Melati van Java: Orchidée
Amsterdam: L.J. Veen, derde dr., z. jr.
eerste druk 1905


[123:]

XVII.

"Neen, ik hoor niet in de wereld thuis, ten minste in die wereld waar men pret maakt. Ik ben er te saai, te.... te...."
"Te ernstig vóór. Dat kan niet anders na je eigenaardige jeugd," antwoordde Josephine op ldée's verhalen na haar thuiskomst.
Het meisje zuchtte.
"Ik geloof dat ze veel gelukkiger zijn, maar dat komt ook daar zij zich zoo echt jong voelen, maar 't is mijn schuld niet, ik voel heel anders en daardoor kom ik mijzelf bij hen zoo vreemd vóór. Neen juffrouw Josephine, ik hoor thuis bij mijn boeken en nergens anders."
"Gelukkig maar!"
"Ja, want ik zou me nergens beter kunnen schikken. Wat is u aan 't naaien?"
"Och! ik maak van een ouden rok van mij een warm jurkje voor het zusje van Trien. De stumpers zijn zoo vreeselijk arm. Gister kwam ze huilend hier en toen ik vroeg wat het was, zei ze: Vader had geen werk en moeder was ziek en 't zusje kon niet naar scbool, omdat zij geen kleeren had en toen ben ik er eens heen gegaan en vond er alles precies zóó."
"Trientje zou toch niet jokken."
"Dat weet ik niet. Wij hebben ze nog niet lang, haar moeder had ik leeren kennen als een knappe vrouw en 't is er wel arm, maar keurig netjes. Een kind van 12 jaar bereddert alles, er was geen eten, er waren geen kolen, de kinderen hadden in dagen niets als wat droog roggebrood gegeten."
"En heeft u hun toen wat gebracht?"
"Ja, je vader had er niets tegen dat ik Trientje wat eten meegaf voor thuis en een soepje voor moeder; ik gaf haar ook die oude schoenen van je mee voor het kind en nu flans ik maar een japonnetje voor haar in mekaar."

[124:]

"Och juffrouw! als u eens weer gaat, mag ik dan met u mee!"
"Als je wilt, heel graag, maar 't is er niets voor jou. Je bent niet aan die narigheden gewend."
"Ik wil 't leeren kennen, juffrouw Josephine, tot nu toe kende ik alleen maar boeken. 't Deftige leven van rijke lui heb ik leeren kennen, nu wil ik weten hoe het bij arme menschen toegaat."
"Nu dan zullen wij eens samen gaan."
En zoo gebeurde het ook.
De ellende van het armeluisleven in sloppen en krotten maakte een geweldigen indruk op Idée, en ook hier voelde zij zich hulpeloos naast Josephine, die vroeger in Wilgenhage voor haar zeer liefdadige tantes dikwijls armen had bezocht en dan ook flink de handen kon uitsteken. Zij wist goed met hen om te gaan, altijd het ware woord te vinden, nooit betoonde zij zich tegenover hen indringerig of bestellerig, zij luisterde geduldig naar hun lange leedverhalen, preekte nooit, maar gaf op gemoedelijken een weinig schertsenden toon raad.
Idée bewonderde haar en werd boos op zichzelf omdat zij het niet zoo goed kon.
"Ik zou al mijn geld willen geven om hen te helpen," zeide zij; "ik gun hen alles, maar zoo met hen omgaan als u doet juffrouw Jo, dat zal ik nooit leeren, dat blijft me even vreemd als dansen!"
"En toch kind! doe ik hen meer goed met zoo'n opbeurend praatje als met een beurs vol geld."
"Zouden wij dien vader geen werk kunnen verschaffen? Papa kent toch wel eenige rijke menschen..."
"Ja, daar heb ik met je vader over gesproken maar er is iets tegen."
"Nu wat dan?"
"Die vader heeft een misstap begaan; hij is zwak geweest en is er voor gestraft. In zijn nood vergreep hij zich aan eenige kleinigheden bij zijn patroon, het

[125:]

rechte weet ik er niet van, alleen dat het hem moeilijk is zonder goede aanbevelingen weer werk te te krijgen."
"Maar dat is toch ongelukkig, als die man toch spijt heeft en hij boette er voor, dan is het niet mooi hem nog te wantrouwen."
"Zoo is de wereld nu eenmaal; hij is een knap werkman en zou niets liever willen dan voor zijn huishouden geld verdienen, maar het wordt hem onmogelijk gemaakt."
"Is er niets aan te doen, niets?"
's Avonds kwam Ludo, zooals meer zijn gewoonte was, even aanwippen; hij had zoo hard gewerkt, vertelde hij en voelde dus behoefte een straatje om te loopen en zijn nicht Josephine te bezoeken.
Het gesprek kwam op 't ongelukkige gezin en hij zeide dadelijk:
"Hier in de stad kan die man nooit weer aan den gang komen, dus moet hij ergens anders heen. Zeg Jo, zouden ze bij Fransen op de fabriek niet zoo iemand kunnen gebruiken?"
"Als jij 't durft recommandeeren."
"Och, bij Fransen kunnen ze hem op de vingers kijken en neef is een heel philantropisch man; als ik naar huis ga, zal ik er met hem over spreken."
Idée interesseerde zich bijzonder voor het gezin.
Zij kocht van haar spaarpenningen versterkende middelen en bracht ze hun, ook kleederen en schoenen. Zij ging er zoo in op dat Josephine het noodig vond haar ijver te matigen.
Het liefst gaf ze aan de kleine kinderen speelgoed en lekkers.
"O als u toch dat geluk van die kinderen eens gezien had, hoe hun oogen schitterden van pret op 't gezicht van die poppen en dat gebak. Nuttige dingen daar geven ze niet om, maar zoo iets om pret mee te hebben, maakt hen zoo blij. En ik geloof, dat ik

[126:]

ook wel geschikt met hen kan praten, ten minste de moeder vertrouwde mij alles toe van haar man en ik beloofde haar mijn best te doen hem buiten geplaatst te krijgen."
"En zou ze dat willen?"
"O ja, zij komt uit Twente en haat de stad, waar zij zoo ongelukkig is geworden omdat haar man daar in verkeerd gezelschap is geraakt!"
't Was gelukkig voor Idée dat zij een werkelijk fatsoenlijk gezin had getroffen; zij verloor haar illusiën niet zoo als maar al te dikwijls had kunnen gebeuren zoo de menschen haar hadden bedrogen met het goed naar de lommerd te brengen om er geld of snoeperij voor te koopen, maar Trientje's moeder was een brave, nette vrouw en de man scheen ook slechts tijdelijk afgedwaald.
"Idée gaat geheel in haar armenzorg op," zei Josephine tot Ludo, "'t doet me plezier dat er iets is waarvoor zij zich warm kan maken, want in haar studie heeft zij de rechte lust niet meer den laatsten tijd."
"En wat zegt de oude heer van die nieuwe bevlieging?"
"Och, hij merkt er niet veel van en me dunkt 't is of hij ook wat menschelijker wordt."
"Onder jou leiding?"
"Nu ja, als je het zoo nemen wilt, maar hij schijnt levendiger, praat van lid te worden van Tivoli - verbeeld je - enfin hij leeft niet meer zoo heelemaal voor Idée's geleerdheid."
"Je hebt er alle eer van."
"'t Is zoo'n lief kind, ik houd veel van haar, zij heeft zoo'n edel hartje. Weet je waarom zij zoo veel voelt voor die arme lui? Ik was toen ook in de grootste ellende toen Baboe op sterven lag, zegt zij en wat zou er van ons geworden zijn als Ludo niet op eens verschenen was."

[127:]

"Als een mannelijke fée, ja, daar heb ik alle aanleg voor. En uit dankbaarheid helpt ze nu die menschen?"
"Nadat zij zelf zich ook hulpeloos en ellendig heeft gevoeld, begrijpt ze hun leed."
"Maar is zij niet wispelturig?"
"Hoe kom je er aan? Zij heeft nooit iets anders gekend dan hoofdwerk; toen is ze onder jongelui gekomen in hun onbezorgd plezierleven en daar voelde zij zich niet thuis."
"En dit geeft haar meer voldoening, maar zal het lang duren? Een gewone vrouw wordt zij toch nooit, zou je wel denken?"
"Ik vrees er ook voor! Zij is wat onhandig en dat leert zich moeilijk af, maar overigens is het zoo'n edel, innig goed meisje."
"Dat heb ik dadelijk gemerkt," zei Ludo nadenkend.
"Die kunstmatige opvoeding heeft haar nooit kunnen bederven - haar hart is niet verstikt door al die dorre geleerdheid. Je had haar moeten zien in haar hulpeloos gedoe met die oude Javaansche meid."
"Ik doe mijn best haar meer mensch te maken."
"Daar heb je een goed werk aan, maar vooral maak haar tot een vrouw."
"Voor jou misschien", vroeg Josephine lachend.
Maar Ludo hoorde het niet of deed of hij 't niet hoorde.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina