Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[93:]

EEN BRIEF.

“Ik behoef u niet te zeggen hoe innig blijde ik was kort na mijn aankomst zulk een goede conditie te vinden. Vebeeld u toch: F 150 's maands, vrije kost en inwoning voor een meisje met een opvoeding zoo gewoon en onbeduidend als de mijne. Hoe dikwijls denk ik, wat dit geld mij goed te pas zou gekomen zijn toen ik nog te Groenerode woonde met mijn onvergetelijken papa. Ik weet werkelijk niet wat ermeder mee te doen; toilet maakt men in Java's binnenlanden niet veel. Mevrouw verlangt wel, dat ik altijd netjes voor den dag kom, maar ik heb de moeielijke kunst geleerd met weinig meer te doen dan anderen
Ik ga dus sparen voor den ouden dag. Mijn plan voor de toekomst is vastgesteld: tot mijn veertigste jaar ga ik zeer zuinigjes sparen; tegen dien tijd heb ik een redelijk kapitaaltje opgegaard, van welks renten ik in Groenerode ga leven. Dan verslijt ik mijn tijd tusschen lectuur, schrijven en de armen bezoeken; misschien zet ik een schooltje op voor arme, verwaarloosde kinderen in een der benedenzalen van 't kasteel en zoo wacht ik bedaard 't oogenblik af, waarop papa en mama eindelijk medelijden hebben met hun Eugenie en haar bij zich roepen.
Wat ’n luchtkasteelen!” hoor ik u zeggen en ik zie u ‘t hoofd schudden over uw dwaze leerlinge, die heel andere ideeën in 't hoofd heeft dan andere meisjes; maar ik kan ‘t niet helpen. Mijn jeugd is ook zoo geheel anders geweest; ik heb, om eens dichterlijk te spreken, meer Maartsche

[94:]

buien dan zonnige dagen in mijn levenslente gehad, en nu heb ik zulk een raar idee fixe. Ik zou 't niemand toevertrouwen dan u. Sedert eenigen tijd verbeeld ik mij, dat ik een verkeerd bestaan leid, dat ik jongen moest zijn, dat ik geboren ben niet voor het kalme bestaan eener vrouw, maar om te strijden, te werken als een man. Geen grooter genot heb ik nu dan te rijden op 't prachtig paardje vanmijn oudste leerlinge. Welk een genot geeft mij dit, daar in 't gebergte rond te dolen, mij voor een oogenblik vrij en onafhankelijk te beschouwen, terwijl de blauwe hemel zich boven mij welft en de prachtige natuur zich aan mijn voeten ontrolt. O, dan droom ik van niets anders dan van een positie die ik veroveren, een bestaan dat ik door mijn pogingen verkrijgen moet; dan zou ik wel op de wijze van: “Si j'étais un petit oiseau,” willen zingen: “Si j'étais garçon.” Ik ben jongen in den geest, dat staat vast, en daarom hindert het mij steeds wanneer dan de zwakke natuur bovenkomt, wanneer ik als een wanhopige zonder reden ween, zooals op den eersten avond, dien ik alleen op mijn kamer doorbracht. Toen hadt gij eens den brief moeten lezen, dien ik in den geest aan u schreef. Die was, voor zoover ik me herinneren kan (want onder 't maken viel ik in slaap), en zóó dwaas, zóó overdreven in uitdrukkingen van smart, dat zelfs mijn stiefmoeder medelijden zou hebben gehad met de arme zwerfster. En medelijden wil ik niet opwekken; sympathie misechien. maar beklag nimmer.
“Nu ga ik u wat schrijven over X en zijn bewoners. Ik ben er drie weken en heb mijn oordeel gemaakt, dat misschien spoedig genoeg weer gewijzigd zal worden. X is een residentie van den tweeden of derden rang, wat u zeker wel zal weten. 't Is prachtig gelegen aan den voet van een hoogen berg, welks top dikwijls geheel in wolken is gehuld; de omstreken zijn echt Javaansch: een weelderige plantengroei, dichte bosschen, dessah's en kampongs in overvloed. De huizen der Europeanen zijn schaars in vergelijking met die der Chineezen. 't Mooiste is ontegenzeggelijk 't onze. Als ik de erfenis krijg van oom Piet, laat ik het park van Groenerode zoo aanleggen als deze tuin. (Nu ik toch van oom Piet spreek, moet ik u melden, dat die beleefde oom geen letter heeft geantwoord op den brief, waarin ik hem papa's dood meldde, noch op dien, welken ik hem van Batavia schreef. Oordeel nu over mijn kansen op de erfenis: de grootste waaghals zou geen wissel willen aannemen op mijn

