Max van Ravestein/Melati van Java: Aan d'overkant
Amsterdam: L.J. Veen, 1916
(tweede druk, eerste dr.1911)


[93:]

X.

Ondertusschen zat Pia in haar huiskamer met tante Cecilie, die over de tachtig jaar oud, een wandelende mummie leek, maar in wier perkamentachtig gelaat, als twee lichten in duistere grot, nog altijd levendige, gloeiende oogen brandden. Overigens was zij even vlug in haar bewegingen, altijd bij den weg, weer of geen weer.
Soms kon Pia een weemoedige zucht niet onderdrukken; haar lieve ouders, betrekkelijk zoo jong gestorven, aan haar liefde ontrukt en Cecile, die niemand zou missen, scheen onsterfelijk, maar dadelijk berispte zij zich zelf.
- Uw wegen Heer, zijn niet mijn wegen, U weet het beste wat en waarom U het doet.
't Bezoek op dit uur was zeer ongewoon, maar Pia ontving haar altijd vriendelijk, hoewel zij nu druk bezig was met haar verslagen als lid van den Voogdijraad, welke benoeming zij op Gerard' s aandringen had aangenomen. Zij vond het een zware taak, maar, beweerde de dokter, er waren zoo weinige katholieke vrouwen voor berekend,- velen maken door haar preutschheid of onnoozelheid zoo'n ellendIgen indruk bij andersdenkenden, of zij zijn maar katholiek bij het kantje af. Zij, die intelligentie hebben en met hart en ziel godsdienstig zijn, kunnen zoo verbazend veel goed doen. Hij duwde haar steeds in de richting van algemeene weldadigheid, - de roomschen komen met hun affaires wel klaar zonder jou, die redderen dat onder mekaar, maar op algemeen gebied, dienen wij ook vertegenwoordigd te zijn en niet maar zoo, zoo! Kranig moeten wij voor den dag komen.
Zij was nog knap van uiterlijk, sprak bedaard maar

[94:]

pittig, had een practisch verstand en groot liefhebbend hart. Gerard was trotsch op zijn zuster, en bedacht telkens nieuwe baantjes voor haar. 't Maakte haar leven druk, 't vervulde haar geest met akelige dingen, waarvan zij griezelde. Zonde, zwakheid, bedrog, - zij voelde zich in haar reinheid vaak bezoedeld; door gebed en de Sacramenten moest zij haar ziel verfrisschen. - Dan, het huishouden diende toch ook te worden bestierd. Gerard was veeleischend, na zijn huwelijk hoopte zij op meer vrijen tijd. Voorloopig zou zij bij het jonge paar blijven. Lucy had er zoo om gesmeekt, zij was een uitstekend huishoudstertje en kon alles best alleen af. Pia wilde dus slechts kostdame zijn, zich met niets bemoeien, later, zoo 't gezin grooter werd, kon zij nog altijd zien wat haar te doen stond - maar zij kon het zich nog niet goed voorstellen - Lucy als Gerard's vrouw in het groote huis.
- Wel tante, wat 'n ongewone eer, u hier te zien! zoo begroette zij de oude dame, zette haar in een gemakkelijken stoel en belde de meid om voor een warme stoof te zorgen en anijsmelk, tante's lievelingsdrank, klaar te maken.
- Maak zoo'n drukte niet, pruttelde tante, wij hebben retraite in de Spin, en nu moet ik nog even naar de Prinsengracht, zij hebben er een meisje, dat zonder betrekking was, niet opgenomen en nu is het kind in een protestantsch huis, Beth - San - of Beth - Pal, weet ik het...
- Gelukkig dat zij ten minste behoorlijk onder dak is. Zij zullen wel reden hebben gehad haar niet aan te nemen.
- Dat moet ik nu onderzoeken, maar weet je, waar jij eens op moet letten, om met de deur in huis te vallen, - dat die nicht en aanstaande schoonzuster van jou, niet met een protestantschen jongen, een dominéstudent liefst, over straat loopt te ginnegappen en te draaien
- Tante rekte haar lang bovenlijf uit en wentelde haar vogelkopje om den dorren, dunnen hals, hetgeen zulk een onweerstaanbaar grappigen indruk maakte, dat Pia bij de nabootsing moeite had ernstig te blijven. - Ik heb 't altijd bespottelijk van Gerard gevonden, zich te

