Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[219:]

OUDEJAARSAVOND.

Een echte oudejaarsavond. De sneeuw ligt wel een voet hoog in de straten en op de daken; de lucht is helder, al gelijkt zij nu het avond is eer zwart dan blauw, en schijnt bezaaid met al die lichtjes, welke als loovertjes op een groot zwart kleed zijn gehecht. Men komt geen menschen tegen dan met roode neuzen en paarse wangen, zelfs de deftigste dames, die onder hun bont, moffen en voiles de koude willen tarten, voelen de kant zich aan haar gelaat hechten en begrijpen niet hoe die arme kinderen met hun dunne kapjes op 't hoofd, nog zoo vroolijk voor de winkels kunnen staan redeneeren over hetgeen ze toch het allerliefste zouden willen hebben als ze... mochten
Binnenshuis ziet het er op zulk een kouden avond nog eens zoo prettig, eens zoo gezellig uit. De theeketel staat op zijn stoof; 't kacheltje vertoont een paar bolle, roode wangen; 't vrouwtje zit bij de lamp te werken en de kleine speelt op de groote canapé met zijn houten huisjes en paarden, in afwachting dat mama hem naar bed brengt. Maar mama wacht op papa, die elk oogenblik kan komen. Een paar belletjes klinken door de straat en verraden een rijtuig, want de dikke sneeuw belet het rollen der wielen te hooren. Voor de deur van 't huis, dat we bedoelen, houdt het gerinkel op, de huisbel gaat over en een oogenblik later tikt men aan de deur.
“Binnen!” zegt de huisvrouw, legt de een weinig verspreide beuzelingen in haar mandje en gaat den bezoeker of de bezoekster met een glimlach op de lippen te gemoet.

[220:]

“Ha Eugenie, dat had ik niet durven hopen u van avond nog bij mij te zien. Je kon nergens beter komen dan hier. Hoor 't water eens zingen en zie eens welke lekkere wafeltjes ik gebakken heb. Kom! hoed, bont, alles af, we kunnen nog zoo gezellig praten voor Ansma thuiis komt.”
Eugenie - want ze staat nu voor ons - is vier jaar ouder geworden, maar zooals 't enkelen soms gaat: de jaren hebben haar eerder schooner gemaakt dan wel verwelkt, ofschoon zij 't eigenaardige van hare vroegere schoonheid hebben uitgewischt. Niets trok voorheen zoo in haar gelaat dan de vroolijke, speelsche uitdrukking harer schoone oogen, die dan plotseling door 't gesprek of door een opkomende gedachte ernstig werden en dien trek mededeelden aan den beweeglijken, fijn besneden mond. Die wereld van gevoelens, welke zich dan snel als 't woord of de gedachte aan haar gelaat mededeelden, deed denken aan de groote schaduwen, welke zich vooral op herfstdagen plotseling over 't landschap werpen, om dan weer plaats te maken voor een helder glansrijk licht. Nu echter was die veranderlijkheid verdwenen; de dartele, levenslustige blik was uit de groote oogen geweken en alleen zekere ernst overgebleven, die vooral zetelde op het hooge voorhoofd en in de bijna klassiek geteekende lippen. Misschien kwam die kalme, ernstige rust, welke thans over hare geheele houding verspreid lag, nog meer uit door hare deftige kleeding, door het zwart fluweelen, lange gewaad en door 't hoog opgestoken haar, waarin geen enkel sieraad prijkte. Zij kon nog wel lachen, voelde men, zij kon nog wel schertsen, maar de tijd, waarin dit haar liefste bezigheid was, lag ver achter haar. De afwisseling van lachen en tranen, die vroeger altijd op elkander volgde, was voorbij en nu las men iets in haar oogen, dat geen van beiden was, dat haar gelaat niet meer zoo aantrekkelijk maakte door jeugdige frischheid en bezieling, maar het daarentegen des te meer deed zijn door de diepte van gevoelens, welke het te raden gaf, door de volmaakte harmonie, die het vermoeden liet tusschen haar i n n e r I ij k e n zielstoestand en den u i t e r I ij k e n schijn.
“Ik had eenige commissies te doen, Henriëtte,” antwoordde zij op 't vriendelijk aandringen harer vriendin, “en nu ik toch langs uw huis ging, moest ik u even voor 't laatst in dit jaar zien.”
“Maar de scheiding zal zoo lang niet zijn, beste, al ligt er ook een ander jaartal tusschen. Morgenavond zien we elkander wederom.”

[221:]

“Eindelijk dan besloten?”
“Och ja, Ansma is er zoo opgesteld, dat ik met hem naar 't concert ga; daarbij kwam eerst papa en toen Alphonse aandringen. Ik moest toch gaan, 't zou zoo mooi wezen en 't was voor zoo'n goed doel. We zullen dus onzen Henri aan de meid overlaten en maar een Ausflug wagen.”
“'t Doet me pleizier Henriëtte, al weet ik dat er een deskundige meer in de zaal zal zijn, die o, zoo streng op mijn vingers gaat letten.”
“Kom, kom, maak me nu niet ijdel! Neen, er mogen wel knapperen naar uw spel luisteren en kunnen er niets op zeggen. Maar er is iets anders, dat ik nu voor geen geld zou doen.”
“Wat bedoelt ge? Het rondgaan met een zilveren bordje?”
“Juist, de quêteuse spelen, bij alle tafeltjes om een giftje vragen, zoo deftig mogelijk verdragen, dat iemand u van het hoofd tot de voeten aanziet, bescheiden de oogen afwenden ofschoon ge van nieuwsgierigheid brandt om eens te weten wat deze of gene wil geven. O, foei Eugenie, dat is de weldadigheid te ver drijven om zich aan zoo iets bloot te stellen.”
“Ik vind het lang zoo erg niet, en in elk geval, men mag wel eens iets onaangenaams voor zijne medemenschen over hebben.”
“Ja wel, maar als het niet noodig is Wat trekt ge aan? Zorg toch, dat er niets op uw toilet aan te merken valt.”
“Wees niet bang, Jetje; we zullen den grootsten criticus geen vat op ons geven. Ik zal meteen goed de gelegenheid hebben om eens te zien, wie er zoo al in de zaal is.”
“'t Zal me niet verwonderen of zoodra het concert gedaan is, worden stoelen en tafeltjes weggeruimd en men begint te dansen. Alphonse heeft er zich over uitgelaten, met een half woordje maar, doch genoeg voor mij.”
“Hij is commissaris, 't zal dus wel van hem afhangen.”
“Och, ik geloof, dat hij vooral zal doen, zóóals gij het 't liefste wilt.”
“Ben ik dan de hoofdpersoon?”
“Voor hem ja, en voor vele anderen ook.”
“Dat had ik eenige jaren geleden niet gedroomd, nog eens zoo hoog in aanzien te stijgen. Wat het geld al niet doet!”
“'t Is niet het geld alleen, Eugenie, dat aanzien geeft, maar ‘t is de naam, 't is de persoonlijkheid, ik weet zelve niet hoe het komt. Geld doet alles wel meer uitkomen, maar waar niets van dat alles is, kan 't geld niets doen.”

[222:]

“Vleierij Jetje, niets anders! Ik ben drie en twintig jaar geworden, deels in vergulde armoede, deels in dienstbaarheid. Ik zou ondankbaar wezen, wanneer ik zeide alleen menschen te hebben ontmoet, die mijn geld als magneet beschouwden; doch het grootste, het overgrootste deel der wereld begon mij eerst te waardeeren toen ik over honderduizenden te beschikken had.”
“Ja, dat spreekt, dat is zoo 's werelds loop, en daarom moest ge juist blijde zijn, als er iemand gevonden wordt, wien 't onverschillig is of ge rijk dan wel arm zijt, en die u alleen wil hebben, omdat hij u bemint.”
“Dat zeggen ze allen, Jetje, ik ben aan dat praatje gewoon.”
“Denkt ge dat dan ook van Alphonse?”
“Dat wil ik niet beweren, maar gij zoekt het gesprek weer op hem te brengen, Jetje, en ge weet toch dat ik er liefst niet over spreek.”
“Waarom niet, Eugenie? Ge antwoordt mij nooit iets anders dan: Ik heb geen behoefte aan 't huwelijk, ik ben mij zelve genoeg. 't Is wel aangenaam als men dat zeggen kan, en ik wil 't graag gelooven. Ge zijt zoo rijk, zoo talentvol, gij sticht zooveel goed; maar ik geloof nooit, dat gij gelukkig zijt.”
“Niet gelukkig, Jetje? Hoe komt gij er aan? 't Zou immers ondankbaar wezen als ik 't niet was?”
“Dat doet er niet toe, maar zeg me eens oprecht: als ge een huishouden ziet gelijk er zoovelen zijn, zooals ’t mijne bij voorbeeld, een recht gezellig intérieur, een flinke man, mijn steun en troost, een allerliefst kindje, veel hoop in de toekomst, stillen vrede in 't tegenwoordige, zeg me dan of ge zoo weinig vrouw zijt om niet een stillen wensch in uw hart te voelen opkomen ook datzelfde te genieten, om bij al uw rijkdom dat te voegen, wat het volmaakt doet zijn: huiselijk geluk?”
Eugenie zuchtte.
“Gij hebt gelijk, Henriëtte. Er zijn soms oogenblikken, waarin ik uw geluk kan benijden; maar de gedachte, dat het alleen aan mij ligt om het ook te genieten, belet, dat dit gevoel te sterk wordt. Neen, volmaakter kan mijn geluk wezen, maar voor 't oogenblik ben ik tevreden, zoo tevreden als men het slechts zijn kan.”
“Goed, doch verlangt gij een ander niet gelukkig te maken, die alleen door u de vervulling zijner liefste wenschen kan zien.”
“Later misschien, Henriëtte! Ik heb niets tegen Alphonse; hij is een verstandig mensch, maar...”

[223:]

“Wees oprecht, Eugenie, gij hebt een geheim op uw hart. Tusschen ware vriendinnen mag nooit een wolkje drijven, dat het verleden verduistert; waarom zoudt ge mij dat niet toevertrouwen?”
“Nu, Henriëtte, de herinnering doet me nog zeer, daarom heb ik er zelfs met u niet over gesproken. Ik heb vroeger dikwijls kunnen huwen, doch slechts eens heb ik bemind. Aan dien man had ik alles willen opofferen, alleen om het recht te hebben zijn eenzaam leven te deelen, zijn ongeluk te verminderen. Mijn rijkdom heeft ons echter gescheiden. Vraag me niets meer, Jetje, die droom is ten einde, die bladzijde van mijn leven uitgewischt, ik herhaal 't mij zelve duizendmalen. Maar is 't mijn schuld, dat naast eIken man zijn beeld verrijst en ofschoon alles gedaan is, ofschoon al zag ik hem voor mij, ik nog geen stap voorwaarts zou doen, ik toch nog altijd aan 't verledene gehecht ben en daarin een beletsel vind voor een beslissenden stap? Ik aarzel een man mijn hand te geven, omdat mijn hart, zooals ik vrees, nog altijd dien andere behoort.”
“Dat kan u toch niet beletten, Eugenie, gelukkig te zijn. Gij weet, dat ik, vóór ik Ansma kende, met een ander geëngageerd ben geweest, en toen ik trouwde gevoelde ik niets voor mijn goeden man dan achting en vertrouwen. Nu zijn we toch zoo gelukkig als ik het ooit durfde droomen. Wees verstandig, Eugenie, en stel Alphonse niet te leur!”
“Ik zal er over nadenken, Henriëtte, maar ik beloof u niets. Ik ben dit leven zoo gewoon, dit vrije onafhankelijke leven; 't bevalt mij goed. Waarom zou ik er een einde aan maken zonder noodzakelijkheid?”
“Om aan de roeping der vrouw te beantwoorden: gelukkig te zijn door het geluk van anderen te bevorderen.”
“Er zijn verschillende manieren om die roeping te volgen.”
“O ja, maar een der voornaamste is toch op de manier, welke ik bedoel... Sst, daar komt Ansma, laat hij niet hooren wat ik daareven zei; zoo iets geeft den mannen een dosis meer verbeelding. Een volgenden keer moet gij mij eens alles uitvoerig verhalen, wilt ge lieve?”
Eugenie bleef nog een oogenblik praten met man en vrouw; toen stond ze op en vertrok niettegenstaande hunne dringende beden om den avond toch met hen door te brengen. Zij steeg in haar elegante koets en fluisterde den lakei bij het instijgen toe:
“De Violenstraat.”

