Melati van Java: 'Een Kerstavond'
in: Miss Campbell en andere verhalen
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1924 (vierde druk)


III.

Op 't perron van het kleine stationsgebouw was alles in de weer; druk en verward werd er gesproken, geklaagd en gejammerd.
Zogeven was 't telegrafisch bericht van het naaste station gekomen, dat de trein niet ver van daar gederailleerd was; er werd om een hulplocomotief geseind. Verscheidene dooden en nog meer gekwetsten, luidde het korte telegram. ..
De stationschef redeneerde en de beambten redeneerden en allen hadden een kring om zich heen, die aandachtig luisterde en door luide jammerklachten aan hun medelijden, angst of belangstelling lucht gaf.
Als verpletterd stond de heer Bauer daar; een jongetje aan de ééne hand en met de andere zijn vrouw steunend, die reeds onderweg de schrikkelijke mare vernomen had.
Zij zeiden niets, wat zouden ze zeggen? Alles was nog onzeker; dood, verminking, wie kon raden welk lot hun lieve Antoinette had getroffen?
"En de jonge baron werd ook verwacht," mompelde men.
"Daar is niet veel aan verloren; hij leefde in onmin met zijn vader," werd er gefluisterd.
"Hij was zoo jong en knap."
Misschien was dit wel zijn lijkrede.
Opeens gingen de groepen op zij; de stationschef bracht militairement de hand aan de pet; een oogenblik heerschte er stilte.
De indrukwekkende gestalte van den baron was op 't perron verschenen.
Hij had zijn pelsjas om en sneeuw lag op zijn hoed en kleeren; hij had blijkbaar den weg te voet afgelegd.
"Is er al tijding?" vroeg hij kortaf.
"Verwacht U den luitenant?"
"Misschien," was 't barsch bescheid.
De baron ging, getrouw aan zijn gewoonte, op en neer. Even bleef hij staan toen hij de groep der Bauers zag, maar even slechts; een vraag verschroeide zijn lippen, maar hij sprak die niet uit.
Hij verwijderde zich en dacht:
"Wat heb ik gezegd? Liever dood dan... Ik blijf er bij maar mijn jongen, mijn mooie, knappe jongen!"


[69:]

 

En zijn geest ging terug naar de jaren te voren, toen ook op Kerstavond Siegfried voor 't eerst op vacantie kwam van de militaire Academie; wat zag zijn moeder er toen jong en gelukkig uit, en hij zoo bloeiend, zoo flink en nu lag hij misschien met verbrijzelde ledematen in de door zijn bloed gekleurde sneeuw.
"Liever dood dan neen, dan liever, liever... ." Hij zag de Bauers, hij hoorde het gesnik der moeder en duidelijk daartusschen:
"Antoinette, Antoinette. . . . "
"Laat ons naar huis gaan, Mina, 't helpt ons niets," zeide haar man, als men iets naders weet, dan zullen wij het thuis ook wel hooren."
"Neen, ik blijf; beter 't ergste dan die onzekerheid."
Een vreeselijke gedachte doorkliefde den geest van mijnheer den baron. Als dat meisje eens. . . . en zijn zoon gered. . .. Snel verwierp hij het denkbeeld en toen kwam er een andere, edeler gedachte: "Als ik moest kiezen: hem gezond en ongedeerd te zien en toestemmen of... ."
Hij gaf zich het antwoord niet; neen, hij wilde onwrikbaar blijven, maar onwillekeurig klampte hij zich aan een stroohalm vast: misschien is hij gered en dan, dan kan alles nog anders worden.
Daar kwam de telegrafist buiten, allen stormden naar hem toe.
Een eerste klas wagen verbrijzeld. Drie dooden, vijf gekwetsten, bovendien de machinist en de stoker, een conducteur; het had erger kunnen wezen." De baron zocht een steun. Geen twijfel meer, zijn zoon reisde eerste klasse. Hij was onder de verongelukten.
"Zou Antoinette in de tweede zijn? hoorde hij als in een verren nevel vragen.
"Is uw dochter er ook bij?" vroeg de baron toonloos en schor.
"Helaas," snikte Bauer, "onze oudste."
"Dan zijn zij samen den dood in."
"Waarom?" vroeg mevrouw zich oprichtend en nog fier in haar doodsangst. "Waarom? Denkt u dat ze samen reizen? Daarom zou mijn dochter nimmer toestemmen."
De baron boog het hoofd.
"Samen of niet samen! Dat is hun vereeniging geweest."
"Er is een extra-trein gesignaleerd; daarmee komen de geredden misschien aan," klonk het rondom.
Ademlooze stilte en spanning heerschte onder het volk; de meesten hadden de handen gevouwen en 't hart in gebed omhoog geheven. Een filosoof had spottend kunnen opmerken dat het bidden niet meer baatte, dat het nu toch te laat was; wat deerde het hun? Alleen van boven konden zij nog redding en troost verwachten.
Daar nadert de locomotief loom en lusteloos, eenige ouderwet