[95:]

engageeren met zoo'n mal wicht en de dochter liefst van zoo'n moeder. ..
- Och tante! Lucy is zoo'n degelijk goed kind.
- Dat denk je maar, die aard van de Erlenburgen zit er in. Pas maar op, zij wordt net haar moeder, die een gemeen schepsel was, evenals haar zuster.
- Tante, wat is u hard!
- Ik hard? Omdat ik het kind bij den waren naam noem. Zeg gerust voor mijn part aan Gerard, hoe ouwer, hoe gekker. 't Geeft groot schandaal, als zij nu reeds begint met studenten langs den weg te loopen en mal te doen. Ik zat in den tram en kon dat gedoe juist aanzien. Zij namen afscheid en zij lachte, en deed zoo en zoo - tegen hem, en hij stond haar na te kijken toen zij in de tram stapte, of hij verliefd was. Waar ging zij heen?
- Naar het gasthuis.
- O ja, waar jullie weer zoo'n drukte maken, allerlei wereldsche feesten, daar gaat het geld voor de armen aan op. Ik heb er nooit aan gedaan, ik houd niet van dansen en fiedelen voor een goed doel. 't Is of ziekte en armoede alleen maar op de wereld zijn, om jongelui gelegenheid te geven pret te maken en een vrijer of een meid te krijgen. 't Is goed geld naar kwaad geld gooien - om het lolletje is het te doen - in mijn tijd kostte het moeite en offers weldadig te zijn, maar nu doe je het voor de jool alleen.
- Och! tante, daarvoor zijn ze jong.
- Ja, jij met je eeuwige jeugd, spreekt ze altijd voor. Hoe lang moet die jonkheid duren? Maar wat wou ik ook zeggen, o ja, dat kind! Ik wou je, waarschuwen over haar ongepaste manier van zijn.
- Zij heeft hem zeker toevallig ontmoet, 't is een nette jongen en een vriend van George.
- Ook een vriendschar, die hem goed zal doen, maar dat gaat mij niets aan. George en Lucy zijn gelukkig familie van den kouden kant, maar 't is om Gerard, dat ik mij moe maak. Gaan zijn oogen nog niet open? Ziet hij niet dat hij zijn ongeluk tegemoet holt?

[96:]

De meid kwam met de warme stoof binnen.
- Dank je Lies! Ruikt ze niet? Ik houd niets van die nieuwerwetsche briketten, zoo'n echt ouderwetsch turfstoofje, dat is je ware, dat doet je goed aan je gebeente - en toen de meid vertrokken was - ik voorzie er niets van dan schande en misèrie. Vroeger kwam onder katholieken nooit zoo. iets voor, maar nadat die mevrouw Dinges er vandoor is gegaan, met een kwajongen van nog geen vijf en twintig, lijkt het wel of het hek van den dam is, en hoor je telkens er weer van, - nu pas van die...
Pia keek heel verveeld en viel haar in de rede.
- Nu ja tante, ik zal het zeggen aan Lucy, maar ik weet zeker dat zij niets verkeerds heeft gedaan of gezegd tegen Bruno, dien ik ken als een zeer ernstig, bedaard jong mensch.
- Dan is zij zeker bezig hem te bekeeren, zooals jij vroeger met Felix, dat was mij ook een malle verhouding van nicht en neef, altijd samen, en druk - druk...
Pia lachte vroolijk. -
- Mij dunkt, dat heeft toch wel goede resultaten opgeleverd.
Tante Cecile haalde de schouders op.
- Nu ja, hij blijft daar maar hokken in Italië en wat daar gebeurt... hoe dichter bij den Paus, hoe slechter christen... nu ik heb je gezegd, wat ik op mijn hart had en nu moet jullie het zelf weten, ik wasch mijn handen in onschuld, - geef mij nog maar een kopje melk - Gebruik je tabletten? Die zijn nooit zoo goed als echt anijszaad, die laat je trekken in een linnen dotje, van dat nieuwerwetsche geknoei moet ik niets hebben. Die stoof geeft ook niets, de briket ruikt; 't is gauw en slecht tegenwoordig, zij gunnen zich geen tijd dat ding te laten uitbranden.
Pia nam de stoof onder haar voeten weg om de test te onderzoeken.
- Neen, neen, neen, laat dat maar, ik kan toch niet langer blijven, je weet het nu en spreek er met Gerard over, anders doe ik het.
- Och tante, ik zou 't maar laten...

[97:]