[224:]

Snel ging het rijtuig eenige straten door en stond eindelijk voor een kleine steeg stil. Eugenie stapte uit; zij had een grijzen regenmantel over haar fluweel en gewaad geworpen en een fijne zwarte sluier verborg haar gelaat.
“Hebt gij den wijn en de flechjes, Dirk?” vroeg zij.
“Ja freule,” antwoordde de lakei: “alles ligt in deze mand.”
Zij ging over de sneeuw dieper het steegje in, totdat zij aan een half ingezakte deur kwam. Zonder kloppen ging zij een smal gangetje door, kwam toen op een kleine binnenplaats, waar de sneeuw nog eens zoo dik lag en waarop verscheidene deuren uitkwamen. Een olielamp, boven een harer geplaatst, wierp een matten schijn over de vale huisjes en de blinkende sneeuw, Zij trad in een der kleinsten. 't Was een laag, bedompt vertrek: voor een weefgetouw, bij een walmend lampje, zat een door gebrek en zorgen gebogen man; twee kleine jongens zaten aan het microscopisch kacheltje hunne handen zoo goed mogelijk te warmen; een meisje was bezig aardappelen te schillen. In een kist met stroo gevuld lag een zuigeling te schreeuwen; een ander, dat misschien nog geen twee jaren oud was, sliep op een tusschen twee waggelende stoelen uitgespreiden zak; in een smalle alkoof was de moeder uitgestrekt, een magere, bleeken vrouw, aan wie de ziekte alles ontnam wat er nog goeds in haar zwak lichaam was overgebleven.
“O, de freule!” riep de man en stond op om voor haar plaats te maken. Zij ging naar de zieke vrouw en vroeg deelnemend hoe zij het maakte, of zij zich niet wat beter gevoelde, of zij met moed het nieuwe jaar in ging.
“Lieve freule,” en de zieke sprak onhoorbaar zacht, opdat de kinderen haar niet zouden hooren, “als ze aan u vertrouwd zijn, vrees ik niets, want... want het zal spoedig met mij gedaan wezen.”
“Wees niet te zwaartillend moedertje, de dokter vindt je vandaag beter. Met veel versterkende middelen, zeide hij, kan vrouw Saenen er nog wel boven op komen; daarom heb ik je hier wat wijn, vleesch-extract en rookvleesch gebracht, en voor manlief en de kinderen nog wat tabak, thee en lekkers, om den oudejaarsavond prettig te vieren.” De oogen der kinderen schitterden en in dat der moeders fonkelde een traan.
“Is 't waar dan freule? Zou ik nog langer mogen leven? Wat zou ik God danken! Niet voor mij, want ach, daarboven zal

[225:]