[70:]

sche, afgedankte in der haast bijeengeraapte wagons achter zich slepend.
Allen snellen naar de portieren; de baron blijft staan en naast hem is mevrouw Bauer op de knieën gezonken; hij heeft - hij weet zelf niet hoe of wanneer - haar hand in de zijne genomen en nog voor dat hij 't begrijpt, fluistert hij haar troostend toe:
"Moed, mevrouw, moed, wie weet!"
"Vader! moeder!"
Uit twee monden is die kreet gestegen, een flink officier heeft zich om den hals van den ouden baron geworpen en mevrouw Bauer rust aan het hart van een jonge dame.
"Gered, gered, O God zij dank!"
Wie heeft dit gezegt? Niemand weet het, maar allen herhalen het, allen, want niemand van hen, die op het perron wachtte, mist een geliefde.
Sprakeloos drukt de baron zijn zoon de hand.
"Stel mij aan juffrouw Bauer voor," vraagt hij.
Niemand vermoedt hoeveel dit woord den trotschen grijsaard kost, maar toen de angst op het hoogst was, heeft de baron in zich zelf een belofte gedaan en die belofte zal hij houden, hoe zwaar ze hem vallen moge.
Blozend en bevend laat Antoinette zich voorstellen en na een stijve buiging zegt de baron tot de familie Bauer:
"Tot morgen, als u mij ontvangen kan."
Een oogenblik later rijden vader en zoon weg; beiden zwijgen, de ontroering is te groot geweest.
"Vader ik dank u," fluistert Siegfried eindelijk.
"Vertel me alles wat er gebeurd is, alles," beveelt de vader.
"Zoo Antoinette niet op den trein geweest ware, zou u mij niet meer teruggezien hebben. Ik reisde eerste klasse tot Utrecht; daar kwam zij op het station, ik zag haar juist door de wachtkamer gaan om in een tweede klasse coupé te stijgen; er was nog maar plaats voor één. Ik drong naar binnen naast haar; zij was ontevreden op mij dat ik haar gevolgd was, want in afwachting van uw toestemming had zij alle betrekking met mij afgebroken. Ik kon haar niet aan het praten krijgen totdat het ongeluk ge beurde. Toen vader, toen bleek het dat de eerste klasse coupé, dien ik zooeven verlaten had, verbrijzeld was. Een van mijn reisgezellen bleef op de plaats dood; een ander zijn beide beenen... letterlijk afgezaagd."
De baron rilde, maar sprak geen woord. Hij voelde dat, zijn stem beven zou als hij haar liet hooren.
De groote vestibule van 't kasteel was wijd geopend en wierp een breed lichtvlak op de sneeuw van het voorplein; toen het rijtuig en het gerinke der belletjes van de paarden zich lieten hooren, was de barones, de breede trap afgesneld, en gevolgd door haar trouwe gezellin stond zij te wachten onder de poort. Verwilderd staarden haar aan, zoo scheen zij den waanzin nabij.


[71:]


Het rijtuig stond stil en zij voelde de armen van haar zoon om zich heen geslagen.
"Moeder, u heeft voor mij gebeden," fluisterde hij haar toe.
"In dezen heiligen nacht blijft geen moedergebed onverhoord."
"Ga naar binnen, Magaretha, wil je met alle geweld ziek worden?" drong de baron aan en wankelend aan den arm van haar zoon trad de barones in huis.
"Moeder, beef zoo niet; zegen liever het spoorwegongeluk, want...."
Verwonderd en glimlachend zag zij hem aan en juichte: "Glorie aan God in den hemel en vrede op aarde!"


vorige pagina | inhoud | volgende pagina