[95:]

vermoedelijken rijkdom.) De inrichting van 't huis is geheel in evenredigheid met het park. Mijnheer Van Helden bemoeit zich met niets; mevrouw doet alles, maar ze doet het voorkomen of 't op bevel is van haren man. 't Is altijd: “Van Helden wil 't zoo,” “'t kan mij niet schelen als Van Helden 't maar goedvindt,” “hij heeft zijn eigen ideëën” en zoo meer; maar ik voor mij geloof, dat het louter uitvluchten zijn om zich een schijn van onderworpenheid te geven en om 't absolute van haar gezag een weinig te verzachten in 't oog van anderen.”
“De twee dochters beven voor haar: zij regeert ze met de oogen; maar de jongen daarentegen is haar tiran; zij aanbidt dat kind, een allerakeligst, dwingerig schepseltje, dat mij de eer en ook den last van zijn liefde gunt. Jegens mij is ze hoogst beleefd; maar ik zou willen, dat ze iets hartelijker, iets moederlijker was, dat ze mij niet zoo behandelde als een vreemde, die men betaalt en aan wie men niets anders verschuldigd is dan een goede, beleefde behandeling.
“Weer 't meisje dat bovenkomt,” zeg ik me zelve. “'t Is waar, ik wil me gewennen te leven zooals gij het zoo goed kunt: voor mij zelve, zonder mij te bekommeren of de wereld van me houdt. 't Zal moeilijk gaan; maar ik geloof, dat het 't beste is. Jammer. Ook dat zij, een volbloed Europeesche, zulk een innige afkeer heeft van alles, wat naar inlandsche kinderen zweemt. Dit grieft mij. Mijn moeder was een Indische, mijn grootmoeder een Javaansche en dus behoor ik tot de antipathies van mevrouw Van Helden. Zij zegt soms hatelijke dingen, en ik ben zoo dom ze op mij toe te passen. Maar veel doet ze geloof ik vergeven door hare schoonheid; schoon is zij, o zoo schoon! Zelden, om niet te zeggen nooit, zag ik zoo'n beauté; uren kan ik haar aanzien zonder dat die blik mij ooit vermoeit. Ze heeft zoo iets rustigs, zoo iets kalms, zelfs als ze toornig wordt. Ik geloof dat ze ongevoelig is. “Op ongevoelige wezens,” zegt een oud spreekwoord, “heeft de tijd geen vat.” Dit is zeker op mevrouw van toepassing: geen rimpel vertoont zich op haar gelaat, geen trek om haar mond, die van ondervonden lijden of zelfs zorgen getuigt. Ze is nog zoo frisch als een jong meisje, ofschoon haar oudste dochter reeds bijna vijftien jaar is, en daarbij gaat zij majestueus als een koningin. Soms doet ze mij denken aan u. Wanneer ze een brunette was, zou die gelijkenis zeker meer uitkomen. Ik heb dagen en

[96:]

dagen gestudeerd op hare trekken, niet wetende wie ze mij te binnenriepen. Eindelijk dacht ik aan u en ik geloof, dat ik het aan 't rechte eindje heb.”
“Mijnheer is leelijk en stil; nooit haast hoort men zijn stem, 't is of hij gebukt gaat onder de macht van zijn schoone vrouw. De meisjes zijn een weinig dom, vooral het oudste, maar goed en gewillig, vooral nu ik hun heel voorzichtig toon, dat ik toegevender ben dan de strenge mama.
Me dunkt dat zij den boog te sterk spant en die wel eens breken kon. Leentje, de jongste, is mijnheers lieveling; hij wil van haar een musicienne maken à tout prix. Geen dag gaat er om, of hij vraagt mij welke vorderingen zij maakt. Als ik u nu zeg, dat 't kind niet het minste gehoor en niet het minste pleizier heeft in de muziek, dan begrijpt gij welk een zware taak ik aan dat gedeelte van het onderwijs heb. Goddank! dat er geen kleine kinderen meer zijn. Charlie is nog te zwak om te leeren; Cato heeft reeds mooie toiletjes en bals in 't hoofd; Leentje bezit den meesten aanleg. Onbegrijpelijk dat een vrouw, zoo rijk begaafd als hun mama zulke onbeduidende kinderen heeft.
“Nog een woordje over het gezelschap van X en ik sluit dezen brief, die waarlijk reeds te lang wordt. Wij hebben hier een residents-, een dokters- en een ingenieursfamilie; een ongetrouwd onderwijzer, die privaatlessen geeft aan de zoontjes van den resident en met wien ik soms zeer prettig praat; eenige gepensioneerde ambtenaren, officieren, fabrikanten enz.; verder nog den regent, die een aardig jong vrouwtje heeft, van wie ik langzamerhand het Javaansch aanleer. Er woont een neef of zwager bij hem, die in Europa is geweest en die met den titel van Demang of prins wordt aangesproken. Hij spreekt goed Hollandsch en weet van alles mee te praten. 't Is anders een akelig ding, zoo’n Javaansch hof; de etiquette is streng en de menschen zijn erg bekrompen, sufferig zou ik haast zeggen. Daarbij heeft mevrouw een grooten afkeer, om niet te zeggen afschuw, van hen. Zij .gaat er nooit heen; de meisjes daarentegen, die over alles geheel andere opinies hebben dan zij, gaan liever om met de dochters van den regent, dan met hunne Hollandsche vriendinnen.
“Over 't algemeen zijn er hier sommige heele lieve menschen; maar personen, die boven anderen uitblinken en schitteren, vond ik niet. Mevrouw is de eerste in verstand, de eerste in schoonheid, de eerste in beschaving, dat is