't veel schooner zijn dan hier, maar voor mijn arme stumperds, die me zoo noodig hebben.”
“Moed is alles wat ik je kan voorschrijven en ook toewenschen voor 't volgend jaar.”
“Freule,” zeide de man opstaande, “wij arme menschen kunnen u niet alles zeggen, wat wij gevoelen; nog minder kunnen wij u eenigszins vergelden, wat gij voor mij, die arme vrouw en kinderen doet, maar als wij door bidden en wenschen iets kunnen verkrijgen voor onze weldoeners, dan is 't dat zij nog gelukkiger worden, dat hun innigst verlangen zich moge vervullen tot loon van het goede gebruik dat zij maken van hun rijkdom.”
“Goed gesproken, Saenen, en nu 't beste hoor! Pas maar goed op je vrouw. Hoe is 't met de kleine? Och, wat een lief meisje! 't is goed gezond, nietwaar?”
“Dat heeft geen klagen, freule.”
“En waar is Dientje?”
“Ach freule, de oude vrouw, hier naast leed zoo aan de rimmetiek, ze kon zich niet verroeren en toen zei ik Dientje: weet. je wat, kind, of je stroozak hier ligt of daar, dat is toch precies hetzelfde; we zijn hier immers met ons velen om moeder en de kleine te helpen: ga jij dus maar bij Geertje slapen, 't mensch kon je eens noodig hebben.”
“Dat vind ik heel vriendelijk van je, Saenen; hoe arm men ook is, men moet mekaar bijstaan, dan zal God ons ook helpen.”
Eugenie liet haren lakei nog eenige versnaperingen in de buurt ronddeelen, toen steeg ze weer in het rijtuig dat zich thans voorgoed snel in beweging stelde en weldra het stadje achter zich liet. In de verte blonken tusschen het kale geboomte de lichten van het kasteel, dat spoedig als een indrukwekkende massa achter een prachtig ijzeren hek verscheen.
Twee groote lantaarnen, door leeuwen gedragen, wierpen een helder licht over het front, dat nu niet meer als voorheen een somberen, doodschen, spookachtigen indruk maakte, maar geheel in den ouden stijl hersteld, door zijn kolossale en toch evenredige opvattingen een hoog denkbeeld gaf van 't geen het geheel, bij dag en in den zomer moest wezen.
Juist toen het rijtuig over de blauwe steenen der. voorplaats reed, ging een zwarte schaduw snel van het hek terug, doch toen een bediende uit den hoofdingang trad en de jonkvrouw met een paar brandende bougies op zilveren candelabres te gemoet kwam, stak zij haar hoofd tusschen de tralies

[226:]

en staarde voor een seconde de bevallige figuur aan die bijna onmiddellijk in de helder verlichte vestibule verdween. Een oogenblik later werden de twee groote lantaarnen uitgebluscht en alleen het licht boven 't portaal duidde in den donkeren nacht aan, waar 't kasteel Groenerode lag.
De schaduw verwijderde zich weer langs den grintweg, na nog even te hebben omgezien naar de twee groote verlichte ramen aan de voorzijde. Deze behoorden tot de vroegere wapenkamer, thans het salon; de laatste jonker zou vol tevredenheid in deze ruimte hebben rondgestaard om zich te verheugen, dat eindelijk het kasteel er ook van binnen uitzag als een aangename woning en niet meer als een kraaiennest.
Voor een helder gedekte tafel, met zilverwerk en bloemen opgesierd, zat de douairière en wachtte de thuiskomst van Eugenie af.
“Ha, dat doet me genoegen u eindelijk terug te zien. Kijk eens, de punsch kookt al en ik heb; de kastanjes reeds gebakken naar het recept der burgemeestersvrouw.”
“'t Spijt me dat ik u heb laten wachten. Henriëtte Ansma heeft me wat langer opgehouden dan ik dacht.”
“Ga dan spoedig zitten. 't Is hier goed warm hé, of wilt ge u eerst verkleeden?”
“Neen, ik ga vroeg naar boven; we zullen maar eerst de kastanjes opeten en dan vertrek ik dadelijk naar mijn kamer.”
“Ja, 't is goed ook, dat ge nu wat rust vooruit neemt. 't Zal morgen laat worden. Weet ge wie bij mij is geweest?”
“Neen, hoe zou ik dat weten?”
“Alphonse van Holtberg. Hij heeft heel aardig met mij zitten praten. Waarlijk, 't is een lieve jongen; hij is een jaar jonger dan gij, Eugenie; hadt ge dat wel gedacht?”
“Neen, hij ziet er ouder uit.'
“Hij was tien en Henriëtte twaalf jaar toen zijn mama met den burgemeester, haar zwager, hertrouwde. Wat is dat toch een nette familie van den burgemeester, is 't niet?”
“Zeker.”
“En zoo deftig, een van de voornaamsten uit het land.”
“Dat geloof ik ook wel.”
“'t Is een heel verschil met den vorigen burgemeester, die was zoo heel, heel burgerlijk; deze is meer aristocratisch. Over 't algemeen vind ik dat de stad erg deftig begint te worden. Er heerscht een heel andere toon dan vroeger.”

