Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[34:]

VERGULDE ARMOEDE.

Niettegenstaande de dikwijls herhaalde aanzoeken van den majoor kwam Hartwig geen avond op ’t kasteel doorbrengen; een enkelen keer kwam hij aanwippen en bleef even praten, maar zoodra er van een invitatie sprake was, had hij een voorwendsel tot bedanken gereed. De Lody echter ging dikwijls het bruggetje over; hij maakte zich zelven wijs, dat het was om met Hartwig te praten, maar Eugenie begreep zeer goed, dat de fijne sigaren en 't smakelijk glaasje wijn ook hunne aantrekkingskracht hadden. Overigens was Groenerode nu zoo goed als een woestijn: bezoeken kwamen er in 't geheel niet meer en veel ging men ook niet uit. Gelukkig dus dat de jonker in zijn buurman nog eenige afwisseling vond. Eugenie zat gewoonlijk in de boeken te studeeren, want 't huishouden, waarin tegenwoordig een
Eens ontmoette de Lody Hartwig op het voetpad, dat de beide woningen vereenigde. De majoor had die uitdrukking op 't gelaat, welke menschen, die gewoonlijk niets aan ’t hoofd hebben, aannemen, wanneer zij toevallig aan iets belangrijks denken.
“Mijnheer Hartwig,” zeide hij op geheimzinnigen toon, “ik moet u spreken.”
“Geheel tot uw bevelen, majoor!”
“'t Blijft een geheim.”
“Zooals u wil.”
“Ik moet u spreken over Eugenie, over hare toekomst. Ik ben een man van den dag; met een kogel in den rug leeft

[35:]

men niet lang, en als ik mocht komen te vallen, dan is mijn kind alleen op de wereld, geheel alleen...”
De aandoening belette hem voort te gaan.
“'t Is een hard idée, mijnheer Hartwig, zijn kind zonder eenigen steun achter te laten. 't Is waar, er leeft nog een broer van mijn overleden vrouw, maar die is in de Oost, een oude weduwnaar - en dit onder vier oogen, we zijn niet wel met elkander. Wat moet er dus van haar worden? We zijn niet arm met zulk een goed als Groenerode, maar zij kan toch niet van 't kasteel leven; zij kan er niet eens alleen blijven wonen. Wat nu te doen? Zij is verstandig, o mijnheer, 't is zoo'n slim ding. Ze wil absoluut - ik ben er erg op tegen - haar examen doen. “Papa,” zegt ze, “'t geeft me zoo'n zekerheid en zoo'n steun; wat er ook gebeure, ik sta dan niet onverzorgd. Als ik mij zelve help, zal God mij ook verder helpen.” Mooi gezegd, vindt u niet? En ik wilde er niets van hooren.”
“Ik zou niet weten waarom!”
“Maar, mijnheer Hartwig, denk eens aan: freule de Lody zich blootstellen aan de goed- of afkeuring van een commissie? 't Zou onzen stand onwaardig zijn.”
“Echte adel vindt niets beneden zich dan wat slecht en laag is. Zich tegen een onzekere toekomst wapenen is eervol en verstandig.”
“Gij denkt er over als Eugenie; daarom heb ik dan ook eindelijk mijne toestemming gegeven. Zij heeft zich tot over de ooren in de studie begraven, 't lieve kind, maar ik vrees dat 't niet gaan zal. Ik zou haar een meester willen geven, maar in Groenendam zijn ze dun gezaaid; daarbij zou 't spoedig de stad door zijn, wat ik liefst niet had.”
“Als u er niets op tegen heeft, zou ik gaarne gedurende een paar uren per week met de freule eenige vakken nazien.”
“Waarlijk? Gij voorkomt mijn wenschen, mijnheer Hartwig! Wat zou u ons daarmee een pleizier doen, en wat ’t geld...”
"Ik doe 't om de eer, majoor! 't Zal mij een groote voldoening wezen, als ik de freule behulpzaam kan zijn om haar doel te bereiken.”
“'t Is dus afgesproken? Wat ben ik u toch dankbaar; nu ga ik Eugenie over de uren raadplegen en alles is in orde.”
Vol bewondering over zijn eigene diplomatie, zocht de majoor zijn dochter op.

