Melati van Java: Orchidée
Amsterdam: L.J. Veen, derde dr., z. jr.
eerste druk 1905


[1:]

I.

"We "krijgen een nieuwe logé."
"Een nieuwe logé?"
"Eigenlijk twee," zei mevrouw Decker, "een vader en een dochter."
"Hé, leuk, weer een voor ons clubje!"
"Of 't leuk is, weet ik niet. 't Lijkt heel ander soort dan wij - verbeeld je, 't is een studente met haar Pa."
"Een studente, zoo, maar die kunnen heel aardig zijn - daar heb je Bets Neeve, die speelde goddelijk tennis en dan kon ze zulke eenige mopjes zingen."
"In elk geval was Bets veel ouder dan wij."
"Ja natuurlijk, naast die groote, geleerde dames zijn wij maar bakvischjes en mogen heel blij zijn als ze zich genadig met ons willen bezighouden."
"Je zult zien, let op wat ik zeg, 't wordt vervelend met die nieuwe lui."
"Dan laten we ze doodgewoon in de steek. Wij bemoeien ons niet met ze."
"Ze zal wel beter passen bij Jo en Do - als die met haar vriendschap willen sluiten."
"Do zal ze zien aankomen, van studente's moet zij niets hebben, niemendal hoor! zij is zoo ouderwetsch."
"Ik vind het heerlijk en ik hoop 't ook eens te worden."
"Och kind! schei uit, vóór dien tijd ben je al tien maal gestraald. Verbeeld je, jij studente, je hebt er nog al een gezicht voor!"

[2:]

"'t Zal toch wel moeten. We zijn met ons vijven meisjes thuis. Do is voor 't huishouden en Mien sukkelt altijd, dat zijn er al twee, die bij Ma blijven. Ik moet dus de wereld in, onderwijzeres daar bedank ik feestelijk vóór, artiest? Voor de kunst heb ik geen aanleg, dan maar doktor worden..."
"Ajakkes! Zoo'n eng baantje!"
"Nu ja, doktor in de medicijnen bedoel ik ook eigenlijk niet, maar in de rechten of in de letteren, dat lijkt me zoo zalig toe, heel iets anders dan schoolmamsel..."
Zij zaten beiden op het gras bij den grooten vijver in het bosch, of liever ze lagen heel makkelijk en lui, de beide meisjes, Baudine en Laura. Ze waren 16 en 17 jaar oud, aardige dingskes met nog hangend blond haar, van Baudine had een rossig gouden, van Laura een meer zilveren tint. Baudine was lang opgeschoten, een beetje smal in de schouders en liep daardoor wat voorover. Laura daarentegen was klein, fijn, een elfje met rose-wit rozen- en melktint, zonder een vlekje, terwijl Baudine tamelijk sproeterig was, maar dat zag men nauwelijks want 't eerste wat bij haar opviel waren haar mooi gepenseelde wenkbrauwen; en donkergrijze oogen, onder de lange wimpers bijna zwart lijkend.
"Neen," zei Baudine, ik vind 't verschrikkelijk te denken, dat ik nog in jaren niet af zou zijn van het leeren. 't Liefst ga ik naar een buitenlandsch pensionaat en dan met mijn achttiende jaar kom ik thuis, en ga een heerlijk jongemeisjesleven leiden, helpen in 't huishouden, uitgaan, fietsen, tennissen - verrukkelijk!"
En zij blies een paardenbloem, die zij in de hand hield uitelkaar - zacht tellend - een, twee, drie, vier.
"Na vier jaar kom ik thuis."
"Er zit nog een pluisje aan."
Baudine blies en blies maar het pluisje wilde niet

[3:]

loslaten, eindelijk bij den tienden keer gaf het toe.
"Nog tien jaar, ik feliciteer je... als je zoolang school moet blijven..."
"Dan trouw ik misschien. Best! en heb ik genoeg van mijn jonge meisjesbestaan."
"Waar zitten jullie!" riep een vroolijke jongensstem, gevolgd door een meisjeslach.
"O die luilakken, daar liggen ze te slapen."
Ben van Wegel, Laura's broer en haar zusje Maddie, beiden in fietscostuum, verschenen met hun fietsen op den hoogen weg.
"Ben jullie daarvoor buiten om hier te luieren in 't gras? Wij zijn in Krekelberg geweest en hebben daar het oude kasteel gezien en Jaap reed ook mee, maar zijn band is gesprongen. O wij hebben zoo gelachen want Ben en Jaap namen een boerin in de maling. Ben deed of ik een prinses was en Jaap wees op zijn voorhoofd en zei haar: "Mijn broer is een beetje... je weet wel. O, wat hebben wij gegierd! Die Jaap is zoo leuk!"
"Daar ben ik niet bang vóór dat jullie het te stil hebt gehad - en wij zitten hier zoet te genieten en praten over onze toekomst."
"Foei, zulke wijsneuzen!"
"'t Zal tijd worden voor 't eten. Ik moet mij opknappen. Kom maar Bau!"
De beide meisjes stonden op, sloegen zich gras en zand van de kleeren en liepen met Ben en Maddie den weg af naar het dorp.
De van Wegels waren in pension in het groote buitenlogement, vlak bij den ingang van het bosch.
Baudine was de dochter van den dorpsdokter Dorenveld; sedert jaren waren de Dorenvelds en de Wegels goede vrienden en toen mevrouw Van Wegel voor haar eigen gezondheid en voor die van de kinderen naar buiten moest, ging zij op hun aanraden in pension in de Vergulde Kreeft. Baudine en Laura kenden

[4:]

elkander sedert lang. Josephine Kleiberg, haar nichtje, die met een tante samenwoonde en veel ouder was, sloot vriendschap met Dorette van Wegel en de jongens van den dokter, Jacob en Frans, waren spoedig met Bernard of Ben heele goede vrienden, waarbij zich de wilde, jongensachtige Maddie voegde, die 't altijd beter kon vinden met de jongens dan de meisjes.
De tweede dochter Mien was met familie op een badplaats. De andere Van Wegeltjes waren nog kleiner en speelden met de kinderen uit het pension en ook de student, Baudine's groote halfbroer Ludo, voegde zich, als hij buiten kwam, bij het vroolijke groepje, dat altijd aan het fietsen, tennissen, crocketten was, groote tochten maakte, pics-nics organiseerde en gedurende deze mooie vacantiedagen aan niets dacht dan aan pret.
Vroolijk lachend en pratend kwam ons viertal aan het begin van den weg, waar deze zich met andere kruiste; vroeger stond hier een wegwijzer maar kwaadwilligen hadden hem vernield en de vier paden leken sprekend op elkander.
Een meisje van den leeftijd van Baudine en Laura, in grootte zoowat midden tusschen hen in, stond daar hulpeloos te kijken, links, rechts.
Zij zag er tamelijk gewoon uit in een rose, wat verschoten blouse met korten, grijzen rok, 't bruine haar hing los over haar schouders; haar fijn, donker gezichtje, ging bijna geheel schuil onder den grooten, zwarten hoed; zij droeg een kleine kodak en scheen haar weg heel kwijt te zijn.
Zoodra zij het groepje, dat het juist druk had over de nieuw-aankomelingen, en zich allerlei voorstellingen maakte over de "studente" in 't oog kreeg, kwam zij naar hen toe en vroeg met een verlegen, zacht stemmetje den weg naar "de Vergulde Kreeft".
"Daar moeten wij juist naar toe," zeide Laura, "wil u met ons mee loopen ?"

[5:]

"O ja, heel gaarne!"
"U logeert er toch niet?" vroeg Baudine.
"Wij zijn van middag aangekomen en ik ben toen in het bosch wat gaan kieken - maar ik ben zeker te ver gegaan want ik kon mijn weg niet meer vinden.
"Nu die is goed," riep Maddie op haar gewone onbekookte manier uit, "u is vlak bij de Kreeft, daar is het eind van het bosch al."
"Dan heb ik zeker rond geloopen."
"Blijft u hier in pension?
"Ja voor drie weken."
"Zoo, wij wisten niet dat u verwacht werd."
Het meisje zweeg; het liet haar zeker tamelijk koud of zij verwacht werd of niet, en begreep evenmin wat dit anderen kon schelen.
"Heeft u mooie kiekjes genomen?"
"Ja, van een arme vrouw met een hondenkar en dan van een open plek in't bosch met een grooten den in het midden."
"O zoo, dan is u er nog al ver in geweest."
"Ja, dat dacht ik ook wel."
Verder zeide zij niets, 't gesprek scheen maar niet te willen vlotten. Toen vroeg Ben op den man af:
"Waar woont u?"
"In Utrecht."
"Een saaie plaats."
"Och!"
"Is u daar op school?"
"J- ja!"
"Of is u op pensionaat."
"In welke klas zit u ?" vroeg Maddie.
"In de.... ik weet het niet."
"Is U op de H. B. S.?"
"Neen...."
't Kind werd hoe langer, hoe rooder.
"Op een particuliere dan?"
"Foei Maddie," berispte Laura", wees toch zoo

[6:]

nieuwsgierig niet. Je mag niet onbescheiden zijn."
"Nu ja, je moet toch wat zeggen om te praten." Er ontstond een oogenblik stilte, toen vroeg het nieuwe meisje op haar eigenaardig verlegen toon of er veel logés waren in de Kreeft.
"Nu veel.... wij brengen de veelte aan, daar heb je Ma en Ben, en Dorette en Maddie en ik en de twee kleintjes, dat zijn er...."
"Zeven," viel het meisje in.
"Pa en Daan en Gijs komen 's Zondags ook over, dat wil zeggen Zaterdag met den laatsten trein uit Amsterdam en Maandagmorgen gaan zij weer weg, dan heb je de beide dames Van Geel en mevrouw Bonten met de kleine kinderen en de juf dat is zoowat alles, maar nu komen er nog een mijnheer en zijn dochter, die studente is, daar zien wij erg tegen op, zoo'n geleerd mensch - want wij hebben een heel gezellig clubje. Hier mijn vriendin en dan nog een paar meisjes uit het dorp, verder mijn zuster en Baudine's nichtje - houdt u van tennissen...."
"Ik ken 't niet."
"En crocketten?"
"Ook niet."
"Fietst u?"
"Ik heb 't nooit gedaan."
"Hoe idioot!" liet Maddie zich ontvallen.
't Meisje plukte verlegen de blaadjes van het kreupelhout langs den weg en de galnoten van onder de eikenbladen, die zij op den grond wierp en al loopende trapte zij er op om het knappen te hooren; ondertusschen hield zij beschaamd over haar domheid het hoofd onder den kolossalen hoed diep gebogen.
"Maddie, Maddie," zeide Laura, "wat ben je toch ongemanierd, - 't Is niets erg hoor!" wendde zij zich tot het meisje, "dat u het niet kan, als u wil kunnen wij het u leeren en wij moeten maar dadelijk kennis maken. Zij heet Baudine Doreveld en ik heet

[7:]

Laura van Wegel en dat is mijn broer Ben en mijn zusje Maddie."
"Ik heet Idée Sonerius."
"Nu dan Idée, ik hoop dat wij goede vriendinnen zullen worden en 't mekaar prettig zullen maken in den tijd dat wij hier zijn."
"Ja, dat hoop ik ook," kwam er hakkelend uit maar in haar oogen en in de heele uitdrukking van haar gezicht las men duidelijk dat Laura's hartelijke woorden haar in de war brachten.
Zij stonden bij het achterhek van de Kreeft. Maddie, verlegen met haar houding was reeds het heele erf omgefietst en Ben stond te praten met een der knechten over zijn kar, waaraan iets gerepareerd moest worden, zoodat de drie groote meisjes alleen stonden. Besluiteloos keek Idée hen aan, zij wist niet of zij blijven dan wel gaan zou.
"Wil u met ons meegaan," zei Laura, het Amsterdamsche meisje, dat een benijdenswaardig gemak van zich te bewegen bezat - "ik ga mijn vriendin nog een eindje weg brengen naar het dorp."
"Neen, ik ga naar binnen, ik moet...."
Wat zij moest vernamen de vriendinnen niet; zij lieten haar gaan en nauwelijks was zij uit het gezicht of beiden begonnen haar oordeel over het meisje uit te spreken.
"Zij ziet er sjofel uit, een beetje burgerlijk," zei Baudine.
"Sjofeltjes wel maar burgerlijk niet," meende Laura.
"Zij heeft fijne polsen en mooie witte handen, als zij maar wat houding had en zoo'n onhebbelijken draak niet opzette, zou je zien, wat 'n aardig kind het was."
"Dom, dat wij niet vroegen of zij met een groote familie er is."
"Me dunkt wij hebben genoeg gevraagd en die flapuit van een Maddie.... ik erger mij over dat

[8:]

kind, zoo impertinent als zij er voor uit durft komen.
"Er wordt te veel om haar gelachen, zegt Ma."
"De broers vinden haar zoo leuk, maar ik vind er niets aan.
"Ik ben benieuwd wat we verder aan dat meisje zullen hebben; hoe heet ze ook? Zoo gek, Idée.
"Wat 'n vreemde naam, hé?"
"Er is iets in haar, of je nooit met haar op je gemak komt.
"Och, ze viel er zoo in en dan met die brutale Mad."
"We moeten het afwachten.
"Nu ja, maar wij loopen ze niet na, hoor! Als ze niet mee wil of kan doen dan laten wij ze er buiten en dan moet zij 't maar met de studente probeeren.
"Ze ziet er niet intelligent uit, vind je wel!"
"Ik heb niets van haar gezien dan haar paddestoel van een hoed."
"Nu dag! Ik kom anders te laat."
"Tot straks, hé!"
"Ja. op 't veld!"


inhoud | volgende pagina