Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[249:]

ANDERHALF JAAR LATER.

Een deftig huis in de Javastraat van 's Gravenhage. De gang is van marmer, de trap versierd met bevallige beelden, het plafond met keurig snijwerk voorzien. In de kamers wedijveren de groote spiegels, de kostbare vazen, de schilderijen en tapijten met elkander om een indruk te geven van ongewonen luister en glans. Nergens echter vindt men alles in zulk een beperkte ruimte verzameld als in een salon der eerste verdieping, dat op. den schoonen tuin uitzicht biedt, door een sierlijke veranda, waar een jong meisje zit te werken. Zij is met een bevalligheid gekleed, die geheel in overeenstemming is met de pracht der woning; op haar hoofd prijkt een menigte haar, dat te overvloedig schijnt, om geen vermoedens tegen de echtheid daarvan op te wekken, maar dat toch niet alles goed kan maken, wat haar gelaat aan schoonheid en geest mist. Een grote plant met neerhangende takken verbergt haar voor 't oog der twee personen, die zich in 't salon bevinden: een dame in half liggende houding op de canapé gezeten en een heer,
't Is doodstil in het huis, elke stap wordt door de dikke tapijten gesmoord; geen levend wezen, dat een luidruchtig bewijs van zijn aanwezigheid geeft, de bedienden spreken fluisterend, de meesters niets. De dood is in dit weelderige huis gedaald, de rouw ligt over al dien glans, en 't is toch maar een kind, dat er uit verdwenen is. Niets anders is leeg gebleven, dan de kleine plaats door hem ingenomen; maar wie de liefde kent van mevrouw Van Helden

[250:]

voor haar Charlie, begrijpt welk een vreeselijken slag zijn dood haar heeft toegebracht.
Een week is verloopen sedert een ziekte van slechts weinige dagen hem kwam wegrukken en al dien tijd is mevrouw even kalm, even bedaard geweest; maar men zag het haar aan, dat elke minuut haar ouder maakte, dat die nog altijd even jonge boom een knak had ontvangen, welke hem weldra schoonheId en levenskracht zou ontnemen.
Al er iemand is om haar te condoleeren en haar te spreken over de lieftalligheid van 't beminde kind, ligt mevrouw als wezenloos op de canapé: zij zegt niets, geen traan welt uit hare oogen, geen zucht ontglipt hare borst.
“Een sterke reactie moet te voorschijn worden geroepen, anders vrees ik voor haar leven,” had de dokter gezegd en op die woorden hadden haar man en Leentje (Cato was op Java toch met Scheller getrouwd) alles tot dat doel aangewend. Vergeefs!
Sedert acht maanden was de familie uit Java terug; kort daarop keerden ook Ferner en Melanie voor de gezondheid der laatste in veel betere geldelijke omstandigheden en slechts voor korten tijd naar 't vaderland weder, ook Melanie beproefde alles bij hare zuster doch met hetzelfde gevolg.
Man en vrouw waren alleen: luide sprak in Van Helden thans de stem des gewetens. De vreeselijke moord, waarvoor? een ander boette, trad nu vooral in de dagen van ramspoed en verdriet levendig in zijn geest op... Na de edelmoedige wijze, waarop Hartwig zijn bekentenis had beantwoord, maakte hij zich diets, dat hij nu zijn plicht had gedaan, dat het thans Wolfgangs eigen schuld was, wanneer hij zich ongelukkig voelde. Maar er zijn oogenblikken, waarop 't geweten luider spreekt dan alle drogredenen, en zulke had Gerard eenige uren te voren doorleefd. hij zette zich naast Fanny neer:
“Ik heb vergeten,” begon hij met bevende stem, “U mede te deelen, wat ik reeds eenigen tijd voor Charlies dood in de courant heb gelezen. Onze familie is vermeerderd, uw broeder is een kind rijker geworden; zijn vrouw is van een zoon bevallen.”
Mevrouw Van Helden richtte zich een weinig op; in haar oogen flikkerde een flauwe glans.
“Een zoon, Eugenie de Lody een zoon! terwijl ik den mijne heb verloren! Wat heb ik gedaan om dien zegen te verliezen? Op mijn familie rust toch geen vloek?”

[251:]

“Fanny,” vroeg Van Helden en zijn stem klonk langzaam en plechtig, “zijt gij sterk om datgene te hooren, wat ik u moet zeggen?”
“Ik ben sterk tot alles, dat hebt gij gezien toen ik 't liefste, wat ik bezat, verloor.”
“'t Is iets verschrikkelijks. Ik verzoek u reeds bij voorbaat, wees niet te streng.”
“Zeg op dan, niets deert mij meer.”
“Welnu Fanny! Uw broeder is onschuldig, ik weet den moordenaar.”
“Gerard!”
“lk ben ’t Fanny.”
Een angstige kreet ontsnapte haar borst; Leentje maakte een beweging om toe te snellen, maar zij bedacht zich en bleef achter het loof verscholen.
“Raak me niet aan,” gilde zij, “ellendeling! Zooveel jaren ben ik verbonden geweest aan een moordenaar! Weg, weg! Bewijzen!”
“Fanny, wees niet strenger dan hij, die onschuldig moest lijden; wend u niet van mij af! Gij weet niet, wat gij voor mij waart, hoe ik u hartstochtelijk heb liefgehad, hoe juist die liefde mij misdadig heeft gemaakt. O Fanny, ik vraag geen vergeving van u, maar ik smeek u, verlaat mij niet, laat mij uw slaaf wezen, laat mij u volgen naar een land, waar men ons niet kent, want spoedig zal alles bekend zijn. Ik heb 't gerecht reeds in kennis gesteld.”
“De schande der openbaarheid dus nog op ons hoofd! ’t Is te veel, Van Helden, gij maakt mij krankzinnig. Ja, nu zegen ik 't oogenblik, waarop ik mijn Charlie in zijn kistje legde. Wat ware anders zijn lot geweest? Schande, niets dan schande! Van Helden, zeg dat het niet waar is, zeg dat de smart u doet dwalen. Ik zal u gelooven.”
“O Fanny, kon ik het doen, ik zou u niet ongelukkiger maken, maar mag ik nu langer dulden, dat Wolfgangs zoon bevlekt worde met de schande, die mij toekomt, nadat hij edelmoedig alle schuld vrijwillig op zich heeft genomen.”
“Vrijwillig?”
“Ja, toen hij op Java reisde, heb ik hem geschreven hoe ik de eigenlijke schuldige was, hoe 't spel mij tot een wanhopige maatregel had gedwongen en ik mijn lot in zijn hand legde. Hij maakte van de bekentenis geen gebruik. Na dien tijd sluimerde mijn geweten in, tot het oogenblik, waarop mij bekend werd dat hij een zoon bezat en ik den mijne moest verliezen.”

[252:]

“En waarom zijn zoovele jaren verloopen, zonder dat ik iets vermoedde? Zie mij niet aan, uw blik doet mij ineenkrimpen van schaamte. Wolfgang was voor mij een voorwerp van afschuw, maar gij zijt het nog meer, snoode bedrieger! Ik heb hem bemind, maar u niet! Nooit koesterde ik iets meer voor u dan onverschilligheid en minachting, daar gij u voor mij kromdet als een slaaf!”
“Fanny! Vertrap mij niet meer! Elke straf, die het gerecht mij komt opleggen, zal mij dankbaar vinden. Niets kan vergeleken worden met de martelingen van mijn geweten; alléén uw toorn verplettert mij, Fanny...”
“Noem mijn naam niet! Alles is verbroken tusschen ons. Beantwoord mijn vraag! Waarom maakte Wolfgang geen gebruik van uw bekentenis?”
“Uit liefde tot u.”
“Tot mij? Hij liefde gevoelen voor mij?”
“Lees dezen brief, de copie van den zijne, dien ik naar 't gerecht heb gestuurd.”
Fanny las:

“Gerard! Gij hebt het lot uwer vrouw en kinderen in mijne handen gelegd. Hoe moeielijk het ook is eindelijk de rechtvaardiging in de hand te hebben en die dan van zich te verwijderen 't is mij niet geoorloofd zelf 't ongeluk en de schande mijner zuster te veroorzaken. Uw misdaad zou haar met smaad overladen; ik ben die sedert jaren gewoon, niemand mist mij in den kring van familie en vrienden; gerust kan ik dus mijn eigen geluk aan het hare ten offer brengen. Wat u betreft, er is een Andere, die den moord op u wreekt; aan dien Straffer zijt gij overgeleverd, al hult ook evenals te voren het diepste geheim uw schanddaad. Ik hoop slechts in een andere plaats, waar menschelijke rechtvaardigheid niet bestaat, het recht te ontvangen, dat mij toekomt.
Uw brief is vernietigd, zoodat van uw bekentenis niets,anders overblijft dan de herinnering.
W.

Fanny hield zich aan de tafel vast; haar oogen staarden strak op het papier. Wat gevoelde zij zich nu vernederd, diep vernederd voor den miskenden broeder, dien zij verstooten, bij zijn vader belasterd, zoo dikwijls verloochend had; hoe klein was zij niet tegenover hem, die alle beleedigingen had gewroken door een .daad van verhevene zelfopoffering. Af

[253:]

schuw maakte zich van haar meester tegen den man, die van alles oorzaak was, die haar en ook haar broeder had rampzalig gemaakt. En zij droeg zijn naam, hij was de vader harer kinderen! Dat was te veel. Zonder een kreet te slaken, zakte zij gevoelloos in elkaar; verschrikt tilde Gerard haar op, hij schelde en toen een kamenier verscheen, wankelde hij de kamer uit. In de gang ontmoette hij Leentje, die langs de trap der veranda door het achterhuis naar binnen was geslopen.
“Papa,” zeide zijn kind, “ik heb alles gehoord.”
Van Helden verbleekte, als het ten minste mogelijk was nog witter te worden dan hij reeds was; voor zijn lieveling stond hij dus ook als schuldige.
“Noch u, noch mama schijnt te denken aan mijn toekomst die geheel vernield is door uw schande.”
“O Leentje, spaar uw vader!”
“Ik moet er aan denken mij zelve te sparen; mijn naam is weg. Nimmer zal ik meer kunnen denken aan een fatsoenlijk huwelijk, ten minste in Holland. Men zal u gevangennemen, een proces tegen u voeren, u veroordeelen en mijn naam zal geschandvlekt zijn in Holland en Indië.”
“Ik weet het, kind; maar 't wordt tijd, dat ik uw armen oom, zijn vrouw en hun kind verlos van een schandvlek, die hun niet toekomt. Gij zijt rijk, Leentje, en...”
“Wat beteekent rijkdom met een bevlekte reputatie? Er is een middel, om mij niet tot het rampzaligste wezen te maken. Laat ons vluchten!”
“Vluchten?”
“Ja, onmiddellijk! Naar Amerika vluchten met al het geld dat wij kunnen meenemen.”
“En mama?”
“Mama geeft niets om mij; u zal zij niet meer kunnen zien en oom Ferner is hier om hare zaken te regelen. U is ’t aan mij verschuldigd, papa, door een snelle vlucht het gerecht te ontloopen... U ontvlucht de straf en degene, wiens onschuld u wil redden, wordt toch vrijgesproken.”
“Gij hebt gelijk, we mogen geen tijd verliezen; laat ons alles wat we vinden bij elkaar zoeken.”
Leentjes egoïsme was de plank, waaraan de arme schipbreukeling zich vastklampte; de moed door openbare straf zijn misdrijf te boeten, ontbrak hem. Hij was blijde een voorwendsel te vinden, waardoor hij aan alles kon ontkomen.
Een half uur later verlieten vader en dochter het huis.
Wandelaars kwamen voorbij de schoone woning.

[254:]

“Hoe heerlijk als men zoo'n rijke suikerlord is en in zoo'n paleis woont.”
“Ja, dat geloof ik, geld is tegenwoordig alles.”
Een vigelante hield voor de deur stil: de officier van justitie en de commissaris van politie stegen er uit. Zij vonden mijnheer gevlucht en mevrouw aan hevige zenuwtoevallen lijdende.

