Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[235:]

XVIII.

In de voorgalerij van haar prachtig huis op het Koningsplein te Batavia zat mevrouw Mac Dunolly omringd van alle weelde, die zij eens zoo vurig begeerd had en waarmede zij nu zoo geheel vereenzelvigd was, dat zij die niet eens meer scheen te genieten.
Zij leunde achterover in haar wipstoeltje en wuifde zich zachtjes met haar grooten japanschen waaier toe. De oogen hield zij half gesloten en langzaam wiegelde zij op en heer; haar luchtig zeegroen gazen costuum deed haar eigenaardige schoonheid, die door de reis en het verblijf in de warme streken nog meer verfijnd scheen, alle eer aan; het vertoonde haar mooien arm en hals in een wazigheid, vol idealen gloed. Ja, zij had haar doel bereikt, zij was rijk, schatrijk zelfs, haar man lag letterlijk aan haar voeten. Grillen bezat zij niet, maar had zij die gehad dan had er geen zoo dwaas of kostbaar kunnen zijn, die hij niet verwezenlijkte. De

[236:]

oceaan scheidde hem van zijn kind, minder nog dan zekere geheime afkeer, een soort van instinctmatige angst, waarvoor zij geen verklaring kon geven.
Hier was zij in de rijke koopmanskringen van Batavia met ware onderscheiding en vooral oprechte bewondering ontvangen; hoe kwam die oude leelijke vent aan zulk een knappe, gedistingueerde vrouw? Het antwoord was eenvoudig, hij had haar gekocht. Voor geld kan men alles krijgen, zelfs schoonheid, adel, fijne opvoeding; zijn wilde kat van een dochter was zeker in Europa verdonkermaand. Men vertelde, dat de verwijdering van het voorkind een der voorwaarden van den koop had uitgemaakt. Wat men van haar zeide liet Leonore koud; zij had haar doel bereikt; waarom zou zij nog naar iets anders vragen?
En toch had zij zich nooit zoo onvoldaan, zoo rusteloos gevoeld als nu? Beviel Indië haar niet? vroeg zij zich af. Uitstekend, moest zij bekennen; en haar man? Zij wist vooruit dat zij een tyran; een zoo goed als onbeschaafd mensch trouwde, maar wat haar niet met die dochter had willen gelukken, dat ging bij den vader als vanzelf. Zij beheerschte hem geheel, zonder dat zij er eenige moeite voor behoefde te doen, hij was één en al bewondering voor haar, van het eerste oogenblik hunner verloving, en bewondering was het gevoel dat Leonore het liefste opwekte, en toch wilde die ellendige knagende leegte maar niet wijken. Wat zij ook deed waar zij ook ging of stond, hoe zij zich ook scheen te amuseeren, hoe geestig zij praatte of lachte, nergens liet het haar met rust en nu zij daar zat met half ge

[237:]

sloten oogen en zacht wuivenden waaier, beheerschte het haar geheel.
Zij kon niet slapen, slechts half wakend droomen; haar bezorgde man liet een dokter komen, die het aan de zenuwen, aan de geweldige klimaatsverandering toeschreef; hij liet haar druppels innemen, maar niets hielp, de malaise wilde niet wijken. Haar gewone energie, waarvan zij in den laatsten tijd zulke blijken had gegeven, liet haar in den steek; zoo voelde zij zich het beste in de koele voorgalerij, langzaam gewiegd in de rocking-chair, niets ziende, niets hoorende, niets sprekende, niet denkende - als aan dat eene! O die gedachten, die haar geen oogenblik rust gunden, die woelden en krielden in haar hoofd, die knaagden aan haar hart; kon zij ze maar afzetten, maar het leek een ziekte, een vloek, een obsessie. Hoe kon zij toch zoo veranderd zijn! Voor haar huwelijk was zij zichzelf geheel meesteres, zij kon voelen en denken wat, of aan wie zij wilde; niet langer hinderde haar iets, dan zjjzelf verkoos, het oogenblik veervulde haar geheel, noch verleden, noch toekomst oefenden invloed op haar benijdenswaardige kalmte van gemoed. Met haar ijzeren wilskracht rukte zij elke gedachte, elk gevoel uit, dat zij niet in haar ziel duldde en nu scheen die wil haar te verlaten, die kalmte verloren te zijn.
Hoe zij haar best ook deed, zij kon zichzelf maar niet terugvinden sedert dien morgen aan dat ellendige kruisstation; waarom had zij ook met alle kracht, waarover zij beschikte, haar man tot deze samenkomst bewogen, waarom had zij ook ook lief willen doen tegen

[238:]

Daisy om haar vaarwel te wenken? Wat zij toen gezien had, zette zich vast in haar geest; het scheen daar in gebrand; zij kon dien indruk niet van zich werpen, het verlamde haar inwendig!
Altijd zag zij Otto weer, naast Daisy, vervuld met Daisy, zoodat hij niet eens behoefte voelde haar nog eens te zien. Daisy zoo groot en volwassen als zij zich haar niet meer voorstelde, Daisy de lieveling van haar broer, de aangewezen troosteres van Otto.
Hoe zou men haar tusschen die mannen en dat kind verachten en smaden! Een gevoel van antipathie! van wrok en het jegens haar verbond hen alle drie en hoe spoedig zou deze antipathie tusschen die twee wijken voor een ander gevoel?
Zij zou nu schatten hebben gegeven om Daisy veilig in haar nabijheid te weten, maar dan, dat wist zij ook, was het met haar rust gedaan; zij haatte dat kind meer dan ooit. Nu dat zij wist hoe Daisy achter haar dubbel verraad gekomen was, schaamde zij zich zelfs voor haar en dan, het was te dwaas, te kinderachtig om het zich aan te trekken tegen wien Otto hartelijk was of niet.
Beter kon zij die onzinnige gewaarwording niet onderdrukken dan door alles te laten zooals het was, met kalmte elke mogelijke gebeurtenis op te nemen en te genieten van het tegenwoordige. Maar helaas! kon zij dat maar! Al die verrukkelijke dingen naar het bezit waarvan zij levenslang had gedorst, waarvoor zij zich geen laagheid had geschaamd, lieten haar nu onverschillig. Alleen aan Otto kon zij denken, naar Otto verlangen, en zij was getrouwd. Zij had haar eigen lot gekozen, alles

[239:]

gedaan en opgeofferd om te verkrijgen, wat zij nu bezat.
Zoo bracht zij, dan de weinige uren, gedurende welke zij zich de weelde der eenzaamheid veroorloven kon, door, zich ergerend over haar eigen dwaasheid en altijd weer de herinnering zoekend en bestrijdend aan dat oogenblik op het perron. Gaf zij zich een oogenblik aan den stroom harer gedachten over, dan zag en hoorde zij niets meer dan den bruidegom harer jeugd, Otto, die haar verachtte, die haar geen woord, geen blik had waardig gekeurd. Was dat liefde? Waarom voelde zij het dan te laat?
De gedachte, dat het misdadig was zulke gevoelens te voelen en plicht ze te bestrijden omdat zij ongeoorloofd waren, en niet omdat zij hen onaangenaam vond, kwam niet in haar geest op; zooveel gevoel van verantwoordelijkheid bezat zij niet, vandaar dat zij dan ook alle middelen miste om energiek tegen het voortwoekerende kwaad op te treden; zuchtend legde zij zich er bij neer en gaf de schuld aan haar ongelukkig gesternte, dat eerst haar met zooveel moeite opgebouwd geluk telkens vernielde en haar nu belette het onbezorgd te genieten.
Zij haakte naar afleiding, maar haar man was naar een begrafenis en er daagde geen bezoek op; de onbeduidendste gast zou haar nog aangenaam zijn geweest.
Een bediende kwam haar een briefje brengen, dat door een oude baboe bezorgd was. Zij maakte het open en las eenige regels in slecht hollandsch geschreven:
"Een tante van Daisy wil haar nieuwe moeder spreken; maar zij is doodziek en kan niet uitgaan. Zou

[240:]

Mevrouw haar niet eens willen bezoeken? Zij moest het echter niet aan mijnheer zeggen, want die was boos op de schrijfster; het beste zou zijn om 's morgens te komen; zij woonde in gang Patjenongan, daar en daar."
Leonore herlas die regels; haar eerste gedachte was, alles aan haar man te zeggen en in overleg met hem te handelen; de tweede echter ried dit af. Zijn eerste huwelijk bleef steeds in zoo'n waas van geheimzinnigheid gehuld, zelfs na hun trouwen; hij maakte er nooit toespelingen op en beantwoordde haar vragen op ontwijkenden toon. Zij zag in dat zij nu veel daarvan hooren kon, al was het op een sluiksche manier, maar tot Leonore's systeem behoorde het, als men niet langs den rechten weg zijn doel bereiken kon, geheime, kronkelende, zelfs verboden paadjes in te slaan om er te komen; daarop onwelkome ontmoetingen te hebben, liet haar onverschillig, daar vroeg zij eenvoudig niet naar.
"'t Is goed, laat die Baboe aan haar Njonja zeggen, dat ik morgen of overmorgen kom," zeide zij en scheurde het briefje in microscopische stukjes; zij voelde zich iets meer opgewekt dan zooeven; het denkbeeld van zoo'n mysterieus tochtje prikkelde haar een weinig en zij was blijde deze belangstelling nog te kunnen voelen.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina