Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[240:]

ONVERWACHT.

't Was een schoon gezicht over de blinkende sneeuw al die arresleden te zien glijden, met hunne vurige paarden, door pluimbossen versierd, met de rijke tijgervellen en de kleurige dekkleeden, waarin de Groenendamsche adel- en geld-aristocratie (deze gingen daar hand aan hand) gezeten waren. Men had een wedren naar buiten georganiseerd: de weg was glad gebaand
De rijkste van alle sleden, die der freule van Groenerode, kwam het eerst aan 't doel. Zij zelve hield de teugels vast.
Wanneer in zulk een snellen rit alles langs haar heen vloog, als de opgewondenheid van den strijd zicn bij de lichaamsoefening voegde, haar bloed sneller door de aderen joeg, de oogen van levenslust deed tintelen en de wangen ondanks de koude door verhitting deed gloeien, scheen Eugenie weer geheel de oude. Het gewone, rustige, melancholieke harer houding had plaats gemaakt voor iets meer bezield, iets dat men haast wonderschoon kon noemen.
Alphonse Van Holtberg, die de slede zijner zuster mende, zag haar vol bewondering aan, toen zij, uit de hare gestapt, hare stiefmoeder trachtte te bedaren, die, bleek en zenuwachtig van den snellen rit geworden, verklaarde dat een tweede tocht als deze haar dood zou veroorzaken.
“En nu noodig ik vriendelijk 't gezelschap uit, mij te volgen naar een naburige caravansera,” zei de burgemeester, die bijna achteraankwam: “ik ben overwonnen en trakteer dus.”
Het gezelschap of liever 't clubje van den stadsvader, be

[241:]

staande uit zijn familie, de dames De Lody, mevrouw De Vogel en hare drie dochters, met nog een paar anderen, ging een weg links af, die langs eenige kronkelingen naar “De man te paard” leidde.
Natuurlijk was de herbergier zeer in zijn schik, midden in het ruwe jaargetijde, zulk deftig bezoek te ontvangen; zijn vrouw geleidde hen onmiddellijk in de fraaist gemeubelde ontvangstkamer en haastte zich, in de grootste kan koffie te zetten; de dames namen om de tafel plaats. De heeren keken uit het raam naar het ijs. Alphonse meende dat men heerlijk schaatsen kon rijden; de dames De Vogel vonden het uitmuntend, als de juffrouw maar schaatsen had. Eugenie was nog verhit en verliet het vertrek om van de waardin, die zij kende, een glas limonade te vragen.
“Ach freule,” zei de soms al te spraakzame vrouw “dat was haast een verschrikkelijk ongeluk geweest!”
“Wanneer?”
“Op nieuwjaarsavond immers met uw paarden!”
“Mijn paarden?”
“Weet u 't dan niet, freule? 't Had niet meer dan een handbreed gescheeld of mijn Klaas was onder uw wielen geraakt.”
“Maar waar toch, juffrouw?”
“Toen u van 't concert terugkwam, freule! De jongens waren er ook naar toe.”
“Niemand is toch gekwetst? Ik herinner mij, dat de koets even stilstond.”
“De jongen is er goed afgekomen. Gelukkig was bij toeval een logé van ons juist op die hoogte. Hij heeft Klaas gered, maar 't paard schopte hem tegen het hoofd zoodat hij in plaats van den volgenden morgen te kunnen vertrekken zware koorts kreeg en nu nog het bed niet kan verlaten.”
“Dat spijt me toch, verschrikkelijk. Die arme man! Is hij bij u gelogeerd?”
“Zeker, we zullen hem niet aan de straat zetten, al weten wij niet of hij ons ooit betaalt. Hij heeft onzen jongen immers gered.”
“Bekommer u niet over 't geld. Gij zult er geen schade door lijden. Spaar moeite noch kosten om hem te genezen.”
“Zou u hem niet even willen zien? U kan zoo prettig met zieken spreken. Toen ik zoo lang bedlegerig was, verlangde ik altijd naar uw komst. Hij is een net mensch dat verzeker ik u.”

[242:]

“Zou ik hem niet hinderen?”
“Volstrekt niet. Mientje, breng de koffie en 't servies naar binnen. De trap op, als 't u belieft, freule!”
Hoe weinig vermoedde de goedhartige vrouw, dat zij nu het lot van twee personen in de hand hield!
Eugenie volgde haar naar de nette kamer, waar de zieke lag. Op de teenen sloop de waardin naar 't bed.
“Hij slaapt!” fluisterde zij terugkomend. De freule trad nader. De donkere gordijnen waren opengeslagen en lieten het bleeke gelaat zichtbaar van den zieke; 't scheen wit als de doek, die het hoofd verbond, als de kussens, waarop het lag, als de sneeuw, die bij het venster dik opgestapeld was; geen kleur lag er op de lippen en des te akeliger kwamen de donkere baard en de reeds eenigszins grijzende lokken te voorschijn. Zijn ademhaling verried een onrustigen slaap; zijn handen waren krampachtig gevouwen en zoo doorschijnend, dat de beenderen schier bloot lagen.
Sprakeloos staarde Eugenie den man aan, dien zij zoo lief, zoo innig had liefgehad, wiens geluk haar schoonste droom was geweest. Welke verwoesting was er in dat gelaat aangericht. Arme Hartwig! Er bleef geen toorn meer over in haar ziel; alles smolt in medelijden weg. Zij wendde het hoofd om en barstte in tranen uit.
De herbergierster was wanhopig over hare handelwijze, want zij schreef natuurlijk de ontroering der freule toe aan het bewustzijn, dat deze, ofschoon niet rechtstreeks, oorzaak was van de ziekte des vreemdelings.
“U kan het immers niet helpen, freule!” fluisterde zij, buiten de kamer gekomen. “'t Is de schuld van mijn kwajongen. Hij heeft er van gehad, hoor! U moet ook niet denken dat die heer door dat ongeluk zoo ziek is geworden. Toen hij hier kwam zag hij er reeds zoo bleek en naar uit, of hij den dood in de schoenen droeg.”
“Och, juffrouw, zorg dan, dat hem niets ontbreekt. Wat zegt de dokter wel?”
“Dat mijnheer een zwakke borst heeft en zijn gestel krachtig is geweest, maar sterk moet geschokt zijn door 't een of ander; de wond beteekende niets.”
“Goddank! ik vreesde dien moord op mijn geweten te zullen hebben.” Zij nam een bouquetje uit hare ceinture 't bestond uit resedas en viooltjes. Alphonse had het haar dien morgen gebracht.
“Leg dit naast zijn bed en als hij vragen mocht, wie dit

[243:]

daar gebracht heeft, zeg dan, dat de freule van Groenerode hem in zijn slaap heeft gezien.”
Zij streek met haar fijnen zakdoek langs de oogen en ging naar beneden, waar men zich over haar afwezigheid ongerust maakte.
“Zij is den heer gaan zien, die door haar koets bijna overreden was,” zei de Mientje.
“Wat rijdt ze goed!” vond een der dames.
“Ze is een beetje onvrouwelijk!” meende mevrouw De Vogel.
“Zeg dat niet, lieve mevrouw,” verzocht Henriëtte Ansma:
“U kent haar weinig.”
“Volstrekt geen hart!” sprak de barones.
“Dat is niet waar,” zeide de douairière, wier tegenwoordigheid men vergeten had, met nadruk: “Eugenie is zeer gevoelig en medelijdend.”
“'t Is ook niet van zulk een hart, dat mama spreekt,” viel Alphonse in.
“Wat voor hart dan? Een mensch heeft toch maar één hart, zeggen ze.
Juist kwam Eugeuie binnen; hare hoogroode kleur van zooeven was door wasbleek vervangen en aan hare lange wimpers trilde nog een traan.
“Wat scheelt u?” riepen allen.
“Mijn paarden hebben haast een vreeselijk ongeluk veroorzaakt. Mijn God, als ik het toch kon goed maken!”
“Wat is er dan gebeurd, lieve freule?”
Eugenie verhaalde alles, maar verzweeg natuurlijk, wat haar het meest had getroffen.
De burgemeester stond op: hij was er op gesteld zich populair te maken en wilde op zijn beurt den zieke bezoeken.
De waardin, trotsch op de belangrijkheid, die zij nu verkreeg, bracht hem naar boven met alle verschuldigde teekenen van eerbied. De zieke was nu wakker; het bouquet op een tafeltje geplaatst verspreidde een liefelijken geur. Hij zag naar buiten en toen plotseling de baron zich tusschen hem en ’t licht plaatste, bracht hij de hand voor het gelaat.
“Wel vriend, hoe gaat het?” vroeg de burgemeester op dien toon, welken hooggeplaatste personen soms aannemen tegenover hen, die zij met hun bescherming vereeren.
De zieke hief zijn groote oogen op, waaraan de ziekte zelfs hun ouden glans niet kon ontnemen. De burgemeester werd plotseling door dien blik in 't verledene teruggevoerd.
“Wolfgang ik bedoel mijnheer vergis ik mij?”

[244:]

“Neen Holtberg, gij vergist u niet. Ik ben 't inderdaad.”
“Wat ben je veranderd! Ja vriend, de jaren zijn ook niet ongemerkt heen gegaan. Veel ondervonden hé?”
Die gemeenzaamheid was nog stuitender dan de hooghartigste toon.
“Ik had niet gedacht u hier te ontmoeten.”
“De allerliefste freule van Groenerode was zoo geschokt, omdat je dit accident aan haar equipage te danken hebt. Pas maar op jongen, dat je het goed en wel te boven komt.”
“God beware mij hiervoor! Ik vrees niets zoozeer dan te herstellen.”
“Wel mogelijk! In je plaats... Enfin, beterschap!”
En hij ging snel de kamer uit.
“Wat een mensch vallen kan!” mompelde hij. “Ik zie hem nog voor mij, dien prachtigen jongen met zijn vluggen kop, en nu 't is jammer! Waartoe een misstap toch voert! Welk een verschil toch tusschen ons lot... We zullen de freule maar inlichten, aan wien zij hare belangstelling en bloemen heeft geschonken.”
Hij kwam weer binnen.
“Een onverwachte ontmoeting gehad!” zeide hij “Weet ge freule, wie die mijnheer is? Een oude studie-kameraad van me. Herinner je hem nog, Jeanette? Wolfgang van Senne!”
“Och, die moordenaar?”
Eugenie gloeide van verontwaardiging; zij beet zich echter op de lippen en zweeg.
Welk recht had zij nog om hem te verdedigen? Zij keerde zich weer naar Alphonse en begon vroolijk te lachen en te schertsen.
Een half uur later keerden de sleden stadwaarts.
Dagelijks bracht voortaan een knecht van Groenerode ververschingen naar “De man te paard.” De zieke was na een paar dagen in zooverre hersteld, dat hij door de kamer en zelfs door het huis kon wandelen. Eens stond hij in de goed verwarmde ontvangstzaal, die aan de gelagkamer grensde, voor het raam en keek naar den tuin. 't Dooide, de boomen lieten langzamerhand ook hun witten tooi vallen en stonden daar kaal en als groote tranen schreiende; de voetpaden waren morsig: de leelijkste zijde van den winter vertoonde zich aan het oog. Op de tafel stond een schoteltje met heerlijke ingemaakte vruchten, die de waardin hem voorzette zonder te zeggen van waar zij kwamen.
Hartwig was nog een weinig bleek, maar zijn gelaat ver

[245:]

toonde minder teekenen van zwakheid dan zelfs op den Nieuwjaarsdag. In de laatste vier jaren was de last te zwaar voor zijn schouders geworden: kalmte was er wel is waar gevolgd na den zwaren strijd, dien hij gevoerd nad te Buitenzorg, doch 't was die kalmte, welke den storm volgt en de verwoestingen doet zien door hem aangericht. 't Oogenblik, waarop een offer gebracht wordt, is minder pijnlijk dan de lange dagen, die volgen en in al zijn omvang de waarde van het verlorene doen kennen.
Zijn eenige vriend den graaf de Beaurepaire had hij in China verloren; op zijn sterfbed smeekte deze hem in de eerste jaren de opvoeding zijner zonen op zich te willen nemen. Met dit doel keerde hij in Frankrijk terug en vestigde zich met de twee veelbelovende knapen op hun vaders kasteel in Franche-comté. Hij bracht hier eenige vreedzame jaren door in de vervulling van een gestadigen en moeilijken plicht. 't Kasteel lag in een schoone, kalme, bergachtige streek, te midden van een vriendelijke bevolking. Toch ging Hartwigs gezondheid achteruit; hij voelde zich langzamerhand weer aangegrepen door de kwaal, welke hem eens uit Amerika had gedreven: 't heimwee. Zoolang hij kon, worstelde hij daartegen; onophoudelijk ook zweefde Eugenie’s beeld hem voor oogen; hij voelde zich ongelukkiger dan ooit te voren door het bewustzijn, zelf in koelen bloede zijn geluk te hebben verwoest. Eenige bloedspuwingen verminderden zijn krachten nog meer; hij had een voorgevoel, dat spoedig alles gedaan zou zijn en hij eindelijk eens de rust zou gaan genieten, welke hem hier altijd was geweigerd. Nog eens wilde hij Eugenie zien, weten of zij eindelijk gelukkig was, zonder dat zij zijn tegenwoordigheid vermoeden mocht. Een samenloop van omstandigheden verhinderde zijn voornemen en bracht hem alweder tusschen Eugenie en hare toekomst.
Een dame in een dikken regenmantel gehuld, het hoofd door een zwarten sluier bedekt, trad juist langs het tuindeurtje binnen. 't Was de freule. Zij wilde persoonlijk vragen naar Hartwigs toestand. Zoolang hij hier was, had zij tegenover Alphonse nog geen besluit kunnen nemen en niettegenstaande hij altijd om een beslissing vroeg, trachtte zij steeds tijd te winnen.
Mientje, die niets anders dacht dan dat de zieke nog boven was, bracht haar in de ontvangstkamer en zoo stonden beiden onverwacht tegenover elkander.
Eugenie scheen bedremmeld; zij wist niet wat te doen.

[246:]

Gekrenkte trots en vrouwenwaarde streden tegen haar gevoel.
Hartwig ging haar te gemoet, maar toen hij haar onbeweeglijk zag staan, keerde hij terug.
“Eugenie,” vroeg hij, “zijn we nog vrienden?”
“Hartwig,” antwoordde zij, “geloof niet dat ik dit onderhoud gezocht heb. Het ongeluk, dat mijn paarden u bezorgd hebben, doet mij naar u vragen, want ik gevoel mij daarvoor eenigszins verantwoordelijk. Overigens is immers alles tusschen ons gedaan. Gij zijt te trotsch om iets te moeten danken aan de gunst eener vrouw.”
“Ik had gehoopt ten minste uw vriendschap te hebben behouden; ik had er u om gesmeekt. Ik wilde u nogmaals in de verte aanschouwen, Eugenie, want ik stel altijd belang in mijn vrienden, al verstooten ze mij. 't Was tegen mijn bedoeling, dat gij mij zoudt zien; de tijd is voorbij, waarop ik rekenen kon in uw leven. Gij zijt immers verloofd?”
“Ik ben slechts eens verloofd geweest, maar die man kon niet gelooven, dat ik belangeloos hem alles wilde opofferen. Omdat ik arm was kon hij wel medelijden met mij hebben; toen ik rijkdommen bezat, brak hij zonder mij te hebben geraadpleegd, alles af.”
“Eugenie, 't was uw rijkdom niet alleen, die mij daartoe bewoog.”
“Wat dan? Er was iets anders, ik vermoedde 't reeds.”
“Laat het verledene rusten, Eugenie! O, ’t aanroeren daarvan doet reeds pijn. Wees gelukkig en laat mij de korte dagen, die ik nog te leven heb, eindigen in 't bewustzijn, dat gij mij uw vriendschap, uw vertrouwen nog schenkt.”
Wanneer hij op dien gevoelvollen, diep ontroerden toon iets vroeg, kon Eugenie geen weerstand meer bieden; hij zag er zoo verouderd uit, hij moest zoo veel geleden hebben sedert hun laatst hoopvol afscheid. Evenals eenmaal toen zij aan zijn ziekbed stond, verdween haar wrok en 't was bijna op teederen toon, dat zij vroeg:
“Gij hebt eens gezegd, dat er niets duisters meer tusschen ons mocht zijn, en nu bekent ge, dat het meer dan geld is, wat ons heeft gescheiden. In naam van 't vertrouwen waarvan gij spreekt, zeg mij, wat heeft u bewogen zoo kort nadat zulke woorden tusschen ons waren gewisseld, een einde aan alles te maken? Ik heb recht dit te vragen, ik de beleedigde vrouw.”
“Nu het te laat is, nu er niets meer aan te veranderen valt

[247:]

zal ik het u zeggen; toen mocht ik u het niet verhalen, maar beloof mij eeuwig geheim!”
Zij knikte en hij ging voort:
“Eenige oogenblikken, nadat ik uw brief had ontvangen kwam mij een andere ter hand, waardoor het mij vrij stond 't duistere geheim mijns levens op te lossen. Ik kon dus gerust naar uw hand dingen, zelfs al waart gij rijk.”
“En toen?”
“Meer zeg ik u niet, Eugenie! Ik heb geen gebruik gemaakt van dat middel, ik heb den brief na zwaren strijd verbrand; maar ik mocht van u niet eischen, Eugenie, dat gij uit liefde voor mij denzelfden strijd zoudt voeren. Had ik u toen alles gezegd, dan hadt gij van mij gevraagd wat ik niet wilde doen of wel gij hadt voor iemand, die u slecht behandeld heeft, een offer moeten brengen, dat zelfs voor mij te zwaar was!”
“Hebt gij 't dus in uw hand gehad uw onschuld te bewijzen, met opgeheven hoofd terug te keeren in uw kring van vroeger?”
“Ja.”
“Maar wat mag dan de reden zijn van een handelwijze, die uw geluk verwoestte en ook het mijne?”
Hij zweeg en hernam eerst na een poos:
“Ik heb de overtuiging mijn plicht gedaan te hebben en overigens Gods wil geschiede!”
Eugenie dacht na; plotseling richtte zij het hoofd op.
“Kwam de brief niet van uw zwager?”
“Eugenie...”
“Van Van Helden?”
“Hoe komt gij daaraan?”
“Ik raad het misschien; 't is altijd mijn idee fixe geweest, dat Van Helden zoo diep neergedrukt scheen omdat hij een ontzettenden last op het geweten moest hebben. Hartwig, zeg mij de waarheid, 't is aan Fanny, dat gij ons geluk hebt opgeofferd?”
“Gij hebt het gezegd, Eugenie! Ik kon, ik mocht mijn zuster niet rampzalig maken ten koste van eenig levensgeluk.”
“'t Was te veel edelmoedigheid voor een ondankbare; maar waarom moest dit invloed uitoefenen op mijn lot? Waarom onze verloving geheel van uwe zijde afgebroken, terwijl gij mijn denkwijze nog niet kendet?”
“Had ik niets over dien grief tegen u gezegd, dan had ik ook uw eer opgeofferd en daartoe bezat ik het recht niet;

[248:]

door u alles te zeggen, zou ik u in een moeilijken strijd hebben gewikkeld, die u misschien later aanleiding had gegeven, tot het een of ander stil verwijt.”
Zij stak hem de hand toe en sprak:
“Ik heb u verkeerd beschuldigd van kwalijk geplaatsten trots, van misleiding, daar gij u geroepen gevoeldet de arme wees te beschermen en niet de rijke erfgename te beminnen. Vergeef mij, gij zijt groot geweest als altijd!”
Hij drukte de hem aangeboden hand.
“En nu?” vroeg zij.
“Nu scheiden onze wegen zich weer...” maar zijn krachten verrieden hem. Een doodelijke bleekheid bedekte zijn gelaat, en hij wendde den blik af.
“Wolfgang,” zeide zij diep ontroerd, “gij lijdt! Geloof mij, die onophoudelijke strijd, welken gij zoekt, sloopt uwe krachten. Laat uw gevoel spreken en bekommer u niet om de wereld! Mijn God! wat hebben die rijkdommen mij voor geluk aangebracht, daar zij mij niet toestonden dengene gelukkig te maken, dien ik beminde?”
“Eugenie, zoudt ge dan voor mij, nu ik ouder, zwak en ziekelijk geworden ben, nog altijd willen wezen, wat ik eens op een gelukkig oogenblik mocht hopen? Denk aan uw positie, uw vrienden, de Holtbergs. die met verachting op mij neerzien.”
“Ik vraag niet naar hun oordeel. Ik ben oud en wijs genoeg om zelve te kunnen handelen; in al die jaren heb ik geen geluk genoten, gelijk aan dat, toen ik beloofd had mijn leven aan het uwe te wijden.”
Hartwig sprak niets meer; zijn gemoed schoot vol, tranen vulden zijne oogen, terwijl hij nogmaals zijn handen in de hare legde.
“Gij hebt gelijk,” zeide hij eindelijk, “de kracht is verdwenen, ik kan niet meer strijden tegen het geluk, dat mij al weder te gemoet komt. Ik neem het dankbaar aan. Maar,” dacht hij weemoedig, “lang zal deze schemering der gelukszon toch niet meer duren, want zij gaat onder.”









volgende pagina | inhoud | volgende pagina