gaf, waartoe ik recht had - maar dat was vóór mijn trouwen."
"Ik weet alles," zeide zij tergend kalm, "ook, dat ik eigenlijk je derde vrouw ben."
Toen zij het gezegd had, schrikte zij onwillekeurig terug. Zóó had zij hem nog niet gezien, zelfs niet op dien morgen toen hij zich als een wildeman op zijn dochter had geworpen. Het bloed stroomde hem naar het gelaat, het scheen te willen springen uit elk zijner litteekenen. Zijn oogen flikkerend van vuurroode vlammen, zijn haar letterlijk overeind rijzend, de vuisten gebald, het schuim op de gloeiende, brandende lippen, stortte hij zich op haar. Zij ging schuw achteruit, krijtwit als de muur, waartegen zij zich aandrukte, maar haar oogen verlieten hem niet, koud en strak als versteend, bleven zij op hem gevestigd. Zij voelde haar polsen in zijn vingers geklemd als in een ijzeren schroef,

[259:]

zijn heete adem brandde haar in het gelaat, haar keel weigerde geluid te geven.
"Hoe weet je dat?" siste hij.
De betoovering scheen opeens verbroken; al haar vrees verdween. Zij voelde haar macht over hem terugkeeren.
"O ieder weet het! Ik heb het pas gehoord, na ons huwelijk, een bigamist had ik nooit getrouwd, en maak mij nu maar dood zooals je Gladys hebt vermoord!"
Hij greep haar vast en slingerde haar van den muur vóór zich op de knieën; zij lag daar machteloos terwijl hij haar heen en weer schudde.
"Om mijn geld deed je alles!" hikte hij en toen lieten zijn vingers haar los, loodzwaar viel hij op haar neer. Een akelig gerochel steeg uit zijn keel.
"Help, help!" gilde Leonore, "mijnheer krijgt een toeval!"
Dien avond lag Mac Dunolly in zijn bed roerloos, aan de rechterzijde verlamd, zijn groote oogen puilend uit zijn hoofd, zijn lippen dik gezwollen, zijn tong machteloos; zijn verstand was echter nog ongeschokt, de herinnering aan het gebeurde liet hem geen rust maar zijn lichaam weigerde zijn gedachten naar buiten te vertolken.
Nu en dan alleen kwam een smeekende uitdrukking in zijn oogen; hij volgde daarmede zijn vrouw die vlug en bedrijvig door de kamer ging, soms zich over hem boog en hem druppels ingaf, dan kronkelde hij zich in machtelooze drift. Zij zou nog langen tijd zoo jong, zoo mooi blijven maar niet voor hem, anderen zouden er van genieten, anderen haar bewonderen, haar lief

[260:]

hebben, door haar bemind worden, en toen kwamen de beelden uit het verleden. Zijn arme, misvormde Gladys, zoo innig aan hem gehecht, door hem verstooten, mishandeld, zijn Daisy, de schande van zijn dubbel huwelijk, hem vervolgend en vastketenend, verjaagd; morgen misschien verarmd en verweesd. O, wat verlangde hij naar Daisy, als zij hier was, hoe zou zij zich over hem heen werpen, hij hoorde haar schreien en snikken:
"Dearest, dearest Father!"
Een akelig gekerm ontsnapte zijn borst; hij wilde haar naam roepen, hij kon niet, hij wilde zijn vinger opheffen om te wenken, de hand lag koud en zwaar op het bed.
Leonore kwam nader en vroeg bijna hartelijk:
"Wil je iets, man?"
Hij kon geen klanken vinden, alleen zijn oogen rolden en zijn tong bewoog zich los in den mond; alle pogingen bleken vruchteloos, de hersens waren nog in volle kracht maar de zenuwen brachten hun bevelen niet meer aan de andere ledematen over.
"Te laat, te laat!" jammerde een stem in zijn binnenste, "te laat!"
En alsof Leonore die gedachte had geraden speelde een triomfeerende glimlach eensklaps over haar koud gelaat, haar oogen schitterden, haar wangen bloosden en toen viel de laatste sluier weg voor zijn oogen, hij zag nu de vrouw, die hem betooverd en omstrikt had in haar ware gedaante en van alle verguldsel ontdaan; hij had geen goud gevonden, enkel - Prada.
En hij trachtte zich nog op te heffen, hij rekte zich