In een kamer van 't kasteel Groenerode zat mevrouw Hartwig van Senne voor de porte brisée, die half door een purperen gordijn bedekt was; aan hare zijde stond een wiegje, waarin een kleine jongen gerust lag te sluimeren. Over het terras dwaalden hare blikken naar buiten, waar de korenvelden in vollen bloei stonden en de hooiwagens hoog opgevuld huiswaarts keerden, Soms richtte haar oog zich dieper in de kamer, waar in een hoog ledekant een zieke lag, wiens onregelmatige ademhaling een onrustigen slaap verried.
Eugenie had in haar echt alleen de voldoening gevonden, die zij zocht: het geluk uit te maken van een bemind persoon; anders was het leven na haar huwelijk rijk aan doornen geweest. De voorname vrienden, behalve mevrouw Ansma, hadden haar den rug toegekeerd zoodra zij van Sennes naam tot den hare had gemaakt. Alphonse van Holtberg was met Mina de Vogel gehuwd en liet geen gelegenheid voorbijgaan zonder te schimpen op de al te romaneske freule, die een moordenaar wilde rehabiliteeren. 't Liet haar alles koud: zij lachte er om en zoo Wolfgangs gezondheid niet zoo wisselvallig ware geweest, had zij hierover weinig verdriet gehad.
Toch brandde het geheim haar honderdmalen op de lippen; 't kostte haar moeite tegenover al diegenen, welke haar echtgenoot verachtten, niet zijn verdediging op te nemen door den naam van den eigenlijken schuldige te noemen. Een jaar hadden zij in 't Zuiden van Europa doorgebracht; dat was een gelukkige tijd geweest, ver van den lof of blaam der menschen. Maar zijn gezondheid werd niet beter.
“Laat ons naar huis gaan, dierbare vrouw,” zeide hij, “overal kan de dood of de genezing komen, dus liever at home.”
Zij keerden weder, en kort daarna werd Eugenie moeder van een zoon. Hoe dikwijls had Hartwig hen benijd, wien dat geluk ten deel viel, maar nu kon hij zich niet daarover verheugen.
“Arm kind,” zuchtte hij, “had ik dan wel het recht een

[255:]

schandvlek op uw leven te drukken? Ik heb gefaald, door het geluk te zoeken, waar het voor mij niet te vinden was.”
Hij werd zwakker en zwakker en kon zijn legerstede niet meer verlaten. Eugenie week niet van zijn zijde; elke egoistische gedachte verjagend, gevoelde zij zich verheugd ten minste het recht te hebben, zijn laatste dagen te omringen met alles, waarmede liefde en trouw 't lijden kan verzachten. Haar kind schreide en zij tilde het in haar armen op.
“Eugenie!” zeide Wolfgangs zwakke stem; zij naderde met den kleine 't bed.
“Wat is er, beste vriend?” vroeg zij.
“Is 't mooi weer buiten?”
“O, 't is zulk een heerlijke zomeravond.”
“Ja, ik zie 't, de zon gaat onder, Eugenie; ook mijn zon daalt...”
“Zeg dat niet, Wolfgang! Ach God! Ik mag er niet aan denken. Kan er na zooveel stormen dan slechts zulk kort geluk voor u weggelegd zijn?”
Hij streek met zijn hand langs heur haren en zag teeder naar den kleinen knaap op haar schoot,
“Wat is ons kind schoon, Eugenie!”
“Hij zal op u gelijken, Wolfgang.”
“Helaas! Ook zijns vaders naam en schande zal zijn deel wezen. Doch dit troost mij: als de vader hem nog in 't wiegje verlaat en zijn opvoeding geheel het werk zijner moeder wordt, dan zal 't nieuwe geslacht de beschuldiging vergeten, waaraan het knaapje onschuldig is.”
“Laat die gedachten varen; bekommeren we ons niet om 't oordeel der menschen, dat op dwalingen berust.”
“Gij hebt gelijk, Eugenie, nu vooral, nu ik het groote, alleen rechtvaardige oordeel tegemoet ga.”
Het rollen van wielen op de voorplaats deed zich hooren.
“De dokter,” zei Eugenie, “zijn komst doet me altijd vreezen en hopen.”
In het spreekkamertje beneden zat mevrouw De Lody met hare vriendin juffrouw Trappel, die tot nu toe alle jonge en krachtvolle menschen overleefde, Nadat mevrouws stiefdochter in geen hooge kringen meer verkeerde, was ook voor haar de conversatie met den adel afgebroken, en onwillekeurig was ze tot haar oude vriendinnen teruggekeerd. 't Dames-comité was nu in twee deelen gesplitst, waarvan ’t eene onder Anna Van Boer een weinig meer' tot het burgerlijke afdaalde, doch vol kracht was, terwijI 't andere, bestuurd

[256:]

door juffrouw Trappel, een langzamen maar zekeren dood te gemoet ging. Mevrouw de douairière behoorde sedert jaren tot geen van beiden meer.
Beide dames dronken een kopje koffie; mevrouw De Lody klaagde zuchtend haar nood over hare dochter, die aan de oppassing van haar man tijd en gezondheid opofferde, en vond het zoo jammer, dat men zulke leelijke dingen, die misschien niet eens grond van waarheid bevatten, over hem vertelde. Juffrouw Trappel beaamde dit ten volle; zij wist het fijne van de zaak wel niet, maar het rijtuig, dat 't hek binnenreed, onderbrak hare woorden. Het was een open calêche; achter reed de burgemeester met een vreemde dame, voor hen zat een onbekende heer.
“Mijn hemel! De burgemeester, wat komt hij nu doen?” riep Mevrouw De Lody.
In al dien tijd hadden de Holtbergs zelfs niet door vragen naar Hartwigs toestand blijken van belangstelling gegeven; alleen mevrouw Ansma kwam nu en dan buiten weten harer ouders, haar vriendin bezoeken, wie zij zoowel als haar man.
nog altijd de oude genegenheid toedroeg.
“Zouden ze niet komen om de gerechtszaak?” fluisterde juffrouw Trappel.
“Och Heer, en hij ligt bijna op sterven.”
Een bediende leidde het gezelschap in de spreekkamer; mevrouw ging den burgemeester te gemoet.
Het gelaat der beide heeren was ernstig en deftig; de jonge dame zag bleek en soms heel rood; zij scheen zelfs zenuwachtig te zijn.
“Is de heer Van Senne te spreken?” vroeg de burgemeester met een gelaat, dat genoeg aanduidde hoe gewichtig zijn boodschap was.
“Ik geloof het niet, mijnheer Van Holtberg! Mijn schoonzoon is zeer zwak.”
“O, 't is te laat!” riep de dame in luide snikken losbarstend. “Ferry, we komen niet meer intijds.”
“Bedaard, Melanie-lief, bedaard! En zouden wij mevrouw dan kunnen ontmoeten?”
“Ik zal 't eens vragen.”
“Mag ik dan meegaan?” bad Melanie. “Ik verlang zoo hem te zien.”
“Een oogenblik nog, lieve! Hij moet voorbereid wezen.”
Mevrouw De Lody ging het vertrek uit en wenkte juffrouw Trappel haar te volgen, zoodat het drietal alléén bleef. Een

[257:]

oogenblik later trad Eugenie binnen, verwonderd over 't onverwacht bezoek.
“Mijn zuster!” snikte Melanie en viel haar om den hals, “Mijn dierbare zuster!”
Ferner trad nader, Holtberg hield zich op een afstand,
“Wij komen een schuld van eer voldoen,” zeide de eerste, “wij komen een einde maken aan de verdenking, die altijd op onzen broeder heeft gerust; hem vergeving vragen en voor zoo ver 't mogelijk is, alles goedmaken, wat hij jaren lang door de misdaad van een ander heeft geleden.”
Met een hartverscheurenden glimlach staarde mevrouw Van Senne hen aan.
“Dat kan niet meer,” zeide zij, “de slag is haast gevallen, de smart heeft hem doen bezwijken.”
De burgemeester beet op zijn knevel, niet wetende wat te zeggen.
“Mevrouw,” zeide hij eindelijk, “hij heeft vreselijk moeten lijden en wij kunnen u slechts bewonderen over de liefde welke u heeft bewogen te stappen over het oordeel der wereld. Wij hebben gedwaald in den beste onzer vrienden en deze herinnering zal steeds een der bitterste zijn van mijn leven.”
“O Eugenie, hoe kan ik u danken voor uwe liefde jegens mijn broeder. Gij hebt hem alles vergoed wat hij van zijn familie moest lijden. Breng mij nu bij hem, ik wil hem niet meer verlaten.”
“Laat het aan mij over, hem die tijding te brengen, maar zeg me eerst wat ik zeggen moet over de eindelijke ontdekking van 't onrecht.”
Ferner verhaalde haar alles, en toen hij geëindigd had, stond zij op en verzocht de anderen haar te volgen naar een kamer naast die des zieken, Alleen ging zij tot voor zijn bed,
“Wolfgang,” zeide zij zacht, “Melanie is daar om u te bezoeken.”
“Mag zij dan komen?”
“Ferner is er ook met Holtberg.”
“Waarom?”
“Omdat zij eindelijk inzien, hoe zij gedwaald hebben en u thans recht willen doen wedervaren.”
“Heeft Van Helden dan...”
“Hij heeft alles bekend en is spoorloos verdwenen.”
“Maar Fanny?”
“Denk niet aan haar, Wolfgang, denk aan u zelf; iedereen

[258:]

weet nu, dat gij onschuldig zijt, dat ik het beste deel heb gekozen, toen ik u ten spijt van iedereen mijn hand schonk.”
Een bovenaardsche uitdrukking verlichtte zijn gelaat.
“O, Eugenie, sprak hij, “wat is God toch goed! Ik mag het bewustzijn medenemen dat ik u en ons kind een onbevlekten naam nalaat.”
Melanie snelde toe en sloot hem in haar armen; ook Holtberg en Ferner naderden diep ontroerd.
“Vergeef ons,” zeide Ferner. “Wolfgang gij zijt beter dan wij ondanks allen schijn. Gij hebt uw ongeluk gedragen als een man en nimmer zullen we vergeten..."
De aandoening belette hem meer te zeggen.
Holtberg nam ook het woord op en zeide:
“Vriend, ik weet niet of gij mij wilt toestaan u zoo te noemen, nadat ik mij zoo slecht den uwe heb getoond... Oordeel ons echter, niet te streng; de bewijzen, die ons bedrogen hebben, waren zoo overtuigend.”
Hartwig greep de hand zijner echtgenoote.
“De bewijzen, moeten al zeer sterk geweest zijn, Holtberg en Ferner, daar zij u, mijn innigste vrienden, hebben misleid. Doch hier is er ééne, die geen bewijs gevraagd, geen uitspraak van 't gerecht afgewacht heeft om mij haar vertrouwen, meer nog, haar hareen hand te geven. Op dit oogenblik, nu ik aan de grens sta van dit leven, is 't mij onverschillig hoe de weg is geweest; het doel is te nabij, en nu vraag ik niet meer of ik daar doornen dan wel rosen heb geplukt; maar voor anderen kan die weg nog lang zijn en daarom ben ik u dankbaar voor den troost, dien ge mij in de laatste ure brengt, voor de verzekering, dat mijn zoon niet meer te worstelen zal hebben met de verachting der wereld, dat mijn weduwe zonder blozen mijn naam zal mogen noemen. Geef mij uw hand, waarde zwager, en de uwe ook, Holtberg; laat alles vergeten zijn! Aan uwe bescherming kan ik gerust mijn vrouw en kind vertrouwen.”
“Wij zweren het u, doch spreek niet van sterven, Van Senne; het leven gaat nu eerst voor u beginnen met al zijn glans en schoonheid.”
Hij schudde het hoofd.
“Dat verwacht ik niet meer; 't grootste geluk is immers reeds mijn deel: u beiden aan mijn zijde te zien, Eugenie en Melanie, en u te toonen, dat gij niet tevergeefs op mij vertrouwd hebt.”
Zwakte belette hem meer te spreken; zijn hoofd zonk op