- Jij bent altijd ook zoo modern geweest, je wist nooit wat men aan je had.
- Kom tante, plaagde Pia, u heeft mij allang genoeg gekend om te weten, wat u aan mij heeft. Als u even wacht, komt Gerard thuis en kan de coupé u thuis brengen.
- Dank je wel, zoolang mijn onderdanen mij geen dienst weigeren heb ik geen rijtuig met of zonder paarden noodig, of 't moest zijn een enkelen keer in de tram om een paar gekken in de kaart te zien.
Toen Lucy's middags thuis kwam, vertelde zij haar ontmoeting met Bruno en zijn nieuwtje.
- Wat 'n zware slag voor zijn vader, zeide Pia, hij had er zoovele illusies over, maar als hij zijn geloof geheel had verloren was 't erger.
- Ik begrijp niet dat de protestanten het zoo erg vinden, als een van hen roomsch wordt; zij mogen toch het geloof hebben, wat zij willen.
- Behalve het katholieke, je weet, dat Hello ergens zegt: Een van de kenteekenen der Waarheid is dat zij algemeen wordt gehaat en veracht, terwijl men voor de dwaling meestal zoo verdraagzaam is. Maar hij is er nog ver van af, al voldoet hem zijn godsdienst niet meer.
- En hoe zielig, die arme jongen mag met de Kerstdagen niet thuis komen, 'k heb hem bij ons geïnviteerd, dan kan hij bij George op de kamer logeeren, en u op de logeerkamer, die arme oom moet toch naar een hotel.
- Je durft wat, zei Pia, die over dit onderwerp liever niet doorging, - ik weet nog niet of wij uit de stad gaan. Met Paschen moeten wij toch naar Nijmegen, als je kort daarop trouwt.
- En dan blijf ik voorgoed hier, heerlijk! dat er geen andere verandering komt. Alleen, moet ik mijn boudoir nieuw inrichten, wanneer gaat u eens met mij mee tante naar een heel moderne meubileer-inrichting, want het moet in-chic en à part worden, - wat voor kleur dunkt u? Oud-roze en grijs, of mordoré en nil... en de meubels... ?
- Lucy, begon Pia nu heel ernstig, dat is alles heel aardig en heel gezellig en leuk en typisch of hoe je 't noemen wil, maar denk je nu ook wel aan den anderen

[98:]

kant van het trouwen? Begrijp. je goed wat het huwelijk beteekent voor een christenmeisje, wat voor verplichtinen jij op je neemt? Je man liefhebben, gelukkig maken, geen wil, geen gedachten hebben dan alleen aan hem?
- Geen gedachte! Foei tante, dat is wat te erg, aan een ander denken, is dat al zonde? Dat is toch onmogelijk, vindt u niet?
- Neen, het kan aanleiding worden tot zonde. O kind! niets is zoo moeilijk, verbeeld ik mij, als het huwelijk, wanneer het enkel plicht is.
- Ja maar tante, de genade van het Sacrament helpt je toch, hebben wij in de catechismus geleerd.
- Zeker, maar met de genade moet je meewerken. Je speelt en lacht met Gerard, laat je vertroetelen, maar je denkt niet aan de zware verantwoordelijkheid, die je op je neemt.
- Dat zei Bruno ook en dat maakt mij bang. Vreeselijk als ik tegen het trouwen opzag en dan zou ik 't toch moeten doen, - want ik trouw niet om mijn geluk, daarvan deed ik afstand.
- Kind, je speelt met je toekomst, je moet een retraite houden om met jezelf in klaarheid te komen.
- U heeft gelijk tante, mijn hoofd lijkt precies op een niet geredderde kamer, vol allerlei prullen en mooie dingen ook wel, maar alles onderste boven en in een hoek - een doodkist!
- Foei Lucy, wat 'n idee!
- Dat is 't eenige ernstige in mij, o 's nachts als ik wakker word en ik verbeeld mij gas te ruiken dan kruip ik in elkaar en huil mij weer in slaap. Soms begrijp ik niet, dat ik overdag zoo vroolijk en onbezorgd kan zijn, maar oom ziet het graag en hem plezier te doen is voortaan mijn eenig levensdoel, dat vind ik verrukkelijk.
- Dat het dan zoo mag blijven, jullie heele leven lang.
- Tante, geef mij een zoen, dank u voor uw mooi puntje. Hoe jammer, dat zegt Mia ook, dat u geen moeder is. Mijn moesje Bets is ook wel lief, maar ik had het toch veel leuker gevonden, als pa u had genomen. - Waarom is u toch niet getrouwd, tante?

[99:]

- Omdat ik niemand getroffen heb, wien ik mijn liefde heel en al kon geven.
- Niemand, niemand? En - en neen, ik wil je niet plagen tante-zus! Toch blijf u mijn tante! Ik noem u nooit anders en tante Wies ook niet, die ijskegel, Brr! Mijn schoonzuster verbeeld je!
Gerard lachte zich tranen, toen Lucy aan den lunch vertelde van de vergadering en van al die kleine wrijvinkjes en beredderinkjes en benauwdheden en kouwe drukte, - zooals hij 't noemde,
- Jij bent een echte spotvogel, juist iets wat 'n man, die altijd tusschen akeligheid en menschelijke ellende verkeert, noodig heeft.
Hij pakte haar bij de kin en kuste haar op het voorhoofd.
- Weer iemand, nog vóór het spreekuur, Zij laten den ouwen man nooit rustig eten en naar zijn vrouwtje luisteren, en te denken dat ik vroeger iederen patient nog geld toe had willen geven, alleen om iets te doen te hebben.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina