Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[200:]

DE ZWAARSTE STRIJD.

De graaf de Beaurepaire en Hartwig hadden een aangenamen middag doorgebracht in den prachtigen plantentuin van Buitenzorg. Uren lang hadden zij zich verlustigd in die plek, waar natuur en kunst om den palm strijden en de laatste verheugd mag zijn, dat de eerste in hare ongeëvenaarde schoonheid haar niet in het minste verduistert. De avond was gevallen en beiden keerden naar het hotel Bellevue terug, waar eenige gasten in de voorgalerij op het diner wachtende, den tijd verdreven door gezellig praten of het lezen der dagbladen; Hartwig, die om zijn incognito te bewaren, geen Hollandsche courant in de hand mocht nemen, haalde een brief uit den zak en las
Het schrijven kwam van zijn bruid, doch het scheen dat de inhoud hem niet erg beviel, want zijn wenkbrauwen fronsten zich een weinig. Toch was 't een gelukkige tijding, die zij hem mededeelde: zij was geen arme weeze meer, die alleen van hare talenten moest leven; de dood van oom Piet had haar rijk gemaakt, schatrijk. Vol vreugde meldde zij dit aan haren verloofde, maar smeekte hem nu toch niet te denken, dat hare gevoelens veranderd waren. Arm had zij hem hare hand geboden, rijk zou ze zich nog niet achten, wanneer hij niet haar rijkdom deelde. Hartwig voelde een wroeging aan zijn hart knagen; dat was nu het gevolg van zijn onberadene handelwijze. Toen zij hulpeloos en arm was, meende hij zich het recht te mogen toekennen haar te beschermen; nu zij rijk was, stond hij haar in den weg om waarlijk gelukkig te zijn.

[201:]

Hij kende haar; hij wist, dat zij hem oprecht liefhad, en nu, na hun gesprek en plechtige verloving, zou zij niet dan met hartzeer er toe kunnen besluiten, haar lot van het zijne te scheiden. Maar had hij nu nog het recht de rijke erfgename te veroordeelen, zijn zwervend leven, zijn bevlekten naam te deelen? Misschien kwam een gevoel van trots hem influisteren, dat Eugenie, het opofferende, maar toch wel wat romaneske meisje, hem alles schonk en hij haar niets kon aanbieden. Hoe het ook zij, hij wilde haar zijn woord teruggeven, veel tijd tot nadenken schenken en dan rustig afwachten; bleef zij bij haar besluit, dan kon hij gerust wezen en zonder gewetensbezwaar het geluk smaken, dat eindelijk als een vriendelijk licht op zijn barren levensweg verscheen.
Het diner begon. De Beaurepaire en Hartwig waren spoedig in 't algemeen gesprek betrokken; zij waren de hoofdpersonen van het gezelschap, zoowel door het vreemde, dat hen omgaf; als door hun algemeene menschen- en wereldkennis. Een bediende trad binnen en reikte den graaf eenige brieven en couranten over; snel wierp hij een blik op de adressen.
“Ah! mon ami,” riep hij, “et voici une pour vous.”
Verwonderd nam Hartwig den brief aan. 't Adres was niet van Eugenie en hij verbleekte; de poststempel droeg echter Soerabaya. Zijn eerste beweging, die hij echter dadelijk onderdrukte, was de enveloppe ijlings open te scheuren, zijn tweede, het gevolg zijner gewone zelfbeheersching, den brief in zijn portefeuille te bergen en zijn derde evenals zijn vriend onverschillig het diner voort te zetten.
Er ontwikkelde zich een politieke discussie, die met het diner nog niet eindigde. De Hollandsche heeren raakten in vuur, de dames gingen een voor een naar de voorgalerij en ofschoon Hartwigs gedachten meer bij den brief dan bij de politiek waren, was hij te beleefd om zijn vriend alleen te laten tegen zoovelen. 't Was negen uren toen het gesprek verflauwde en hij de kans schoon zag om naar zijn kamer te gaan.
Een der paviljoentjes aan de achterzijde van het erf, door den bloementuin van 't hotel gescheiden, was den graaf tot woonplaats gewezen. 't Bestond uit een voor- en achtergalerijtje met twee kamers. Toch droeg 't den weidschen naam van “Villa Felice.” De lamp, door een bediende aangestoken, wierp een helder licht door het kleine vertrek, dat alleen gemeubeld was met een ledikant, eenige stoelen, wasch

[202:]

tafel, spiegel en... talrijke langs den muur kruipende hagedissen.
Eindclijk kon hij aan zijne nieuwsgierigheid toegeven. Snel brak hij den brief open; het waren vier bladzijdjes dicht beschreven door eene bevende hand; hij zag naar de onderteekening en las tot zijn groote verbazing:
“G. van Helden.”
“Wat zou hij nu willen?” vroeg hij zich zelven. “Zeker eene lastering over Eugenie.”
Hij las en spoedig waren zijne oogen strak op ’t papier gevestigd. Zijn borst scheen niet meer te ademen; met ziel en verstand was hij aan den brief gehecht. Toen hij het laatste woord had gelezen, viel 't stuk loodzwaar op de tafel neer; zijn hand streek over zijn voorhoofd en oogen, en opstaande ging hij eenige malen de kamer op en neer.
“Eindelijk” mompelde hij; “eindelijk! O, Eugenie, nu kunt gij gelukkig zijn door mij, en kan ik uw hand onbevreesd aannemen.”
Hij richtte zijn hoofd op, als ware hij van een zwaren last bevrijd en nam toen den brief al weer ter hand, om langzaam en woord voor woord tlet volgende te lezen:

“Wolfgang!
“Verwonder u niet een brief van mij te ontvangen. Ik had u eerder moeten schrijven, voor uw geluk en mijne rust. Gij zijt ongelukkig, ik weet het; alles, waarop gij aanspraak mocht maken, heeft de wereld u geweigerd, Gij zijt een eenzame zwerveling, een balling in uw eigen land; maar toch zijt gij gebleven, wat gij in uw jeugd waart, en ik heb 't in uw oogen, in uw houding gelezen: gij zijt meer dan toen, gij zijt een beter mensch, 't lijden heeft u gelouterd. 't besef uwer onschuld u staande gehouden; gij zijt in uw eigen oogen niet vernederd, gij gevoelt u verheven boven degenen, die u een moordenaar en dief noemen.
“Ik benijd u dat bewustzijn, Wolfgang! De wereld acht mij, men noemt mij gelukkig omdat mijn zaken mij rijk hebben gemaakt, mijn vrouw schoon en schitterend is, mijn kinderen bloeiend zijn; doch vooral omdat zij niet weet wat in mij omgaat, hoe ik mij verafschuw, hoe ik in de eenzaamheid sidder, omdat een Oog daar doordringt, dat ook het verledene kent en dus weet wie van ons beiden recht heeft op de eer of de schande. Hoe meer men mij een achtenswaardig mensch noemt, hoe dieper ik een worm voel knagen in mijn hart. Gij zijt gelukkig: gij weet niet wat

[203:]

wroeging is. Neen, gij behoeft niet te blozen, al wijst ieder u met den vinger na, want gij zijt onschuldig en ik, ik ben schuldig, ik ben de moordenaar van den kolonel!
Die bekentenis, indien ik haar aan Fanny, mijn kinderen of wien ook deed, zou allen van mij verwijderen; ik zou meer nog dan nu een voorwerp van afschuw worden en toch ik gevoel behoefte haar te doen. Ik begrijp dat het tijd wordt een einde te maken aan de afschuwelijke onrechtvaardigheid, waardoor gij, de onschuldige, boeten oet voor mijne ontzaglijke schuld. Mijn huisgezin zal ik ongelukkig maken en Fanny, de trotsche Fanny... o God, hoe zal die ontdekking haar verpletteren! Wolfgang, ik verdien de strengste straf, maar heb medelijden met uw zuster, met mijn onschuldige kinderen, op wie de schande zal blijven rusten!
Gij hebt mij nooit goed gekend; gij hebt mij nooit als een vriend behandeld, omdat gij mij voor te koel, te koud aan zaagt. Gij wist niet, dat ik met hartstocht beminnen en haten kon; dat, zoodra 't vuur mijner hartstochten was ontbrand, ik het niet meer kon uitdooven. Ik heb u gehaat, Wolfgang, omdat gij schoon, rijk, begaafd, de eenige zoon waart, en Fanny beminde ik, met alle kracht mijner ziel.
Ik heb 't u niet vergeven, dat gij u gekant hebt tegen ons huwelijk, ik wilde mij wreken. Doch toen vermoedde ik nog niet, dat mijn wraak zoo vreeselijk zou worden; de omstandigheden hebben mij medegesleept en mijn onbeteugelde hartstochten.
Terwijl Fanny tijdens onze Duitsche reis bij haar moeders familie was gelogeerd, maakte ik een uitstapje naar Homburg en bezocht de speelzaal.
Ik waagde een kleinigheid en won; toen waagde ik meer en nu kon ik niet meer terugkeeren. Ik had den eersten stap op een glibberige baan gezet; ik ging voort en speelde den geheelen nacht door; ik verloor alles wat ik bij mij had; en toen er niets meer overbleef, gaf ik mijn schuldeischer een obligatie van 10000 thlrs. op papa's kas. Ik was in één nacht meer dan geruïneerd. Toch heeft Fanny er niets van gemerkt - gij weet, dat ik mijn gevoelens goed kon verbergen - en toen ik in Holland teruggekomen was, peinsde ik op middelen om bijtijds de noodlottige som te bekomen. Hoe kwam de gedachte aan den kolonel in mijn brein op? Ik weet het niet. Ofschoon uitwendig bedaard, was ik inwendig als krankzinnig. Ik

[204:]

heb den weg gevolgd, dien gij door een grap hadt aan gewezen: ik ben tot het dakvenstertje geklommen, sneed de ruit door en drong vervolgens tot in de huiskamer; ik had het geld in handen, toen plotseling de kolonel met opgeheven hand binnentrad. Er bleef mij niets over dan een ponjaard te trekken en toen.... Het was volbracht; ik zag mij als speler, dief, moordenaar en was toch Fanny's echtgenoot. In een afgrond van schande was ik gezonken, in een maand tijds! Ik had mijn handschoen op de plaats der misdaad verloren; door uw vader overvallen in een oogenblik van vertwijfeling, reikte ik hem dien over. 't Was echter voor hem een bewijs van uw schuld en niet van de mijne. Ik zweeg en moest het aanzien, dat gij gevangen genomen en zedelijk gevonnisd werdt; hadde ik u niet zoo gehaat, dan ware mijne schuld misschien reeds ontdekt. Voor Fanny hield ik mij of uw schande mij veel deed lijden. Dat krenkte haren trots en vandaar die stugge handelwijze en die verloochening van u tegenover iedereen. Doch ik voelde, dat hare verachting mij toekwam; dit vermeerderde mijn lijden en nu nu wil ik een einde aan alles maken. Ik leg het lot van mij, mijn vrouw en kinderen in uw handen. Zij zullen het mij niet vergeven, dat ik hen zoolang heb bedrogen, en gij, Wolfgang, hoe moet gij mij niet verachten, gij, die onschuldig zoo ongehoord veel hebt geleden? Troost u, ik ben rampzaliger dan gij, en eerst als ik geboet heb, als mijn bloed gestort is voor dat van mijn slachtoffer, dan, ja dan eerst zullen, als God barmhartig is, mijne kwellingen geëindigd zijn. Voor u zal het leven eerst zijn schoonste vruchten dragen.
“O, nogmaals, lenig de smart, vermeerder de vernedering niet van haar, die evenals voorheen in de dagen van onschuld mijn afgod was! Om harentwil, wees niet te streng! Maak van dezen brief het gebruik dat u goeddunkt; 't geheim, dat zestien jaren geheel het mijne is geweest, behoort mij niet meer toe. Ik ben bereid tot alles, niets kan mij meer deren dan Fanny's smart.
G: VAN HELDEN.

“En wat moet ik nu doen ?” vroeg Wolfgang. “O God! Is 't dan waar? Zal ik eindelijk de wereld kunnen toonen, dat ik verongelijkt ben, dat zij mij ten onrechte uit haar midden heeft geworpen? Eugenie, gij zult mevrouw Van

[205:]

Senne mogen heeten; uw gift zal ik naar waarde kunnen schatten. Vader, ziet gij wel dat uw vloek geen kracht had!”
Hij bleef met het hoofd in de hand zitten en mijmerde.
Ja, dat was het geluk, dat volmaakte geluk, dat hem tegenkwam, 't geluk in den vorm van een eervollen naam, een geliefde vrouw. 't Was te veel voor den armen zwerveling, 't joeg hem schrik aan. Hij sidderde voor dien overvloed, terwijl zijn verbeelding tafereelen schilderde, schitterend gekleurd, vol huiselijken vrede en onverdeeld genot. Hij zag Groenerode, haar geliefd kasteel, verfraaid en vernieuwd, zij aan zijn arm en kinderen haar evenbeeld, aan hunne zijde, en al zijn vrienden, die hem vroeger blikken vol hoon en afschuw toewierpen, kwamen zijn hand drukken, hem vergeving vragen voor den lagen argwaan. Hij dacht nauwelijks aan Van Helden, de verbazing over diens bekentenis was reeds verre van zijn ziel; hij dacht slechts aan de blijde toekomst, waarvan hij nu reeds den helderen dageraad zag en die hem zou toebehooren, hem en Eugenie alleen. Wat deerde het hem thans of zij schatrijk was! Nu kon zij zonder offer hem hare hand schenken en hij de schoone bruid fier en vol eigenwaarde naar 't altaar leiden. O, indien zijn vader nog leefde!
Zijn vader! een snaar die nog niet had getrild, liet haar toon hooren en vormde een snijdend contrast met de jubelklanken; welke daar straks in hem zoo hoog weerklonken. Was zijn vaders leed eens minder groot geweest, als hij ’t leven van zijn dochter vergiftigd en verwoest had gezien, zoo kort na haar huwelijk? O Fanny; wat zou zijn geluk een zwarte, een afschuwelijke schaduw werpen op het hare!
Hoe rampzalig maakte hij nu een geheele familie! Maar daar had Gerard niet aan gedacht, toen hij in koelen bloede het kon aanzien, dat de onschuldige door ieder werd veracht, terwijl voor de wereld geen zweem van smet op hem zeIven kleefde. Doch ook Fanny was onschuldig, ook hare kinderen hadden geen deel aan de schuld des vaders, en toch moesten zij samen boeten. Alles wat hij in die zestien jaren geleden had, zouden zij nu moeten lijden.
Een minder edele natuur zou er zich in verheugd hebben dat nu ook zij eens gingen voelen, wat het zegt onschuldig veracht te worden, maar zoo was Hartwig niet. Hij voelde dat de ondergang dier rijke, naar de wereld gelukkige familie zijn werk zou zijn, dat hij van zijn tweelingzuster een ge

