Melati van Java: Orchidée
Amsterdam: L.J. Veen, derde dr., z. jr.
eerste druk 1905


XI.

Baboe werd veel erger; de dokter constateerde onmiddellijk longontsteking en raadde haar overbrenging naar een zieken-inrichting aan, daar hij wel merkte, dat zij hier niet goed verpleegd kon worden. ldée wilde er niets van weten, zij snikte en snikte maar door, eindelijk werd er op gevonden een verpleegster te nemen, die bij de zieke kon waken.
Het arme, oude mensch lag steeds te rillen en te hoesten, zij ijlde en sloeg met de handen in de lucht; twee woorden kon men slechts onderscheiden uit haar onsamenhangende taal Dingién (koud) en Nona Dée.
Tot haar vaders groote ergernis was Idée niet naar het college en zelfs niet aan de studie te krijgen; zij zat met de handen onder het hoofd voor haar

[79:]

boeken maar keek er over heen, telkens bij elk geritsel sprong zij op en liep dan naar boven om te zien hoe 't er mee was.
"Maar kind!" zei de vader boos, "stel je toch zoo niet aan voor een javaansche meid; zeker ik waardeer Baboe zeer, ik hou zelfs van het mensch en 't zou mij ontzaggelijk spijten als het niet goed afliep, maar er is niets aan te doen. Zij wordt behoorlijk verzorgd en jij kunt toch niet helpen al loop je ook twintig maal in 't uur naar boven om te kijken hoe 't haar gaat."
"Ja dat weet ik wel, vader, maar ik kan er niets aan doen. Weet u nog toen u ziek was, stelde ik mij ook zoo aan en was ik zoo ongerust."
"Je wilt mij toch niet vergelijken met Baboe?"
"Neen, dat spreekt, maar zij is hier zoo eenzaam, zoo vreemd, alles heeft zij verlaten voor mij en dat vind ik nu zoo verschrikkelijk, die verantwoordelijkheid."
"Maar 't is toch haar eigen wil geweest..."
"Juist daarom, kon zij geen grooter bewijs geven van liefde en trouw."
"En wat geef je mij nu? Of ben ik minder goed voor je dan Baboe? Je kunt mij geen grooter bewijs van liefde geven dan kalm te blijven en je studie niet te verwaarloozen. Bedenk toch kind! Over vijf weken ten hoogste is 't examen."
"Dat examen, dat ellendige examen. Ik haat de examens en de boeken."
"Idée!"
De heer Sonerius verbleekte, hij ging naar haar toe en legde de hand op haar schouders.
"Idée, dat meen je niet!" zeide hij op ernstigen droeven toon, "wees niet ondankbaar tegen je boeken, en denk wat je hun een genot en opwekking dankt."
"Het meisje had al dadelijk spijt van haar uitval; zij omhelsde haar vader en liet al snikkend het hoofd tegen zijn schouder rusten.

[80:]

"Och vadertje! neem het zoo ernstig niet op. Natuurlijk meen ik 't niet, maar 't komt zóó door alles. Die groote verandering van ons leven, hier in de universiteitsstad en daar ginder in Makoe, 't is zoo heel anders. Ik moet mij er aan wennen..."
"Maar 't duurt al zoo lang..."
"Toen studeerde ik voor mijn plezier, waar ik zin in had en nu altijd met dat schrikbeeld van het examen voor mij... en Baboe's ziekte nog bovendien. Wat moet er dan van ons worden?"
"Kind! Maak je daarover niet ongerust. Dat loopt wel los. Laat al die kleinzielige dingen je niet afhouden van je groot, je eenig levensdoel. Denk eens aan, wat het heerlijk zal zijn, vóór je twintigste jaar Doctor in de Oude Letteren en dan begin je dadelijk weer voor de Nederlandsche Letteren te studeeren en haalt ook daarvoor het doctoraat. Je wordt een Baschi, een nieuwe Kovalovska. Door heel Europa word je beroemd, misschien professor, dat zal je zien."
Idée bleef stil zitten, dat vooruitzicht liet baar heel koud - het eenige wat haar aanging was dat Vader het verlangde, dat het hem gelukkig zou maken. Zij zweeg tot dat hij dringend vroeg:
"Vind je dat niet heerlijk? Verlang je er niet naar?"
"Ja, opdat u trotsch mag zijn op zoo'n dochter maar voor mij? Och, wat heb je d'r aan?"
"Wat heb je er aan? Nou vraag ik je! Kind, je bent veranderd. Ik heb het al dikwijls gemerkt en nu weer..."
"Hebt u maar geduld met mij, paatjelief! Ik ben niet normaal, die ziekte van Baboe en de zorg dat het niet goed zal gaan met het huishouden brengen mij van streek."
"We hebben immers hulp!"
't Was er ook een hulpje naar! Een groote, forsche, slordige schoonmaakster - noodhulpwerkvrouw - die dreunend door de kamers plofte en met het water

[81:]

plaste over gang en trap, zoodat men er soms door moest waden, en alles brak wat zij in haar grove, lompe handen hield.
"Dat kan zoo niet blijven," zuchtte Idée.
"Ik zal zorgen dat er verandering komt, maar tob er niet langer over en ga rustig werken."
"Ja vader!"
Maar nauwelijks was haar vader in de andere kamer, waarvan hij de tusschendeur zorgvuldig sloot om haar niet af te leiden of Idée trok zachtjes haar pantoffeltjes uit en ging op haar kousen onhoorbaar naar boven.
Zij waagde er natte voeten aan, want Dien had juist een heele emmer water op den vloer van den zolder, die voor de slaapkamer afgeschoten was, uitgegoten.
Baboe scheen iets rustiger, maar de pleegzuster nam Idée mede naar de andere kamer en begon een lang verhaal over allerlei grieven tegen Dien.
Idée kon niets anders zeggen dan dat het haar speet; dat zij er niets aan doen kon, dat zij zich met niets bemoeide.
"Maar daarvoor is u toch vrouw," zei de verpleegster, die tamelijk bij de hand scheen, "en dit verzeker ik u met zoo'n hulp of liever zonder eenige hulp kan de zieke niet beter worden en kan ik mijn werk niet doen en daar u de eenige vrouw hier in huis is, stel ik er u verantwoordelijk voor."
"Maar ik kan toch niet Dien anders maken dan zij is. Wij waren al blij dat wij haar hadden."
"U zal er nog plezier van beleven. 't Is een wijf dat niet in een fatsoenlijke buurt en bij een nette familie thuis hoort. Ik meen dat ik ze meer heb ontmoet en dat - ik zeg zulke dingen niet graag maar hier acht ik het mijn plicht - zij een paar malen wegens diefstal in de gevangenis heeft gezeten."
Idée werd doodsbleek.
"Zuster! U doet mij schrikken, maar wat beginnen wij als wij haar wegzenden? Wie zal er

[82:]

koken en de deur openmaken. Dat kan Pa toch niet doen."
"En u dan! 't Is toch uw plicht uw handen uit te steken! Al is u ook honderdmaal studente en zoo geleerd - dat mag een meisje niet beletten vrouwenwerk te doen!"
Idée zag met haar groote, ernstige oogen de verpleegster aan en zei toen:
"Misschien heeft u gelijk maar niemand verlangde het ooit van mij."
"Men kan alleen gelukkig zijn in den stand, waarin God ons gesteld heeft. Het is den Heer verzoeken een anderen te kiezen. Zoo Hij van u mannenwerk had verlangd, zou Hij u niet als meisje hebben geschapen."
"Idée, Idée, waar ben je weer? Boven?"
"Ja vader!"
En op haar kousen liep zij snel de trappen af.
"Ik dacht je druk aan 't studeeren."
"De zuster heeft me gewaarschuwd tegen Dien," en de kamer ingaande, sloot zij de deur achter zich en ging fluisterend voort: "Zij moet weg. Zij is een oude bekende van de politie, zij hoort hier niet in huis."
"En wie moet ons dan helpen?"
Idée zag hem met een ongelukkigen, bijna verwijtenden blik aan:
"O vader, waarom heeft u mij niet gewoon meisje laten blijven?"
"Alweer dat gezanik! Schei er mee uit of ik word boos. Ten eerste geloof ik 't niet van Dien. Die juffrouw zuster bazelt. Ten tweede al was het zoo, voor haar een ander. En nu maar aan je werk."
Idée gehoorzaamde maar het wilde niet hoe zij ook haar best deed; zij soesde en sufte maar door, luisterend naar elk geluid; de middag scheen eindeloos.
Daar hoorde zij driftig praten, deuren toesmijten en

[83:]

eindelijk op heftigen toon de stem der verpleegster in de andere kamer, waar haar vader zat:
"Hoor eens mijnheer! Zoo kan 't niet langer. Ik verpleeg wie men aan mijn zorgen toevertrouwt, dus even goed een baboe als een prinses, en dan ben ik gewoon haar mijn beste krachten te wijden, maar zoo gaat het niet...."
"Nou, wat 'n bereddering, wat 'n kouwe drukte. Mens, maak je niet dik, dun is de mode," snauwde Dientje van uit de keuken.
Idée voelde iets kriebelen in haar neus en keel.
"Maar wat is er toch in 's hemelsnaam," riep de heer Sonerius knorrig.
"Ruikt u het niet, ziet u het niet? Je kunt de lucht snijden van de rook...."
"Kan ik 't helpen als de kachel niet trekken wil. Maak jij hem aan, zemelknoopster!"
"Mijn patient hoest er nog eens zoo erg van. 't Is niet om uit te houden."
"Zet de ramen open!"
"Dan tocht het weer! Laat mij kijken, wat er aan scheelt, je moet van alle markten thuis zijn."
De pleegzuster had spoedig ontdekt dat de schuif toe was en noemde Dien in haar verontwaardiging:
"Stommeling!"
"Dat laat ik mij niet zeggen door zoo'n kale juffer, die niets meer is dan wullie booien en alleen maar om de grootsigheid zich een mutsje heeft opgezet en aan 't zieken oppassen is gegaan. Daar ben ik nog te goed voor. Zie jij zelf 't eten klaar te krijgen, als je zoo goed 't vuur weet aan te maken. Adjuussies, ik smeer 'm."
Zij nam haar onsmakelijke wollen muts uit de kast met etenswaren, deed haar straatboezelaar voor, en klotste zonder een woord meer te zeggen de deur uit, de straat op, de deur achter zich toeflappend.
's Avonds bleek dat zij eenige zilveren lepels en

[84:]

vorken en een gouden broche van Idée in de gauwigheid had meegenomen.
Er moest eten zijn, de verpleegster was niet tevreden met de koude keuken van Vader en dochter die volgens hen zoo gezond heette en de heer Sonerius was dus verplicht het diner uit een hotel te bestellen, zoodat men dien dag ten minste behoorlijk kon eten.
Baboe werd 's nachts veel erger. Idée sliep niet. Zij zat maar bij de matras en keek met betraande oogen naar het oude, verschrompelde, bruine wezentje, dat haar niet meer kende en wier ademhaling hoe langer hoe benauwder werd.
Toen de dokter zijn morgenvisite bracht, zeide hij dat er geen hoop meer was en zij den avond niet kon halen. Idée was niet meer van haar ziekbed af te slaan, totdat haar vader haar riep.
"Er is niets aan te doen, kind!" zeide hij haar.
"Zet je hoed maar op. Dan gaan wij een singeltje om en dan breng ik je tegen twee uur naar 't college."
"En als Baboe in dien tusschentijd sterven mocht, dan is er niemand bij haar, niemand die haar de oogen toedrukt, geheel zonder vrienden."
Haar stem brak in een snik.
"Wees nu niet sentimenteel, kom, maak je klaar!"
"Och vadertje lief! Laat mij hier blijven, ik zal de schade later inhalen, ik zal dag en nacht studeeren, maar zend mij nu niet weg. Als ik mij iets te verwijten heb, zal ik ongeschikt zijn in langen tijd iets uit te voeren."
"Nou, ga je gang, maar neem een boek mee als je boven zit, je kunt er toch niets uitrichten."
"Neen, ik kan er niets doen, niets! Ik ben tot alles ongeschikt, onhandig, dom - ja, ik zal een boek meenemen."
Maar het boek werd niet geopend. Idée lag geknield bij het ledikantje, waarin Baboe nu rustte. Zij hield haar hand vast en dan scheen er kalmte in het ver

[85:]

wrongen lichaampje te komen. Zij bad het Onze Vader en smeekte uit het diepst van haar hart dat God medelijden met de arme tobster mocht hebben en haar opnemen in het land, waar eeuwig de zon schijnt en waar het niet koud en mistig is als hier.
De verpleegster kreeg medelijden met haar.
"Er schuilt toch een echt vrouwelijke ziel in dit meisje, zij is nog niet geheel verdroogd door de studie. Ik heb met haar te doen.
"Allah - illa Lab! hoorde men de verschroeide lippen, van Baboe fluisteren, en toen rekte zij zich uit - haar oogen openden zich wijd.
Zag zij in een laatste vizioen haar mooi land met den schitterend en zonneschijn, de altijd groene boomen en de wuivende kokospalmen en het eenvoudige bamboezen huisje in de dessa verscholen tusschen de loentasheggen om het tuintje, waarin kenanga en melati geurden, hoorde zij het vroolijke lachen van haar vlieger oplatende kleinkinderen en in de verte de statige toonen van den gamalan, het geroep der priesters in de missigits, de orang Islam tot het gebed roepend? Of wel zag zij het kerkhof, waarin aar ouders rustten onder de schaduw der cambodja boomen, met hun witte bloemen de graven bestrooiend, waar zij nooit een plaats zou vinden?
Wie zal het zeggen wat zij in de laatste minuut aanschouwde - toen nog een laatsten blik op het meisje, dat zij na haar moeders dood zoo trouw had verzorgd, een flauw gemurmel, zacht als een ademtocht.
"No - na...." en toen sloot zij de oogen, haalde diep adem en rustte voor goed.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina