Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[66:]

JUFFROUW TANG

't Was een koude Januari-ochtend; alles zag even grauw de lucht, de met rijp bedekte grond, de huizen. Groenerode, dat in den laatsten zomer geheel wit was geschilderd op Eugenie's verlangen, die hierin een soort van verjeugdiging zag, was door ontbladerde boomen omringd en zag er uit als een leelijke, oude juffrouw, die haar sluier heeft afgeworpen en zich nu eenigszins opgeschikt vertoont, zonder echter de teekenen van verval, die zich overal laten zien, te kunnen uitwisschen. De Groenert was nog niet bevroren; twee kleine jongens speelden aan den oever en lieten hun klompje drijven zonder schijnbaar veel last te hebben van de kou die toch fel en onaangenaam genoeg was. Langzamerhand werd de lucht nog donkerder en de wind, die de ontbladerde hoornen deed beven, nog scherper en fijner. 't Meisje, dat in een schotschen doek gehuld, 't voetpad langs den Groenert volgde, scheen dit niet te merken: zij ging met samengedrukte lippen en strak voor zich uit gerichten blik voort, zoo snel als de wind, die haar vlak in 't gelaat blies, het toestond. 't Was Eugenie. Zij wandelde voort missehien zonder doel, misschien om haar voorhoofd, dat erg scheen te gloeien, aan den wind bloot te stellen of om een inwendige ontroering door snelle beweging meester te worden. Maar ’t weer werd ruwer en ruwer: kleine vlokjes sneeuw vielen voor hare voeten neer; langzamerhand begonnen ze in grooter getal te dwarrelen, de wind joeg ze tegen haar gelaat en weldra stond Eugenie midden in een sneeuwjacht. Op een honderdtal passen van daar, stond een arme visserschswoning; zij richtte zich daar heen, en kwam er juist aan, toen de

[67:]

vlokken zoo groot als eieren onstuimig neervielen. Zij wist, dat zich hier een zieke man bevond, wien ze dikwijls soep of iets verfrisschends bracht; 't waren dus geen onbekenden, die haar de deur openden. Met een soort van eerbied zelfs, dien de goede lieden voor de dochter van hun heer hadden behouden, liet de huisvrouw haar in 't voorvertrek zitten, waar een vuurtje brandde; het meisje groette vriendelijk en zette zich op een bankje neder: terwijl ze vroeg hoe het met den zieke ging; in een hoek van 't vertrek stond een fraai jachtgeweer; op tafel lag een haas en in de aangrenzende kamer hoorde zij een vreemde, beschaafde stem.
“Wie is daar?” vroeg zij.
“De goede heer van de sluis,” was 't antwoord der vrouw, terwijl zij een traan wegpinkte.
Eugenie ging naast de deur der ziekenkamer staan en luisterde; de stem, die gedempt klonk, sprak van onderwerping en geduldig verdragen lijden, van een leven, waar elke smart in vreugde, elke traan in een parel veranderd wordt.
Zij hoorde het en zuchtte en ging beschaamd een schrede achteruit, toen uit het donkere kamertje een gestalte naderkwam en in 't huisvertrek trad. Het was een heer in jachtcostuum gekleed, een Tyroler hoed op 't hoofd, een weitasch op zijde; een jong, elegant mensch, in wien Eugenie in 't eerste oogenblik geen bekende zag, maar toen hij zich naar haar keerde en verwonderd uitriep:
“Hé freule Eugenie!” begreep zij, dat het Hartwig was, die zijn langen baard geschoren en alleen zijn goed gevulden knevel behouden had en zich een nieuw jagercostuum moest aangeschaft hebben.
“Ik herkende u niet,” zeide zij glimlachend en stak hem haar hand toe.
“Dat wil ik gaarne gelooven: “we hebben elkaar ook in lang niet gezien.”
“Maar gij ziet er heel anders uit.”
“Haagsch?”
“Och, ik heb geen lust om gekheid te maken, ik ben zoo ongelukkig,” en zij beet in haar zakdoek om voor de boerin niet in tranen uit te barsten.
“Mietje,” zei Hartwig tot de boerin, “laat je man niet alleen; 't is lang niet goed met hem. Ik zou wat in zijn nabijheid blijven, en nu,” ging hij tot Eugenie voort, “verkrop uw smart niet. 't Verheugt u dus niet een moeder te krijgen?”

[68:]

“Weet ge dat al? Wat zegt ge van dat plan? Vindt ge het niet dwaas, bespottelijk dwaas? Hoe komt papa er aan?”
“Vergeet niet, Eugenie, dat ge over uw papa spreekt.”
“Neen, ik spreek alleen van dat plan, en die Dertange of liever Tang, die ik niet kan uit staan, in mama’s plaats komen, is dat niet verschrikkelijk? Heb ik dan niet altijd trouw op papa gepast? Heeft hij dan ooit reden tot klagen gehad? Voor hem zou ik alles gedaan hebben, maar nu roept hij zulk een vreemde in huis.”
“Zegt hij niet waarom?”
“Om zijn pensioen ten minste aan iemand te verzekeren, om mij niet geheel alleen te laten als hij sterft.”
“Dat is zeer verstandig.”
“Als hij mij ten minste raadpleegde in zijn keus, àls hij iemand nam die minder vervelend, minder geslepen, beter opgevoed was dan die Dertange. Ik mag er niet aan denken, met haar papa's liefde te moeten deelen.”
“Maar daar kan geen sprake zijn van liefde; uw papa neemt haar na rijp beraad omdat zij de eenige misschien is, die hem hebben wil.”
“Juist! En dat toont zij genoeg.”
“En zij is een meisje van goede familie. Haar vader was, meen ik bankier en liet haar een aardige rente na; dat zijn allen redenen, waardoor uw vader besloten heeft aan haar zijn toekomst; of liever de uwe toe te vertrouwen, want laat me u de waarheid zeggen, Eugenie, uw vader valt zeer af.”
“Dat weet ik.” snikte zij, “dat weet ik al te goed. Denkt ge dat ik niet schrikte, toen ik uit Den Haag komende, hem terugzag? Maar waarom zijn keus op haar laten vallen, als hij nog hertrouwen wil; of zoo'n oude vrijster, zoo'n vogelverschrikster!”
En zij glimlachte door hare tranen heen om dat woord.
Hartwig lachte ook toen hij antwoordde:
“Dat zijn allen uiterlijkheden, ruwheid van de schors, die misschien een zeer schoone kern verbergen. De hoofdzaak is deze: Heeft uw vader onherroepelijk besloten juffrouw Tang te trouwen?”
“Onherroepelijk! Ik heb alles gezegd wat eenig gewicht in de schaal kon leggen: ik heb gewerkt op papa's familietrots, op de schande, die zulk eene mésalliance op ons geslacht werpt en alles vergeefs. Ik heb gebeden, geweend... ”
“Gedreigd ongehoorzaam te zullen zijn, opstand te maken, hem te verlaten en wat nog meer!”

[69:]

“Gij hebt gelijk; ik heb dat alles gedaan. Papa werd boos en op al mijn tegenwerpingen antwoordde hij: “Ik wil ’t en 't zal gebeuren.”
“Dan blijft u niets anders over dan u te onderwerpen en zooveel mogelijk dit blijmoedig te doen.”
“Dat kan ik niet.”
“En gij moet het doen op gevaar af de dagen van uw vader te verkorten door 't gezicht van een onophoudelijken strijd, een onverdraaglijke tweedracht, die noodzakelijk moet ontstaan tusschen twee vrouwen, die geen van beiden iets willen toegeven.”
Eugenie antwoordde nIet: zij weende en snikte als moest haar hartje breken.
“Wie had dat kunnen denken, toen wij op dien Aprilavond zoo gelukkig waren, dat ik me nu zoo diep rampzalig zou gevoelen!”
“Zoo gaat het altijd, Eugenie! Als we op 't toppunt onzer wenschen zijn, dan is de dag der smart ook nabij,” hernam Hartwig.
“En zoo'n lasteraarster, die oorzaak is dat dat onze omgang afgebroken is,” begon zij weder.
“Laat mij niet rekenen in uw leven,” antwoordde hij kortaf en toen Eugenie plotseling naar zijn gelaat opzag, bemerkte zij weer de plooi op zijn voorhoofd, die ’t kenmerk scheen eener met geweld onderdrukte smart.
Voor 't eerst kwam een denkbeeld in haar geest op; hij stond niet voor haar als de door jaren gerijpte man, die berispingen en raad gaf, die handelde zooals haar vader het moest maar niet kon, als haar meester en raadgever, doch als een jongmensch, die haar broeder kon zijn of haar bruidegom, doch nooit haar vader. Die gedachte joeg een blos op hare wangen; zij wist niet vanwaar die ontgoocheling kwam en als zij niet zoo bedroefd ware geweest, had ze er om gelachen, hoe Hartwig zonder baard een geheel ander persoon in haar oog was dan de Hartwig van vroeger.
“In elk geval,” hervatte zij, “is die kwaadsprekendheid een teeken van haar slecht hart.”
“Och, men moet zoo streng niet zijn. 't Is een leelijke gewoonte, voortspruitende uit verveling, behoefte zich een belangrijke rol toe te eigenen, ware belangstelling wellicht, anders niets. Haar geheele leven zal juffrouw Tang verlangend hebben uitgezien naar den titel van echtgenoot, naar een eigen huis en haard en nu komt de gelegenheid om Hoogwelgeboren Vrouwe te worden; dat is meer dan zij