[206:]

schandvlekte moeder en echtgenoote maakte, en dat, al was hij nog zoo gezegend, die gedachte zijn geluk zou verbitteren. De strijd begon, een zware, een vreeselijke strijd!
De geschiedenis heeft in hare bladen bijzonderheden geboekt van moedige mannen, die om hun vaderlandswille, alléén wonderen van dapperheid deden. Maar duizenden hadden het oog op hen gevestigd: de stift der geschiedenis was daar om hunne namen op te teekenen en aan de bewondering van 't nageslacht over te leveren, en al was dan ook de strijd te zwaar, al bezweek de dappere kampioen, wat nood? De faam stond gereed, om aan zijn gedachtenis een nieuw onsterfelijk leven des roems te schenken.
Maar elk oogenblik schier wordt er in zoo menig hart een andere strijd gestreden, die misschien zwaarder valt dan die der helden in die oogenblikken van verhevene opoffering; een strijd in de binnenkamers, zonder andere getuige dan dien Eene, wiens blik in de geheimste schuilhoeken dringt; een strijd tusschen plicht en neiging. Nimmer zal iemand nog op aarde weten hoe zwaar dan het offer is, in dat oogenblik gebracht, hoe pijnigend het bewustzijn valt van alle geluk afstand te moeten doen voor een ander, doch des te grooter het loon, dat niet een vluchtige roem, maar een eeuwige God aan zulke overwinnaars schenkt.
Zulk een strijd, de zwaarste, welken hij nog ooit had gestreden, had daar plaats tusschen den bruidegom van Eugenie en Fanny's broeder. Hij was aan lijden gewoon; hij had zoo lang de meening der menschen getrotseerd; hij was zoo lang alleen geweest zonder liefde of steun; - waarom zou hij 't in 't vervolg niet meer kunnen? Waarom moest hij zoo egoïstisch zijn om meer te wenschen, hij, alleen in de wereld, hij wiens ledige plaats reeds lang weer vervuld was? Niemand immers dacht nog aan hem. In 't buitenland had zijn vreemde naam roem ingeoogst, en 't was slechts een gril, dIe hem had doen besluiten Eugenie aan zijn lot te verbinden.
Een gril of een reine liefde, die hem en ook haar verhief? Mocht hij door een weigering ook haar geluk op 't spel zetten - en voor wien? Voor een verachtelijken schurk als Van Helden, een trotsche, koude vrouw als Fanny, onbeduidende wezens als hunne kinderen? En hij zag Eugènie.s teederen blik; hij hoorde haar stem, die beloofde hem in de ballingschap te volgen, en naast haar ontwaarde hij de koninginnen houding zijner zuster, die vol verachting hem voorbijging. Ja, nu kon hij voor haar staan, gereinigd van

[207:]

de smet, en zij ter aarde vernederd door de schande van haar uitverkoren echtgenoot!
Neen, dat was een onedel gevoel, dat was ijdelheid! ’t Werd hem te eng in de kamer; hij wierp de glazen deur open, welke toegang gaf tot de achtergalerij, van waar men over ‘t gebergte een uitgestrekt gezicht had. De maan kwam achter de boomen op en zacht als ee.n zilverfloers, over een donker gewaad geworpen, goot zij over een gedeelte van 't dal en den berg haar tooverachtig, teeder licht. Hij naderde de balustrade en toen zijn oogen ten hemel werpende, vouwde bij de handen samen:
“Mijn God, laat me niet alleen in den strijd! Ik kan niet meer, ik kan niet meer! Eugenie, Fanny het geluk van een uwer ligt in mijn hand, mag ik alles verstooten voor een ondankbare?”
De uren vlogen heen en de Salak, de rijstvelden, de bergstroom, het woud baadden zich. in 't poëtische licht. Maar in zijn ziel was 't donker; de straal van geluk, die haar zooeven verlichtte, was verdwenen. Arme Hartwig! De beker van 't zuiverste genot was aan zijn lippen gebracht en hij moest dien wegstooten. Neen, hij mocht zijn tweelingzuster niet vernederen, alleen om voor zich zelven eenige jaren van geluk te koopen, want slechts eigenbelang, grenzenlooze ijdelheid konden hem toefluisteren, dat Eugenie met hem alleen gelukkig zou zijn. Zij, de rijke erfdochter, en hij, de oude, door verdriet gerijpte man, pasten niet meer bij elkander. Zonder hem was Van Helden reeds aan een machtigen wreker, zijn eigen geweten, overgeleverd, en Fanny kon gelukkig zijn in hare ijdelheid en rijkdom, zonder te vermoeden, dat dit geluk met de opoffering van 't zijne was gekocht.
De nachtwind verkoelde zijn slapen en verfrischte zijn geest; alweder liet hij zijn verleden in bonte tafereelen voor de oogen zijner herinnering verschijnen. De verwoesting van 't verleden was Gerards werk, en de toekomst? Nu eerst als hij nog ongelukkiger zou zijn dan voorheen, kon hij in waarheid zeggen: 't Ligt aan mij! Ik had gelukkig kunnen zijn en ik heb 't niet gewild! O wat was die strijd zwaar, toen hij voor Eugenie zijn liefde verborg, toen hij haar hulpeloos en verlaten ver van hem zag gaan, toen hij alle briefwisseling met haar afbrak; maar 't was niets in vergelijking van dien, welken hij thans streed, en toch, hij was als altijd meester van zich zelven. Hij overwon.
Boven hem fonkelden en glinsterden de sterren. Over honderd jaren zou boven dienzelfden berg de blauwe hemel zich