[36:]

“Vivat Eugenie!” riep hij haar toe: “ge kunt nu naar hartelust studeeren zonder bang te zijn voor druipen. Ik heb een meester gevonden. Raad eens wien?”
“Mijnheer Hartwig.”
“Dat is te vlug! Wat zeg je er van?”
“Voor niets?”
“Dat spreekt.”'
“We zullen te veel verplichting aan hem krijgen, vrees ik. Overigens geloof ik, dat wij niet den rijke tegenover hem behoeven te spelen; hij doorziet onzen toestand geheel.”
“Verbeelding, Eugenie!”
“Och papa, wanneer zal u dan toch eindelijk eens gelooven, dat wij vrouwen veel meer doorzicht hebben dan de mannen?”
“Mijnheer Hartwig is geen vrouw.”
“Maar hij is toch een fijn opmerker.”
Tweemaal in de week kwam Hartwig voor een paar uur op 't kasteel. De majoor droeg angstig zorg, dat geen twee lesuren op denzelfden tijd vielen, zoo vreesde hij, dat iemand achter de verschrikkelijke misdaad zou komen, dat zijn Eugenie voor haar examen studeerde. Wat het meisje vermoedde was inderdaad zóó: Hartwig was reeds geheel op de hoogte van hun beklagenswaardige positie. Zij vreesde; dat hij haar vader belachelijk zou vinden met zijn manie van adel en stand, waarboven hij geheel verheven scheen, maar hij beklaagde den majoor te veel dan dat hij hem zou veroordeelen. Zijn oordeel over personen en zaken was altijd zoo kort en beslist en toch zoo waar, dat Eugenie soms verwonderd was over die groote mate van menschenkennis en fijne opmerking. Geen vak, waarin hij niet thuis was; weinig talen, die hij niet meester werd, zoodra hij ’t verkoos; hoe langer Eugenie hem kende, hoe raadselachtiger hij haar voorkwam. 't Scheen, dat hij een ijzeren wil, een levendig gevoel van onafhankelijkheid had, gepaard bij iets, dat meer dan talent moest zijn. Wanneer hij haar een enkelen keer iets te vertalen gaf uit zijn nog onvoltooid werk, de kenschetsing van een land of volk, wist ze niet wat meer te bewonderen, dien diepen blik, dat juiste oordeel of die eigenaardige, schilderachtige wijze van het te zeggen.
“Mooi,” zei dan de majoor, die 't Fransch slecht verstond, maar des te oplettender luisterde naar Eugenies vertaling, “mooi, prachtig mooi, waar haal je het toch vandaan, Hart

[37:]

wig? Vergeet niet, als 't voltooid is, mij boven op de rij inteekenaars te zetten.”
“Ik zal 't aan u opdragen,” antwoordde Hartwig lachend; “dunkt u niet, freule, dat het deftig zou staan “dédié à Mr. le chevalier de Lody de Groenerode!”
“Jongens ja! Ik zou de opdracht gaarne aannemen. Maar gij zult toch wel nadere bloedverwanten hebben of vrienden?”
“Niemand, die er om geeft. Maar we verpraten onzen tijd, freule.”
Zoo veranderde hij altijd van gesprek, wanneer men van zijn familie of verleden sprak. Wat was de reden, die hem, zóó rijk begaafd, zóó vol wilskracht en ijver, had gescheiden van de wereld op een leeftijd, waarin anderen in den vollen strijd des levens zijn om zich den schitterende positie en eervollen naam te verwerven? Nooit kwam een woord, in de haast of onvoorzichtig uitgesproken, een tipje van dien sluier oplichten; lang duurde het ook voor Eugenie ’t had kunnen uitmaken, of hij bij zijn kennis en geest voegde, wat onontbeerlijk is voor de harmonie van 't karakter: hart en gevoel.
Hij was altijd 't zelfde: beleefd, opgeruimd, en toch steeds zekeren afstand behoudend, die de familiariteit van den majoor van zich hield; doch toen de winter verder kwam en zij gelegenheid had hem nader te kennen, begon zij te begrijpen, dat er achter dat onverschillig koele voorkomen een groote diepte van gevoel huisde, een hart, dat vreeselijk moest geleden hebben. Zij raadde 't meer dan zij het bespeurde, want in al die maanden liet hij zich evenmin als voorheen iets ontvallen wat op hem zeI ven betrekking had, en alleen zoo 't onder het les geven te pas kwam, ontwikkelde hij nu en dan zijne eigene denkbeelden.
Eugenie kende hij spoedig door en door; hij gevoelde sympathie voor 't levendige meisje met hare vurige genegenheid en liefdevolle trouw voor haren vader, op wien zij al het overwicht had van 't gezond verstand, de kennis en 't juiste oordeel.
Hartwig glimlachte over de wijze, waarop zij geheel tegen haar eigen overtuiging alleen uit liefde voor hem, zijn ijdelheid vleide en hem hielp de openbare meening te bedriegen of bewonderde haar in stilte wanneer zij zelve droog brood at, om hem een stukje vleesch meer te geven. Die kleine opofferingen moesten wel voortkomen uit een sterk gemoed, uit een echt vrouwelijk hart, dat alléén leven wil voor het voorwerp

[38:]

zijner liefde. Ook zij was trotsch, maar haar trots had niets van de dwaze denkbeelden haars vaders; zij schatte den adel van haar naam gering, daar deze niets aanbracht dan moeielijke verplichtingen; maar er was een andere adel, waarover de jonker geen duidelijke begrippen scheen te hebben: de adel van haar eigen hart, hare eigenwaarde, en dit gaf haar een fierheid, welke veel meer dan die haars vaders een waarborg was voor alles wat onedel en tegen hun stand kon zijn.
“Majoor,” zei Hartwig eens, “ik kom u een dienst vragen.”
“Met alle genoegen, beste vriend,” antwoordde de majoor, misschien wel met een weinig kloppend hart; want van de twintig diensten, welke hij kon vragen, zou de majoor er wellicht nog geen drie kunnen bewijzen.
“Ik heb een klein harmonium gekocht, en nu heb ik...”
“Geen geld om te betalen,” dacht de Lody en werd doodsbleek.
“Geen plaats om het in mijn museum te zetten, tenzij ik de piano een andere plaats geef; maar dit verandert de moeielijkheid niet. In mijn huis is geen opene ruimte meer, doch Groenerode is zoo groot; heeft u bijgeval ook een plaatsje voor 't stuk?”
“Wat denk je er van, Eugenie? In de wapenzaal of anders in de kleine spreekkamer zou 't stuk wel kunnen staan. U weet, 't is tegen mijn zin: ik houd niet van piano's, maar voor u heb ik alles over.”
Eugenie lachte en bloosde; een piano in huis, dat was immers hare liefste illusie; zij kon niet veinzen als haar vader, zij kon den schijn niet aannemen of zij een dienst bewees, wanneer zij zeker wist er een te ontvangen; te gelijk gevoelde zij zich verheugd en vernederd en wist niet welk van de beide gevoelens het sterkste was.
Den eersten keer den besten, dat zij alleen was met Hartwig, besloot ze hem haar gevoelens te zeggen.
“Mijnheer,” zeide zij, “ge zijt wel goed voor ons, die gij nauwelijks kent; maar daar gij toch zoo goed weet wat het ware is van onze vergulde armoede, begrijpt u dat we nimmer iets terug kunnen geven tenzij,” voegde zij er lachend bij, “ik de erfgename word van oom Piet.”
“Maar freule, u is 't die mij een dienst bewijst!”
“Och, mijnheer Hartwig, dat kan u papa wijs maken, maar mij niet: ik weet waarom u de piano van kant zet. Waarlijk, 't is te veel vriendelijkheid.”

[39:]

“Wel, dat is zoo erg niet, mijn kamer is overladen met muziekinstrumenten en u heeft groote behoefte aan een piano; zoo zijn we beiden geholpen.”
“Maar die lessen dan?”
“Freule, laat mij uw gedachten raden; 't stuit u tegen de borst iets verschuldigd te zijn aan een vreemdeling, zonder naam, zonder familie, die even goed een avonturier kan zijn, als een paria der maatschappij.”
Er lag iets sombers in zijn wezen en tusschen de wenkbrauwen ontstond een plooi, die Eugenie er nog nooit te voren had opgemerkt.
“Vergeef mij, mijnheer Hartwig,” antwoordde zij, “maar gij raadt vandaag heel slecht mijn gedachten. Ik verlang geen diensten te ontvangen, onverschillig van wie, zelfs niet van den koning, indien ik niet het bewustzijn had ze of verdiend te hebben of te kunnen vergelden.”
“Welnu freule, denkt gij dat ik niet voor die kleinigheid beloond word?”
“O ja, door de gewone belooning, die aan weldaden is verbonden, een zoete voldoening.”
“Meer nog: 't bewustzijn, dat ik een achtenswaardig man als uw vader te gemoet kom in zijn eergevoel en dat ik een dame in hare studiën help, die mij onophoudelijk herinnert aan een innig geliefde zuster.”
Eugenie gevoelde zich overwonnen.
“O,” zeide zij met tranen in de stem, “gij weet niet hoe hard het is arm te zijn en een stand te moeten houden; onophoudelijk te moeten strijden tusschen wat de honger zegt en de eer vraagt.”
“Er is zooveel hards te verduren in 't leven, zooveel te strijden en te lijden; maar alles wat de lieve God ons zendt, is immers goed?”
“Goed, kan 't zijn, maar te zwaar ook.”
“Te zwaar niet, wanneer liefde ons helpt dragen.”
“Neen, dan valt het lijden juist zwaarder: als we een bemind persoon er onder zien gebukt gaan; wanneer wij alleen zijn, drukt de last lichter, veel lichter.”
“Zoudt ge dat denken?” vroeg hij en zijn hoofd zonk op zijn handen. Ongetwijfeld moest hij gedrukt zijn door een zware smart.
“Ik geloof, dat gij bij ondervinding spreekt,” hernam zij deelnemend. Hij richtte het hoofd op en zag haar glimlachend aan.

[40:]

“Och freule, dat zeggen de menschen zeker ook; maar u weet, men houdt van iets romanesks. Een kluizenaar aan een beek, dat zou al heel droog klinken, wanneer hij daar nu zoo geheel ter wille der studie leefde, zonder veel te hebben ondervonden en geleden.”
Ze zwegen een poos. Eugenie begon:
“Ik had u al lang over iets willen spreken, u iets toevertrouwen, maar ik heb 't lang uitgesteld. Ik zou zoo gaarne geld willen verdienen.”
“Dat durft gij uw papa niet te zeggen.”
“Neen, daarom zeg ik 't u; gouvernante worden mag ik niet, zoo lang papa leeft; lessen geven kan ik, in Groenendam vooral, niet; daarom heb ik gedacht aan iets, dat te gelijk winstgevend en bon-ton is. Ik zou gaarne als schrijfster willen optreden.”
“Schrijfster gij! Och lieve freule, weet ge dan niet, dat dit iets heel anders is dim gouvernante of secondante te worden? Zijt ge niet bang voor de schrikkelijke schaar der critiek, die niets zal eerbiedigen van 't geen u lief en waard is, die zich van uw gedachten meester maakt, ze niet begrijpt en er misschien mee spot? En dan, als gij dapper genoeg zijt dit alles te trotseeren, zijt ge niet bang voor 't ergste? Geringschatting en medelijden? Geloof mij, niet ieder schrijft, die wil.”
“Ik weet het en duizendmaal ben ik er voor teruggeschrikt, maar ik doe 't niet voor roem en eer, alleen om mijn armen papa nu en dan een weinig behulpzaam te zijn, hem een kleine versnapering te bezorgen. Zie eens,” zeide zij en haalde een dik cahier voor den dag, “in de vervelende uren, die ik hier doorbreng, heb ik de bladeren van dit boek beschreven; 't zijn schetsjes van Java, kleine opstellen. ik durf niet zeggen novellen, losse gedachten, versjes; ik weet niet of zij waarde hebben, misschien is 't kinderwerk, maar ik vertrouw op uw oordeel, en als 't noodig mocht zijn, op uw hulp.”
“Ziet ge welk een genoegen gij mij geeft? Terwijl 't buiten sneeuwt en hagelt, gunt gij mij den geur van frissche lentebloemen, madelieven en veldviooltjes.”
“Of paardebloemen.”
“Dat zullen we zien, en mocht het blijken dat zij het licht waard zijn, wees dan verzekerd dat ik hun peetvader zal worden met evenveel genoegen als ik aan mijn reuzenwerk besteed.”

[41:]

“Belóóf mij, dat gij oprecht zult zijn.”
“Vreest gij niet dat ikhet aI te erg zal zijn!”
“Neen, ik ben op 't hardste oordeel van u voorbereid.”
“Des te beter. Geen talent mogen wij verwaarloozen, en zoo gij waren aanleg hebt, zou ik de eerste zijn om u tot moed en volharding aan te sporen.”
“Maar laat het een geheim blijven voor papa!”
“Natuurlijk; op mijn discretie kunt gij evenveel rekenen als op mijn oprechtheid.”

[42:]

Er zijn van die zonnige dagen in 't menschelijke leven; dagen, die louter uit lichte draden aaneengeweven schijnen en die lang daarna, wanneer schaduwen duisternis de zonnestralen hebben verdreven, ons nog als lichtpunten in 't verschiet toe blinken: dagen, waarop de eene verrassing de andere, 't eene onverwachte geluk de gehoopte blijdschap volgt, 't lang vergeefs gewachte eindelijk verschijnt, en alles ons te gelijk wil schadeloos stellen voor vele teleurstellingen.
Weinig zijn die dagen in getal en licht te tellen; maar daarom juist blijft hunne herinnering ons jaren daarna nog versch en frisch in 't geheugen.
Zulk een dag kwam voor den jonker en de freule van Groenerode in 't laatst der April-maand. De majoor wandelde ongeduldig op en neer in de kleine laan van reeds groene lindeboomen, die een halven kring om ’t kasteel vormden en 't dadelijk iets schilderachtigs gaven.
Het was hem aan te zien, dat hij op iets wachtte: nu eens haalde hij zijn horloge uit, dan weer ging hij naar de poort, en van zijne hand een kap vóor de oogen makende, staarde hij naar den grooten weg. Eindelijk ging hij ’t park door, naar het huis van Hartwig, waar deze in den tuin stond te werken.
“Begrijp je dat, Hartwig? 't Is nu half zes en nog geen telegram!”
“'t Kan nog komen, majoor; misschien is de zaak nog niet beslist.“
“Ik ben zoo bang; hoelaat komt de trein aan?”

[43:]

“Om halfzeven.”
“Misschien komt ze daarmee. Ik ga naar 't station. Gaat ge mee?”
“Neen, ik zal wat bloemen in de kamer schikken ter harer eere.”
“Ach, ach! gij spreekt er van of ge zeker waart van den goeden afloop. O, als 't eens niet zoo was.”
“Wees niet ongerust, majoor, en vertrouw op mij. De freule komt er door of anders wonen wij niet bij Groenendam.”
“Mocht het zoo zijn, maar ware 't zoo niet, dan was ik diep, diep ongelukkig. Wat een teleurstelling zou ’t wezen!”
“Vrees daar niet voor!”
“Nu! mijnheer Hartwig, tot straks.”
De majoor trok zijn beste uniform aan en wandelde langzaam naar 't Groenendamsche station. Dit lag een weinig buiten de stad en bestond slechts uit een klein gebouw, met nog eenige kleinere er om heen. De wachtzaal 1e en 2e kl. was leeg; de buffetjuffrouw zat te breien voor haar met glazen, flesschen en gebakjes bedekt buffet. De majoor vroeg een kopje thee, nam een courant, die op 't tafeltje lag, en trachtte te lezen, maar zijn gedachten waren ver van daar bij Eugenie. Op eens werd de deur geopend en een schitterende verschijning trad binnen. Het was mevrouw Venners met hare twee jongste kinderen; zij droeg een allerliefst toilet; daar 't nu het seizoen was der jonge vruchten, had zij den boord der muts gegarneerd met frissche aardbeien en jonge snijboontjes. Een microscopisch hoedje boven het mutsje geplaatst, maakte het moeielijk te onderscheiden waar ’t eene begon en 't andere eindigde. De majoor stond op en groette; zij sloeg de oogen neer en maakte een diepe buiging.
“Liefjes,” zeide ze tot de kleinen, “blijft nu bij mama en gaat niet op het pardon spelen; ik beef altijd als die trein aankomt.”
“Daar heeft u wel reden voor, mevrouw,” antwoordde de majoor, die de laatste woorden als aan zich gericht beschouwde. “Niets ijzingwekkender dan de dood door een spoortrein.”
“Nietwaar, mijnheer de Lody? Ik zeg dit altijd tegen mijnheer; maar ach, hij luistert er niet naar; hij springt er uit als de trein nog panterterre voortgaat.”
“Een slechte gewoonte, mevrouw!... Heb ik niet het genoegen gehad u meer te spreken?”

[44:]

“Om u te dienen, mijnheer. Ik had eens de voor onze kommetee op uw kasteel te komen.”
“'t Is waar ook! Ik herkende u onmiddellijk. En hoe gaat het met uw geacht gezelschap, waarin ik steeds ’t grootste belang stel?”
“Hartelijk dank voor uw vriendelijke vraag, mijnheer de Lody. We hebben geen andere reden tot klagen dan dat wij mejuffrouw de freule nog niet op onze vergaderingen hebben gezien.”
“'t Speet haar wel; niets te kunnen bijdragen tot bloei van deze schoone vereeniging; maar zij is nog niet goed gewend aan 't klimaat en waagt het niet's winters buiten te loopen. Zij heeft het daarbij druk...”
Daar had de goede majoor zich versproken; hij vergat dat het heele examen een geheim was en moest blijven. Maar de voorkomende mevrouw Venners voltooide den volzin.
“Met hare studies? Ja, dat begrijp ik; u komt haar zeker afhalen. 't Zijn moeilijke dagen geweest en zoo ik hoop is zij toch geslaagd?”
De jonker zag verbaasd op; dat had hij niet gedacht; ieder zou reeds weten wat hij zoo zorgvuldig verborgen hield?
Doch nu koos hij de beste partij.
“Ik weet nog niets zekers, maar ik twijfel niet of mijn dochter zal met glans de proef doorstaan. Ik ben zeer in mijn schik, dat zij zich niet schaamt dit te beproeven: kennis is nooit vernederend.”
“O, mijnheer de Lody, wie twijfelt er aan! Mejuffrouw de freule doet het zeker om de eer; wij echter, als wij onze kinderen een examen laten doen, is 't om meer plastische redenen.”
“U zegt, mevrouw?”
“Dat we meer om het nut geven dan om de eer; ik herhaal 't altijd tegen mijn dochter - zij is in Maart twaalf geworden - kind, je weet niet wat er gebeurt, een examen is nooit verloren, wie weet hoe 't eens te pas komt.”
“Daar heeft u groot gelijk in, mevrouw. Verwacht u iemand met dezen trein?”
“Zeker; ik verwacht mijnheer, die voor zaken naar Amsterdam is. Hij is een week weg geweest, en 't schijnt me toe of 't reeds een jaar was; maar dat ik er juist nu aan denk. Kent gij bijgeval ook zekeren majoor Gravenheerd uit de Oost?”
“Jan Gravenheerd? Of ik hem ken, mijn ouden wapenmakker van Boni en Bali.”

