Melati van Java: 'Een Kerstavond'
in: Miss Campbell en andere verhalen
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1924 (vierde druk)


 

[63:] I.

 

Het was Kerstavond, de heilige avond, in 't bijzonder aan het huisgezin gewijd, misschien ter herinnering aan dat andere Huisgezin, waarvan men nu het gedachtenisfeest viert.
Dan is 't de terugkeer aan den huiselijken haard van de zoons, die door hun betrekking verre van huis verwijderd leven, dan komt de dochter, ook gedwongen voor haar brood te werken,zich voor een poos verkwikken aan den ouderlijken disch, of vertoonen de getrouwden hun kleinen aan grootvader en grootmoeder. Dan worden er oude veeten uitgewischt, oude herinneringen opgehaald, oude misschien losser geworden banden opnieuw toegestrikt. Buiten is het koud, winderig, besneeuwd, maar binnen des te warmer en gezelliger; men moet het immers den lieven reizigers zoo aangenaam mogelijk maken. Wat gaat die klok langzaam; hadden de blikken, op de wijzerplaat geworpen, de kracht snelheid aan de raderen te geven, hoe spoedig zouden de wijzers dan zeven uur aangeven, want klokke zeven komt de trein, waarmede de meeste verwachten zullen verschijnen.
"Wordt het niet langzamerhand tijd naar 't station te gaan, Wim?" vraagt mevrouw Bauer aan haar man. Ze verwachten hun oudste dochter, die gouvernante is; de moeder heeft juist de laatste hand gelegd aan haar lievelingsgerecht.
"'t Is nog een half uur en je weet, met zulke bijzondere dagen dan verlaat de trein zich gewoonlijk."
"Daarom had ik ook veel liever gehad dat Antoinette met een vroegeren trein was gekomen. Na dat laatste ongeluk... ."
"Kom, kom, altijd zorgen voor den tijd of liever voor een tijd, die nooit komen zal. Ik ga me klaarmaken."
"Pa, mag ik mee?"
"En ik, Pa?"
"Ik?"
Drie, vier kinderkopjes kruipen van onder de tafel, uit de gor

 

[64:]

 

dijnen, men weet niet van waar, en met hun groote verwonderde kijkers staren zij nu eens papa, dan mama aan.
"Natuurlijk, mee mogen er wel een paar, is 't zoo niet, mama, maar wie is nu de zoetste?"
"Ik, ik, ik."
"Nu, de zoetste blijft thuis; de stoutste gaat mee, want daar zal mama het meeste last mee hebben om ze stil te houden. Wie is nu het stoutste?"
"Ik, ik, ik."
"Neem Albert en Fransje mee, Willem," beslisde moeder.
"En Mientje en Keesje?"
"Voor Mientje is het te koud, Keesje is te klein en Suze moet me helpen met het souper."
Eindelijk is de zaak uit; mama heeft de twee jongetjes er warm ingestopt en het drietal verlaat het huis.
Mevrouw kijkt eens rond en glimlacht van voldoening; het ziet er hier opvallend prettig en gezellig uit, juist een kamer, waarvan men droomt in een kouden coupé met bevroren ruiten, die uren lang door een vlakke heide stoomt. De zware wollen gordijnen hangen neer, de tafel glinstert van zilver en glas; het haardvuur werpt flikkerende glanzen in 't porselein en de glimmende meubels. Het theewater kookt en een mollige causeuse is bij 't vuur geschoven.
Wat zullen Nettie's oogen straks glinsteren van pret en hoe zal zij uitroepen: "Oost, West, thuis best!"


| inhoud | volgende pagina