[208:]

welven en diezelfde sterren constellaties, datzelfde kruis van 't zuiden, dat als zegenend hun verloving had aangestaard, diezelfde maan hun licht verspreiden; maar zijn hart en die van Eugenie en van Fanny zouden sedert lang met kloppen hebben opgehouden. En dan, waar zouden dan allen zijn?
In de eeuwige plaatsen, waar niet gevraagd wordt wie er gelukkig is geweest op de wereld, wiens naam het meeste gevierd werd door de menschen, maar wie zich zech zelven overwonnen heeft, wie tot het einde trouw is geweest. En moedig keerde hij zich af van de geluksvisioenen, die hem toelonkten, zelfs onder het bereik zijner hand schenen, en in zijn kamer terugkeerend hield hij Van HeIdens brief boven de vlammen der lamp. Een minuut later en 't bewijsstuk was vernield; 't middel om in een zwakker oogenblik op zijn besluit terug te komen, vernietigd.
Hij zette zich neer en schreef; eerst een kleinen brief aan Gerard, dien hij onmiddellijk verzegelde, toen een grooten aan Eugenie. Drie keer begon hij, drie keer verscheurde hij het papier: hij schreef te hartstochtelijk, hij deed haar te veel lezen in 't geen nu zijn gemoed vervulde en zij mocht alleen weten, dat haar rijkdom hen had gescheiden. Meer dan ooit was zij immers ver van hem, nu zijn ballingschap vrijwillig was, nu een geheim op hem rustte, dat aan haar niet bekend mocht zijn. Eindelijk lagen beide brieven gereed; afgemat staarde hij naar de adressen.
“Eugenie, we hadden toch gelukkig kunnen zijn!” zuchtte hij en dat teedere gevoel deed een traan in zijn mannelijk oog wellen.
“Dwaasheid!” zeide hij onmiddellijk daarop. “Niet in het volgen van onzen wil is ons geluk gelegen. Als wij gelukkig, moeten zijn, dan kunt gij, O God, het ons nog maken langs Uwen weg.”
De volgende morgen vond hem nog slapeloos. Hij verfrischte zich door een bad, bezorgde zijn brieven op de post en maakte een wandeling door de heerlijke natuur. Toen hij in de ontbijtzaal kwam, trad zijn vriend naar hem toe.
“Hebt ge niet geslapen?” vroeg hij. “Ge ziet er zoo bleek en ontdaan uit.”
Hartwig wierp een blik in den spiegel en schrikte: hij scheen in dien enkelen nacht veel ouder geworden.
“'t Is niets,” antwoordde hij lachend, “ik heb wat last gehad van de muskieten.”









volgende pagina | inhoud | volgende pagina