[227:]

“Dat komt door de meerdere beschaving, die overal doordringt.”
“Zijt ge niet nieuwsgierig om te, weten, wat hij me al zoo gezegd heeft?”
“Och neen, veel bijzonders zal 't wel niet zijn.”
“Daar zoudt ge u in vergissen. Ik geloof dat jonker Alphonse heel gaarne zou willen, dat ge hem tot man naamt.”
“Hij heeft gelijk dat te willen; 't was voor hem zoo kwaad niet,” schertste Eugenie.
“En voor u ook niet.”
“Waarom voor mij? Ik verander daardoor niets in mijn positie.”
Mevrouw De Lody schudde het hoofd bedenkelijk en dacht, dat haar stiefdochter al heet eigenzinnig was. Eugenie zeide haar een kwartier later goeden nacht en ging in hare kamer.
Hier was alles vereenigd wat er zich schoons in ’t kasteel bevond; dit was de eigenlijke étui, die het juweeltje van Groenerode omsloot. De eene zijde was ingenomen door een glazen deur, die 't gezicht verleende tot een fraaie, goed gevulde serre, waarin op 't einde eene verhevene plaats stond met drie stoelen, een tafeltje en een canapé; de andere drie zijden waren met donker paars en goud damast behangen; men vond er elegante stoelen, tafels, schilderijen, portretten, een schrijfbureau en duizende andere snuisterijen, die op zich zelf genomen, reeds allerliefst zijn en in een niet overgroot getal een kamer onuitsprekelijk elegant maken. Nu hingen de lange, donkere gordijnen over de glazen deur; de gaskroon boven de marmeren tafel, was half opgedraaid, zoodat een zacht licht de kamer vervulde; in den open haard brandde een aangenaam vuurtje. Eugenie trok een laag tabouret naderbij en nadat zij haar zware fluweelen kleeren met een warme kamerjapon verwisseld had, zette zij zich daar op neer en bleef in 't vuur staren.
Oudejaarsavond! Wat men ook zeggen moge van dagen, die eigenlijk altijd een nieuw jaar beginnen, bij ieder roept dat woord een wereld op van herinneringen. Het is als 't ware een punt in den snelvlietenden stroom des levens, waarop alles voor een oogenblik stilstaat om even een blik achterwaarts te werpen en dan straks weer onverpoosd zijn weg te vervolgen. 't Is een oogenblik, waarop het verleden in zijn talrijke, grillige vormen even schijnt op te duiken om naar de gesluierde, raadselachtige figuur der toekomst te wijzen.

[228:]

Terwijl zij daar in den eenzamen avond alleen zat te mijmeren, snelden ook Eugenies gedachten terug naar jaren te voren, en als zij dan dacht aan de dagen harer eerste jeugd, dan was zij geneigd dien rijkdom te haten, waarmee zij hen, die zij eens het liefst had op aarde, niet meer vermocht gelukkig te maken.
Wanneer haar vader toch maar over het tiende gedeelte harer tegenwoordige bezittingen had kunnen beschikken, wat had hem dan ontbroken? Zij dacht aan haren vroegeren wensch om hem door haar toedoen te kunnen omringen met welvaart en weelde; waarom had hij moeten sterven voor oom Piet? Hem had die rijkdom geluk aangebracht, terwijl Hartwig haar juist daarom had afgewezen.
“Dan eerst is een vrouw gelukkig, wanneer zij anderen gelukkig maakt,” zeide Henriëtte Ansma en Eugenie gevoelde, dat die woorden waarheid bevatten. Rijk, schoon, gevierd om de gaven haars geestes - want ook in uitgebreider kring was de naam van de jonkvrouwe van Groenerode bekend en bewonderd - scheen zij alles te bezitten, wat een mensch gelukkig kan maken. En toch, wanneer gevoelde zij eerst dat die rijkdom waarlijk een zegen was? Wanneer daalde in hare ziel een zalig bewustzijn neer, dat haar door alle andere genoegens ledig gebleven hart kon vervullen? Was het niet dan, wanneer zij zonder vrees voor hare schoone kleederen in de stulpen der armen trad, als zij een diep gezonken huisgezin weer opheffen kon, als zij de laatste dagen van beklagenswaardige zieken verlichtte en hunne stervende lippen haar zegenden; als zij met zelfvoldoening, zonder ijdelen trots echter, nederzag op de stichtingen van liefdadigheid, waarmede een onbekende, weldadige hand Groenendam verrijkte; als zij op kiesche wijze vooral hen te hulp kwam, die arm waren en een stand moesten ophouden? Neen, dieper dan in uiterlijkheden ligt het ware geluk der vrouw: zij had het lang vermoed, doch nu eerst was het haar duidelijk. Verschillend kunnen de wegen zijn, waarlangs God de vrouwen voert, maar allen moeten zij tot dat ééne doel geraken, waartoe zij geschapen werden en waarin alleen haar zelfvoldoening en vrede liggen: ’t geluk van anderen bevorderen, vaak ten koste van haar eigen.
En dit verklaart het ook dat er zoovelen zijn, die wij kennen, opgeruimde, schijnbaar innig gelukkige vrouwen, moeders, dochters en zusters, van wie wij zeker weten dat haar taak moeilijk, haar weg doornig is en die moedig veel

[229:]

en alles verdragen, alleen omdat zij weten, dat in haar blijmoedige onderworpenheid het geluk ligt van degenen, die haar zoo dierbaar zijn aan 't hart.
“Maar slechts vreemden zijn 't, die ik gelukkig kan maken,” dacht Eugenie, “die ik beminde zijn dood of ver van mij. Waarom zou ik dan geen andere banden aanknoopen, waarom niet in mijn kring 't geluk verspreiden dat ik in mijn hand heb? Waarom langer te treuren... neen, niet treuren, daarvoor ben ik te trotsch... wachten met mijn keuze te doen? Ik weet, dat Alphonse mij niet om mijn rijkdom neemt, dat hij, zelf rijk genoeg, mij vrij zal laten naar mijn eigen goedvinden met alles te handelen. Neen, 't wordt tijd eindelijk eens geheel te breken met het verleden, en dan op te houden dàt te zijn, wat ik, niettegenstaande al mijn rijkdom, ben... alléén!”
Zij bleef een wijl nog de flikkerende vlammen aanzien, die gestadig kleiner en dan weer grooter werden, tot zij eindelijk haast onzichtbaar geworden, niets overlieten dan gloeiende steenen.
Toen sloeg het langzaam op de groote torenklok twaalf slagen: 't nieuwe jaar was begonnen; in de verte begroette een pistoolschot het nieuwe tijdperk, dat daar dreigend geheimzinnig stond en voor de wereld wellicht onberekenbare smarten en gevaren bracht, - Eugenie richtte zich op.
“Welkom, nieuw jaar!” zeide zij tot zich zelve: “welkom, gij zult een keerpunt vormen in mijn leven. O, God, in wiens handen mijn lot steeds heeft gerust, beschik ook thans weder over mij, opdat ik den rechten weg kieze, als het de tijd daartoe is.”
En zij trad in haar slaapvertrek.











volgende pagina | inhoud | volgende pagina