[45:]

“Hoe toevallig! 't Doet me recht pleizier dat te hooren. Ziet u, hij is de broeder van mijn mans... toch niet; ik zal 't korter zeggen: de vrouw van wijlen mijn zwager Venners, wàs getrouwd; neen, dat niet was de zuster van majoor Gravenheerd. We kennen mekaar goed. We waren zooveelals broeder en zuster; nu is de majoor gepensioneerd als overste.”
De Lody beet op zijn knevel.
“Hij moet een lief zwartje getrouwd hebben; kent u haar ook?”
“Zeker, een engel van een vrouw.”
“Dat doet me pleizier. En is ze erg zwart, met zoo'n kroeskop, en dikke lippen?”
“Welneen, mevrouw; hoe komt u op dat idee?”
“Och, ik; heb laatst in Den Haag zoo'n zwarten knecht zien loopen en ik dacht dat ze er in de Oost allemaal zoo uitzagen.”
De majoor glimlachte medelijdend en vroeg of zijn vriend er aan dacht naar Holland te komen.
“Daarover schreef hij juist; hij hoopte dat Groenendam een prettig, goedkoop plaatsje zou wezen Ze zijn toch niet allemaal even rijk die Oosterschen. Hij vroeg of wij in den eersten tijd geen losies hadden. 't Is waar, ons huis is niet groot, maar ik denk altijd: in hun land zijn ze zooveel gastvrijheid gewoon: daarom moet het hun niet tegenvallen in den vreemde. Ik heb dus geschreven dat ze welkom zouden zijn.”
“Wel wel! wat doet me dat pleizier. Gravenheerd in Groenendam! Dat geeft een alleraangenaamste conversatie. Als u hem schrijft, vergeet dan niet de complimenten van mij over te brengen en hem te zeggen, dat Groenendam...”
Daar piepte in de verte de naderende locomotief. De majoor sprong op en vloog zoo snel als zijn niet meer sterke beenen het toelieten naar het perron. Sissend en snorrend kwamen de vurige oogen van het monster naderbij; ademloos staarde de vader het aan, en toch, in dat oogenblik, dacht hij niet enkel aan 't examen; de ijdelheid kwam weer bovendrijven. Wat zou mevrouw Venners zeggen als zij freule Eugenie de Lody uit een tweede-klasse-waggon zag stappen?
De trein stond stil; het was in 't stadje veemarkt geweest, zoodat 't perron spoedig vol boeren en vee stond. De Lody zag nog rond; plotseling voelde hij twee armen om zijn hals geslagen: Eugenie was naast hem.

[46:]

Ach papa, papa,” zuchtte zij. “ik ben gedropen, schandelijk gedropen.”
“Maar kind...” en hij zag haar in 't gelaat, dat echter van vreugde schitterde; “'t is niet waar, Eugenie, ik geloof 't niet.”
“Och papa, ik ben zoo ongelukkig.”
“Heks, maak nu geen fratsen. Ben je er door of niet.”
“Er door papa, flink er door, zonder genade of gunst.”
“Braaf zoo; wat een pak is dat van mijn hart.”
“Och freule, wat ben ik blij de eerste te mogen zijn, die u komt feliciteeren. Van harte freule, nu weet ik dadelijk, wat ik aan Gravenheerd te schrijven heb.
Eugenie nam de felicitatiën van mevrouw Venners en ook van mijnheer aan met een heel lief air, dat aan een koningin deed denken, die de haar verschuldigde hulde ontvangt, en toen papa's arm nemende, maakte zij een vriendelijke buiging en verwijderde zich met hem.
“Maar kind, zou het niet te ver zijn van hier naar Groenerode? Zal ik een rijtuig nemen?”
“Wel neen, pa! Ik heb u nog veel te vertellen, o zoo veel, en we hebben prachtigen maneschijn, mein Liebchen was willst du noch mehr?”
“Wat zal Hartwig tevreden zijn.”
“Niet tevredener dan u en ik. Kom pa, laat ons niet zoo vlug gaan. We hebben geen haast.”
Hartwig had intusschen de zaal verlicht met talrijke waskaarsen, die hij in de sedert jaren ledige luchters plaatste, bouquetten in vazen op den schoorsteenmantel gestoken en de tafel in een der hoeken door de meid tot een feestdisch doen gereedmaken. Op een der schotels lag onder een ruiker geurige viooltjes een prachtwerkje in een groen en vergulden band. Toen alles gereed was, wandelde hij den weg naar de stad op; spoedig ontmoette hij vader en dochter.
“Felicitatie of condoleantie?” vroeg hij lachend uit de verte.
“Felicitatie natuurlijk!” riep de majoor.
“Wat heb ik u meer dan duizendmaal verzekerd? Ziet ge wel, dat ik 't wist? Nu freule, moge dit succes nog door vele andere gevolgd worden,” en hij drukte hartelijk de hem aangeboden hand.
“Wat ben ik u dankbaar,” zeide Eugenie bewogen.
“Waarvoor? Och, ge moest eens weten hoe weinig lessen helpen als de grond goed gelegd is.”