[259:]

zijde en langzaam sloten zich zijn oogen. Eugenie wenkte hen zich te verwijderen.
Melanie bleef op het kasteel. Aan smartelijke gedachten ter prooi, keerden de burgemeester en Ferner stadwaarts.
“Kon ik het verledene toch ongedaan maken,” zuchtte Holtberg.
“Was 't in onze macht hem gezondheid en kracht terug te geven! Doch de smart heeft zijn gestel gesloopt. Zulk lijden moest ook den sterksten mensch eens te zwaar worden.”
Melanie stond met haar neefje voor het raam; zij had den lieven jongen onmiddellijk lief gekregen.
Eugenie boog zich over haar man.
“Gevoelt gij u niets beter?” fluisterde zij.
“Hoop niet meer, Eugenie! De dag is vol stormen geweest, zeidet gij zooeven, maar ik kon niet vermoeden, dat het avonduur nog zoo schoon zou zijn, dat een andere gloed dan uwe liefde die nog verlichten mocht. Hoe schoon moet de dag zijn, welke deze schemering volgt, mijn Eugenie!”
Eenige weken later verliet een rijke rouwstoet het kasteel.
Van alle kanten des lands waren oude vrienden en studiekameraads toegesneld om de laatste eer te bewijzen aan hem, dien zij gedurende zijn leven zoo verguisd en miskend hadden. 't Scheen dat alles heden moest vergoed worden: de muziek der Groenendamsche vereenigingen ging de koets vooruit, alles wat in de stad voornaam en rijk was volgde, om aan het ziellooze overschot te vergoeden, wat den man onthouden was.
Achter een der ramen zat Melanie te snikken of haar hart breken moest. Het oog door tranen beneveld, staarde Eugenie den stoet na, die hem medevoerde voor wien zij alles had overgehad.
“En nu, nu het te laat is, mijn arme Wolfgang,” zuchtte zij, “beijvert de wereld zich, uw eer te herstellen. Zij, die niets dan smaad voor mij over hadden, toen ik alleen u wist te schatten naar recht en waarheid, storten nu ijdele tranen om uw gedachtenis; de wereld wil u wreken, nadat zij u door haar verachting langzaam heeft vermoord.”

De tweede lente na Hartwigs dood had zijn graf men versierd.
Eugenie leefde na het vertrek van Ferner en MeIanie alléén te Groenerode met haar zoon. Zij is steeds even bemind en

[260:]

geacht in de stad, waar zij echter niet meer schittert zooals voorheen: in de eenzaamheid bereidt zij zich voor tot het groote werk van zijn opvoeding, die haar en zijn vader waardig moet wezen.
Met de Van HeIdens is het treurig gesteld. Na de vreeselijke ontdekking was Fanny lang krankzinnig gebleven; in dien tusschentijd beheerde Ferner hare zaken; hij ontving eenige maanden later een brief van zijn nichtje Leentje of, zooals zij zich nu teekende, Ellen Smith. Zij was met een Amerikaan gehuwd en eischte haar aandeel in het vermogen; even stipte zij aan, dat haar vader, kort na hunne aankomst te New-York, aan de gele koorts was overleden; overigens was er geen hartelijk woord meer in, gericht aan hare moeder, die in een krankzinnigengesticht was geplaatst en nadat er eenige beterschap zichtbaar werd, door familie harerzijds liefderijk aan huis werd genomen.
In die lente dan, welke Groenendam en zijn omstreken in een dos van groen hulde, verliet op een schoonen namiddag een dame den trein. Zij was in zwaren rouw gehuld, doch toen zij een vigelante huurde en hare voile een weinig terugsloeg, zag men, dat hare trekken bleek en verwrongen waren, haar oog soms akelig voor zich uit staarde. Zij fluisterde den koetsier iets in en hij reed de stad om naar het kerkhof, dat schilderachtig de helling eens lagen heuvels bedekte. Zij stapte uit, trad het steenen hek in en dwaalde lusteloos tusschen de groene zerken, met eenvoudige bloemen beplant, en de monumenten, waarop de achtergeblevenen alles vermeldden wat hunne dooden tot roem, alles beitelden wat hun eigen smaak tot eer kon strekken, terwijl degenen, aan wie die versierselen door hen gewijd waren en die hen eens bemind, eens voor hen gewerkt en gezorgd hadden, wellicht reeds overal vergeten waren, behalve op de letters van dien kouden steen.
Voor een gedenkteeken, dat boven de anderen uitstak, bleef zij staan; hier sprak nog duidelijk de herinnering, want frissche bloemen tot een kroon gevlochten, lagen op het voetstuk neer. Zij bleef naar het opschrift zien en spiedde toen rond of er niemand was, die haar kwam opmerken; maar in dezen hof der dooden was geen spoor van een levende te ontdekken. Zij trilde over haar geheele lichaam, haar oogen sloten zich alsof een brandend gevoel hen belette geopend te blij ven, maar zij boog zich niet; zij scheen of te worstelen met haar gevoel, of een wanhopende poging te