[261:]

uit, hij wiegde zijn hoofd op de kussens heen en weer; zij zag het aan en zij wist dat een woord van haar hem rust kon schenken maar zij sprak het niet uit. Zij had haar plicht gedaan, zij had hem herinnerd aan zijn voordochter, kon zij 't helpen dat de dood hem verraste vóór dat hij haar toekomst verzekerd had? En haar hart jubelde bij de gedachte aan haar aanstaande bevrijding.
Zij stond daar in haar rose peignoir, de lange haren los over de schouders, jong, frisch, schoon, het levende tegenbeeld van den man daar, die niets menschelijks meer had en wiens oogen het eeIiige zintuig waren, dat hem nog geen dienst weigerde.
Zij triomfeerde, nu kon hij haar niet meer slaan, niet meer dooden zooals hij zeker had gedaan als de beroerte hem niet verlamd had, nu kon zijn geld haar niet meer ontsnappen, nu zou hij haar nooit meer streelen met die liefkoozingen, welke zij zwaarder te dragen vond dan zijn slagen en dan zou zij nog verdriet huichelen, nog door schoone beloften hem bedriegen. Neen, zoo laag was zij niet!
"De... de..." hoorde zij hem duidelijk roepen. Zij keerde zich om en ging aan een tafeltje rustig zitten lezen, het hoofd op haar hand gesteund.
"De... de...!" riep hij, en met een geweldige poging om zich op te richten, gelukte het hem zich half overeind te zetten, op een arm geleund; zijn akelig rollende oogen zochten haar, zijn borst hijgde en rochelde, het koud zweet druppelde van zijn voorhoofd.
Zij snelde toe en drukte hem op de kussens.

[262:]

"Blijf toch liggen," zeide zij ruw, "je kunt nu geen vrouw meer mishandelen."
Een akelige kreet vol angst wrong zich uit zijn reeds beklemde keel; zij sidderde en liet hem los; nu zagen zijn oogen haar vrijwel smeekend aan; het was een pijnlijk gezicht, die worsteling tusschen den onrustigen geest en het met onmacht getroffen lichaam. De dokter had gezegd, kalmte en rust alleen kunnen hem redden; een duivelsche gedachte greep haar in de ziel, als hij dus geen rust had dan - dan -
Met één woord kon zij hem rust schenken, zooals zij de Engelsche vrouw rust had gegeven, zich nog de vrijheid voorbehoudend haar woord niet te houden, maar zij sprak het niet uit; zij gunde hem slechts één rust, de rust van het graf.
Als verstond en begreep zij hem niet, zette zij zich weer aan het tafeltje neder, zonder meer naar hem om te zien; hij wentelde zich links en rechts, het gekerm steeg soms tot gebrul, zij bleef onverschillig en hief de oogen niet op.
Daar scheen de laatste band te breken die lichaam en geest verbond, hijgend lag hij achterover, zijn oogen braken, bloedig schuim ontsnapte zijn lippen, zijn arm, die hij met de grootste inspanning had geheven, bleef in die houding; toen stond Prada op en zij legde den arm, die haar scheen te bedreigen, neer en veegde hem de lippen af; een dof gegorgel sloeg op uit zijn keel, alles werd duisternis om hem heen.
Zag hij de twee vrouwen, die hem zoo innig hadden liefgehad vóór zich, Gladys en Daisy? Fluisterden zij

[262:]

hem woorden van verzoening en vrede toe? Zag hij niet meer de vrouw, die zijn kwelduivel was geworden en die hem zooveel te danken had? Verhief zijn geest, hu zijn lippen stom waren, zich nog tot God in een laatste bedel om vergeving en genade?
Het was het geheim des doods! De trekken ontspanden zich, de oogen vielen toe, het hijgen werd bedaarder. Leonore schrikte, zou dat een voorbode zijn van genezing; hij sloeg den blik op, het was of hij ging spreken, of de woorden, die hij vergeten had, hem nu toch over de tong zouden komen, er lag weer verstand in zijn oogen en hij kon de uitdrukking van schrik zien op het gelaat zijner vrouw, schrik dat hij genezen, niet sterven zou.
Het was het laatste beeld van de aarde dat hij opnam vóórdat de dood zich werkelijk over hem ontfermde.
Nog dienzelfden nacht werd Leonore weduwe!


inhoud | vorige pagina | volgende pagina