[70:]

ooit durfde hopen en daarvoor zal zij ongetwijfeld alles laten varen, wat aan hare vroegere positie doet denken.”
“En zoo'n schepsel zal ik moeten gehoorzamen?”
“Dat is niet noodig; zorg alleen, dat uw vader overtuigd blijft, goed gehandeld te hebben. Niets valt zoo zwaar dan op dien leeftijd zichzelf te moeten bekennen, een verkeerd pad te zijn ingeslagen en aan geen terugkeer meer te kunnen denken.”
“Waarom keert hij nu niet terug, nu het nog niet te laat is?”
“Dat zal hij niet doen. Zoodra iets vast in zijn wil besloten is, helpt er niets aan. Zegt de familie Gravenheerd er veel tegen?”
“De overste geeft papa gelijk.”
“Dan blijft u, zooals ik zooeven zeide, niets anders over, dan u te onderwerpen.”
“'t Is moeielijk, schrikkelijk moeielijk.”
“Maar 't loon zal die moeite waardig wezen. Geloof me, Eugenie, als uw vader niet meer is, zal dat uw zoetste, uw grootste troost zijn, in alles zijn wil te hebben gedaan, zijn laatste oogenblikken met een zacht licht van geruststelling en van hoop voor uwe toekomst omringd te hebben. Te kunnen denken, dat uw vader tot God is gegaan, met het zachte bewustzijn dat uw lot verzekerd is, dat hij vervangen is door een zorgvuldige vriendin.”
“Maar dit kan nimmer zoo zijn! Mocht papa sterven, dan blijf ik geen oogenblik bij De Tang; onmiddellijk verlaat ik 't kasteel, Om mijn brood, de Hemel weet waar, te verdienen.”
“Dat moet ge zelve weten; maar daarvan behoeft uw vader niets te vermoeden. Laat hem bedrogen zijn, laat hem in den waan verkeeren, dat hij goed gehandeld heeft. Dit zal hem gerustheid en kalmte geven en u de zoetste voldoening. Want ach! wat kan een kind meer wensr.hen dan de zekerheid, dat zijn ouders gelukkig waren door hem?”
“Dat was zeker met u het geval; slechts over een gevoel, dat men bij ondervinding kent, spreekt men met zoo'n warmte.”
Hij zweeg een oogenblik en antwoordde toen somber:
“Als ik met warmte spreek, dan komt dit zeker uit heimwee naar zulk een bewustzijn, want ik ben door mijn vader vervloekt.”
“O! mijn God! vervloekt. Dat is schrikkelijk, en hadt gij het dan verdiend?”
“Neen,” zeide hij met klem, “verdiend had ik het niet en dit is mijn eenige troost. Nu zal mijn vader wellicht weten,

[71:]

wien zijn vloek toekomt, en ofschoon nog altijd die last op mij drukt, twijfel ik niet of eens zal hij in zegen verkeeren.”
“God is rechtvaardig! En als gij onschuldig zijt, zal zeker eens uw onschuld uitkomen.”
“Dat is ten minste 't einde van alle kindersprookjes; de booswicht wordt gestraft, de onschuldige in zijn eer hersteld. Maar in de wereld gaat het niet toe als in 't rijk der verdichting. Schuldig of onschuldig, we moeten allen lijden en dit heeft hij voor, die zich niets te verwijten heeft, dat hij met opgericht voorhoofd alle beschuldigingen kan aanhooren en ze verachten.”
Hij stond op, nam zijn geweer op schouder, stak een kleine sigaar bij 't vuur aan en toen een buiging voor Eugenie makende, verliet hij de hut. De sneeuwjacht had opgehouden en de lucht begon helder te worden. ’t Meisje bleef nog een roos bij het bed van den zieken man praten en sloeg toen weer den weg naar 't kasteel in. Zij ging naar 't kabinet van haar vader. De majoor zat in zijn chambercloak gewikkeld, mager, bleek, hoestend, een schaduw van wat hij zelfs den vorigen winter was. Toen Eugenie binnentrad sloeg hij den matten blik op.
“Verstandiger geworden?” vroeg hij.
“O papa,” zeide Eugenie en hare tranen vloeiden weer, “ik heb niet goed gehandeld, niet zooals 't een dochter past. Vergeef mij! Ik zal uw besluit eerbiedigen, zooals u 't bepaalt zal het wel 't beste zijn.”
En zij knielde naast hem en richtte haar schoon voorhoofd naar hem op. Hij drukte daarop een kus, terwijl hij antwoordde:
“Ge zijt een goed kind, Eugenie! 't Is alleen voor u dat ik 't doe; ik kan u niet alleen laten in de groote wereld, zonder iemand, die u na verwant is, en anderen dan zij, zullen een ouden zieken man als ik niet willen hebben... Moogt gij vriendinnen worden.”
't Was een schoon gezicht, die vader en die dochter, in dat kleine kabinet, beschenen door een vluchtigen straal der winterzon. “Sneeuw en bloemen!” had Hartwig gezegd, toen hij vader en dochter eens naast elkander zag. Helaas! de sneeuw zou spoedig onder de stralen dier zon verdwijnen en de arme bloem, ach! zij zou nog lang door den wind heen en weer bewogen, op haar stengel wiegelen en haar geur misschien onnut verspreiden.





vorige pagina | inhoud | volgende pagina