[261:]

doen om de heftige bewegingen, die haar gemoed heen en weder slingerden, door een uitstorting te verlichten. Eindelijk slaakte zij een heeschen kreet en viel haast voorover, haar armen omklemden den steen, een dof gezucht verliet
hare borst. Eenigen tijd verliep en zij bleef onbeweeglijk; plotseling schrikte zij op; een kinderstem wekte haar uit die verdooving. Een klein knaapje, dat eer wankelde dan liep, stond naast haar met eenige bloemen in de hand en op 't monument wijzende, stamelde hij met die ernstige uitdrukking op het gelaat welke kinderen voor een oogenblik zoo goed staat:
“Papa, papa!”
Zij sidderde, beet zich op de lippen en wendde zich heftig om, doch bemerkte eensklaps dat zij voor een dame stond in 't zwart gekleed als zij.
Een oogenblik staarden beiden elkander aan; toen nam de laatstgekomene het kind bij de hand en stelde het tusschen haar beiden.
“Zijn kind, Fanny!” zeide zij zacht en diep ontroerd.
Nu was de laatste band, die hare zinnen gekluisterd hield, verbroken; zij viel in luid gesnik ter aarde en drukte den knaap aan de borst; hare tranen bevochtigden zijn lokkig hoofdje.
“Ach Eugenie,” jammerde zij, “gij hebt den troost hem te mogen betreuren, zijn laatsten zegen te hebben ontvangen, maar ik...”
“Fanny, hij heeft u vergeven.”
“Maar ik vergeef het mij niet, ik, die hem met mijn verachting heb vervolgd en wie hij beloonde met het offer van zijn geluk... En wie is er de oorzaak van...? O, Eugenie, ik heb u bespot; daar gij romanesk genoeg waart een bevlekten naam over het hoofd te zien, een moordenaar tot echtgenoot te kiezen, doch wat is nu mijn lot...! En ik zou het kalm verdragen als ik 't aan hem mocht goedmaken, o mijn arme Wolfgang...!”
“De laatste voldoening is hem gegeven, ook zijn iefste zuster Fanny beweent hem thans.”
“Sedert een oogenblik slechts. Het gezicht van dit kind, zoo groot, zoo aanvallig als Charlie eens was, heeft de verdroogde bronnen mijner oogen doen vloeien; vergeet het verledene, Eugenie, ik kan het niet; ik moest het afboeten en ook dit kan ik niet meer. O, scheid mij toch niet van u, gij waart immers zijn trouwe, beminde gade!”
En als een hulpbehoevend kind legde de trotsche mevrouw

[262:]

Van Helden haar hoofd op den schouder harer vroegere gouvernante.
Teeder sloot Eugenie haar in de armen.
“Laat ons zusters zijn door de liefde,” sprak zij, “gelijk wij het reeds zijn door de wet. Overal waar zijn geest ons omzweeft, maar vooral bij zijn graf, is 't goed te spreken van verzoenen en vergeten. Juichend en zegepralend ziet hij op ons neer.”
En diep ontroerd verlieten beiden den akker der dooden.










inhoud | eerste pagina