[97:]

zeker; maar waarom voegt ze hier niet wat meer warmte, wat meer gevoel bij? Waarom is ze toch als een steenen beeld, een van die schoone classische beelden uit de oudheid, waaruit niets dan vorm, zuivere wonderschoone lichaamsvorm spreekt, doch geen ziel, geen leven? Als zij haar zoon in de armen houdt, is ze het schoonste; de uitdrukking die ik dan in haar oogen lees, is er anders nooit in op te merken: 't is iets zachts, iets teeders, als de morgendauw op de bloeiende roos. Maar spreekt ze tot hare dochters, spreekt ze tot haar man, spreekt ze tot mij of in een gezelschap, dan is alles weer koud, afgemeten, berekend. Ik wilde dat gij haar eens kondt zien, dat gij met uw fijn inzicht lezen kondt achter die prachtige oogen, om de sfinx (want ook daaraan doet ze mij denken) zijn raadsel te ontrooven.
“Ik zal het u ronduit bekennen, maar in de eerste maanden onzer kennismaking had ik dezelfde gedachten omtrent u. Gij scheent ook even koud, even gevoelloos als mevrouw Van Helden; maar er lag toch op uw gelaat iets, wat klaarblijkelijk bewees, dat gij niet van louter steen waart, doch bij mevrouw ik geloof dat de kennis van den grootsten gelaatkundige falen zou bij 't bestudeeren van hare trekken. Maar wat ben ik toch weer aan 't uitweiden; dat komt er van als men zijn hart laat spreken en zijn pen dwalen. Ik wandel in een doolhof rond, ik maak een omweg en kom op 't zelfde punt terug. Wat voor belang boezemt het u in, of mijn meesteres (papa moest het eens beleefd hebben, freule de Lody te hooren spreken van hare meesteres) mooi of leelijk, koud of vurig is. Enfin! ik heb geen lust al 't voorgaande uit te schrappen; ik zal maar doen als de student, die zijn ouders om geld vraagt en in een postcriptum er bijvoegt: Zoo pas uw brief met het geld ontvangen: gelief het bovenstaande als niet geschreven te beschouwen. Zoo doe ik het nu ook en hoop van harte, dat gij uw wenkbrauwen niet fronsen zult over al mijn dwaasheid.
“Voordat ik eindig! Uw laatste woorden hebben mij veel te denken gegeven. Toen gij ze zeidet, was ik àl te bedroefd om er iets naders over te vragen “Verstoot het geluk niet als 't tot u komt,” hebt gij gezegd. Schrijf me eens waaraan of ik zien kan, of het waarlijk geluk en geen schijngeluk is. Dit zal een der onderwerpen zijn van den brief, dien ik hoop binnenkort te ontvangen. Als ge iets weet van het

[98:]

comité of van 't Groenendamsche nieuws, schrijf het mij dan, en als ge voorbij het kerkhof gaat, vergeet papa’s graf ook niet. Ik heb haast, anders zou ik den gebiedenden vorm, dien men tevens als verzoekenden kan beschouwen, niet gebruiken.
“En nu eindig ik voorgoed; wees overtuigd van de dankbare herinnering, die altijd van u bewaart
E. DE L.”






vorige pagina | inhoud | volgende pagina