[47:]

“O neen, ik heb het in deze dagen ondervonden: zonder uw hulp ware ik niet geslaagd.”
Men kwam aan de poort en Hartwig nam afscheid. De majoor zag hem boos aan.
“Wat beteekent dat nu? Weigert gij van avond zelfs een glaasje wijn te drinken op Eugenies gezondheid? Dat noem ik onbeleefd.”
“U is in den strijd geweest, u moet ook bij de overwinning zijn,” zeide Eugenie en Hartwig liet zich overhalen.
“O, wat is onze zaal mooi,” riep het meisje verbaasd uit toen ze er binnen trad; “papaatje, ik wist niet dat ons uilennest er nog zoo vroolijk kon uitzien. Heeft u dat zoo verlicht? Nu begin ik mij met mijn stamslot te verzoenen. Wat dunkt u er van, mijnheer Hartwig?”
Hartwig antwoordde schertsend, dat het hem eveneens, ging en dacht dat de zonnige glimlach der jonge freule meer licht langs de sombere muren wierp dan al die kaarsen. Zij wierp hoed en mantel af en ging naar 't tafeltje. De majoor zag haar met voldoening aan; zij zag er ook allerliefst uit in het onlangs voor de groote gelegenheid zorgvuldig gekeerde gele kleedje met blauwe linten, terwijl het dikke haar heur breed voorhoofd door een krans van vlechten versierde, verhoogd als haar frisch gelaat was door den blos van vreugde, die er op lag. Nu bloosde zij nog sterker, nu haar oog op het boekje vieI en zij het snel opende; hare handen beefden; op de eerste bladzijde lagen eenige bankbiljetten en toen ze verder bladerde herkende zij hare eigene gedachten, hare eigene woorden. Hartwig volgde met gespannen aandacht elk harer bewegingen.
“Papa,” riep ze plotseling, “heeft u gezien wat mijnheer Hartwig mij gegeven heeft?”
“Neen kind, wat is 't? Een verzenboekje?”
“Och papa, kijk eens! 't Is zeker een voorsmaak van 't groote werk, dat wij nog te wachten hebben. Een present-exemplaar van den schrijver zeker. Och, wat ziet het er lief uit!”
En zij zag hem schalk aan terwijl zij het boekje aan haar vader overreikte, maar fluks de biljetten in haar zak liet glijden.
“De eersteling van mijnheer Hartwig,” zeide de majoor; “daar ben ik toch nieuwsgierig naar. Mijn bril, Eugenie!”
“Nu niet lezen, papa, nu niet! Straks zal ik wel wat voorlezen. Nu u dat boek niet gezien heeft, geloof ik toch

[48:]

dat onze wapenzaal zijn schoon voorkomen aan iemand anders te danken heeft.”
“En laat ons nu niet langer wachten,” sprak Hartwig, “de freule zal toch wel een weinig voedsel niet versmaden; waar de geest zooveel geniet, mag 't lichaam niet vergeten worden.”
“Ja, ja, dat spreekt! Kom Eugenie; mijn dappere meid, aan tafel en dan op verteld.”
Dit behoefde hij Eugenie niet te zeggen, want zij was zoo opgewonden en vroolijk; minder nog door de eerste vreugde dan door die andere, welke zij verborgen hield. De majoor dronk menig glaasje wijn, zonder te vragen uit welken kelder die flesschen kwamen en misschien, inwendig zeer verwonderd; dat er nooit een einde scheen te komen aan den voorraad.
Bij 't dessert stelde Hartwig een dronk op Eugenie, waarna de majoor zijn glas omhoog hief en luid riep:
“Op onzen goeden Hartwig, dat zijn liefste wenschen vervuld worden!”
Eugenie schrikte, toen zij de uitdrukking van zijn gelaat zag. Hij was bleek geworden en zijn trekken werden door een smartelijk gevoel pijnlijk samengetrokken; maar dadelijk nam hij zijn gewonen toon weer aan en antwoordde:
“AI geloof ik niet wat gij hoopt, zoo wil ik ten minste gaarne op de vervulling drinken.”
“Waarom zoudt gij niet hopen? Nu ik mijn stoutste verwachting vervuld zie, twijfel ik aan niets meer!” riep Eugenie.
“En nu zal ik papa wat voorlezen, nietwaar?”
“Goed, kind! Ik ben erg nieuwsgierig.”
Eugenie begon te lezen, maar hare stem beefde zóó, dat zij na de eerste woorden het boekje aan Hartwig overreikte met verzoek iets uit te kiezen. Hij nam een kleine beschrijving van een Javaansch volksfeest.
“Flink,” zei de majoor, “flink! dat heb je goed afgezien, Hartwig.”
Toen kwam de beurt aan een heel gevoelig stukje, dat den reeds opgewonden majoor de tranen over de wangen deed rollen.
Eugenie zelve voelde zich getroffen; zij kon bij het hooren van Hartwigs gevoelvolle stem niet begrijpen, dat hij iets las van haar; zoo mooi wist ze toch niet, dat zij kon schrijven. Neen, dat zij zooveel talent bezat, had zij nooit gedacht.
“Hartwig, ge zijt een meester met de pen,” riep de Lody opgetogen; “zoo mooi heb ik nog nooit iets gehoord.”

[49:]

Hartwig lachte hartelijk en zag Eugenie, aan; deze was nu eens rood, dan weer bleek.
Plotseling begon zij luid te lachen, ofschoon hare oogen van tranen overliepen.
“Wat is er, kind? Wat scheelt u?“ vroeg de bezorgde vader.
“O papa,” hernam het jonge meisje, terwijl ze zich om zijn hals wierp, “vindt gij dat werkelijk zoo mooi?”
“Zeker kind, 't is prachtig.”
“En vindt ge dat mijnheer Hartwig talent heeft?”
“Maar Eugenie, wat een vraag?”
“En wat zal papa dan zeggen, als hij hoort dat zijn ondeugend dochtertje zijn naam heeft geleend en zij dat alles heeft geschreven?”
“Eugenie, maar wat beteekent dat?”
“Gelooft u mij niet? En toch is 't zoo, vraag 't mijnheer Hartwig maar.”
“Zeker,” zeide deze, “ik ben daar geheel onschuldig aan; 't is de freule, die niet alleen als gediplomeerde onderwijzeres, maar ook als schrijfster kan optreden.”
“En dus onafhankelijk is en niets te maken heeft met alle mogelijke vooroordeelen, die zij in 't gevolg van haar titel draagt,” en zij legde de biljetten op de tafel.
“O kind, wat een geluk op één dag!” was alles wat de goede majoor in de eerste oogenblikken zeggen kon. Hij nam het boekje in de hand, bezag 't van alle kanten, bladerde het door en zijn dochter aan zijn zijde trekkend, drukte hij haar tegen zijn borst en noemde haar den troost zijns levens, de vreugde zijner oogen, de kroon zijner oude dagen. Toen nam hij de hand van Hartwig en knelde die in de zijne tot brekens toe.
“En vertel mij nu eens de geschiedenis van al die wonderlijke intriges,” zeide hij.
Eugenie begon en Hartwig eindigde; het was een strijd tusschen uitgevers, dien hij met de levendigste kleuren schetste, maar wat hij verzweeg, was dat het werkje geheel op zijn kosten gedrukt was en het honorarium uit zijn beurs kwam.
Tien uren was 't toen hij in zijn museum terugkwam. Ofschoon slechts een licht van de kroonlamp opgestoken was, zag 't er vrij wat gezelliger uit dan in de opgesmukte wapenzaal. Hij sloot de deur achter zich en zette zich op zijn schrijfstoel neer.

[50:]

“Alleen,” zeide hij zacht, “altijd alleen! Jaren komen, jaren gaan heen en altijd blijft de kamer eenzaam, altijd de haard verlaten. O, als ik ware geweest wat ik had moeten zijn! Lid in de Kamer, Gouverneur der provincie, misschien Minister... dan had ook de vader zijn stoutse wenschen vervuld gezien. Maar nu, wat ben ik meer dan een zwerver, een paria?”
En met een bitteren trek om .de lippen wierp hij boek en pennen van zich af en ging snel de kamer op en neer.




vorige pagina | inhoud | volgende pagina