Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[108:]

SARIMAN.

Anderhalf jaar was verloopen sedert Eugenie de Lody als gouvernante bij de Van HeIdens werkte. Die dagen hadden hun onaangenaams gehad, doch ook hun genoegens, en al waren zij over 't algemeen van achteren beschouwd vrij eentonig voorbijgegaan, Eugenie verwonderde er zich over dat het reeds zoo lang geleden was sedert zij hare eerste intrede onder vreemden had gedaan. Cato was nu reeds ruim vijftien jaar en Leentje, die bijna twee jaar jonger was, telde er veertien. Ze waren in ontwikkeling evenveel gevorderd als het met Eugenies stalen volharding en goedig geduld en hunne beperkte vermogens en geringen wil
Cato kon een aardig stukje op de piano spelen, een weinig teekenen, een gesprek over alledaagsche onderwerpen gaande houden, maar veel verder strekten hare kundigheden zich niet uit. Leentje was naar den geest beter bedeeld, maar haar karakter was niet zoo goed als dat van Cato; zij was sluw, geslepen, koppig en jegens hare moeder in ’t bijzonder koel en stug. Eugenie wist nooit hoe hoog zij in hare schatting aangeschreven stond, of Leentje genegenheid voor hare leermeesteres voelde dan wel onverschilligheid. Weinig vermoedde zij, dat hare jongste leerlinge van jaloezie tegenover haar brandde, dat zij haar alles benijdde: schoonheid, talenten, beminnelijkheid en geest. Anderen als Leentje hadden dit ook bespeurd; reeds verscheidene malen had zij huwelijksaanzoeken ontvangen, maar zij weigerde ze allen; voor den een was ze te jong, voor den ander te oud, de derde

[109:]

scheen haar te arm en de vierde te leelijk. Nooit was mevrouw Van Helden tevredener dan wanneer zij van zulk een afgeslagen aanbod hoorde. “Nog twee jaren,” dacht zij, “en dan is Leentje zestien en ik heb geen gouvernante meer noodig; laat dan juffrouw Lody trouwen met wien zij wil, ik heb er niets tegen.”
Zij was nog dezelfde schoone vrouw, die nooit eenige voorbijgaande of blijvende verandering onderging. Een eeuwig blauwe hemel is wel schoon, maar niets gaat de verrukkelijkheid te boven van de veelkleurig geschakeerde wolkjes, die de zon bij haar op- of ondergang vergezellen. Aan zulk een onverstoorbaar heldere lucht deed mevrouw Van Helden Eugenie denken.
Hoogen dunk had zij niet meer van mevrouws inborst: wat der vrouw tot grootst sieraad strekt, de zachtzinnigheid, bezat ze voorzeker niet. Dit bewees genoeg haar afschuw van de Javanen, die zij soms behandelde als waren ze redelooze dieren.
De meid, die Eugenie meer bijzonder bediende, was een nog jong getrouwde vrouw. Mira kon aardig keuvelen; zij had die natuurlijke koketterie; welke bij een jonge Javaansche meestal de schoonheid vervangt, en voor n o n n a U s e n i e had ze de levendigste genegenheid.
“Als de nonna trouwt,” zeide ze haar dikwijls, “verlaat ik onmiddellijk den dienst van mevrouw en ik kom bij u.”
Soms verscheen Mira met roodgeweende oogen in de kamer en op Eugenies deelnemende vraag wat haar scheelde, was 't antwoord, dat zij met haar man ruzie gehad en hij haar geslagen had. Dan was ze erg boos op Sariman; zij wilde van hem scheiden en wenschte hem een vrouw toe als de kokkie [Keukenmeid.], die hem ongetwijfeld eIken klap met interest zou terugbetalen. Zij pruilde eenige dagen lang tegen hem, maar gewoonlijk haalde hij haar weer aan en alles was weldra vergeten. Voor de goede harmonie van een Javaansch huishouden zijn dergelijke onweerswolken immers onontbeerlijk.
Op zekeren morgen, terwijl Eugenie zich kleedde, hoorde zij in een hoek van 't vertrek, waar Mira bezig was ’t een en ander te verstellen, luid snikken.
“Heb je weer gekibbeld, Mira?” vroeg zij.
Mira huilde nog harder.

[110:]

“Nu, wat is 't dan? Zeg 't mij maar!”
“Ach nonna,” snikte de meid, “kassian Sariman!”
Eugenie bemerkte dus dat zij om Sariman en niet om zich zelve treurde.
“Wat scheelt hem dan?”
En onophoudelijk door tranen in hare rede onderbroken, vertelde Mira dat haar man de prachtige vaas in de voorgalerij had gebroken en dat mevrouw hem naar den resident had gezonden om vijf en twintig stokslagen te ontvangen.
“Och Mira, dat zal een bedreiging zijn,” troostte Eugenie.
“O neen, hij is reeds door de oppassers gehaald en hij was zoo woedend.”
“Weet je wat, ik ga naar mevrouw toe en zal haar vragen, hem excuus te geven.”
Mira huilde nog harder; 't scheen dat zij niet zoo heel veel vertrouwen stelde in Eugenies invloed op mevrouw.
Zij kleedde zich snel aan en ging naar het hoofdgebouw.
Mevrouw zat alleen aan de ontbijttafel, zoodat de gelegenheid niet gunstiger kon wezen.
“Mevrouw,” zeide Eugenie met gepaste vrijmoedigheid, “ik kom u iets vragen.”
“Wel juffrouw, vraag gerust! U weet: vragen staat vrij en weigeren er bij.”
“lk hoop, mevrouw, dat u van die vrijheid geen gebruik zult maken, daar 't geen ik u te vragen heb, zoo gemakkelijk is toe te staan.”
“ls 't voor de meisjes?”
“Neen, mevrouw, voor een misdadiger.”
Mevrouw drukte de lippen op elkander en zag Eugenie aan op een manier, die zeker niet aanmoedigend was.
“Voor den armen Sariman, mevrouw, die zoo streng een onvoorzichtigheid moet boeten.”
“'t Pleit voor uw zacht, teeder gemoed, juffrouw Lody, dat u de rol op u neemt van voorspreekster; maar ’t spijt me u te moeten zeggen, dat het geheel vergeefs is. Een voorbeeld moet gesteld worden om het onophoudelijke breken tegen te gaan; en daarom ben ik vast besloten, hier niet de minste verandering in te brengen. Sariman wordt streng gestraft; ik hoop dat het die onhandige apen leeren mag voortaan beter op te passen.”
“Och mevrouw, maak toch van het schoone recht, genade te schenken, gebruik.”
“Recht bovenal! En u weet als ik eens neen gezegd heb,

[111:]

blijft het neen, al kwam de gouverneur-generaal er nog tusschen. Maak u niet ongerust: die kerels voelen niet zooals u en ik; 't zal Sariman over een week geheel hetzelfde zijn of hij van morgen tot ontbijt ketan [Een soort van rijst.] of vijf en twintig rottingslagen heeft gehad.”
“Dat meent u toch niet, mevrouw!”
“Heeft u mij dan ooit betrapt op een gezegde, dat ik niet meende? En om aan uw mooie rol een einde te maken, moet ik u zeggen, dat het van Heldens wil is en niet de mijne.”
Eugenie zweeg en betreurde het dat er zoo weinig vrouwelijk gevoel huisde in dat fraaie hoofd.
Sariman onderging zijn straf met verbetene woede, Ofschoon zijn lichaam onder de snerpende slagen ineenkromp van de pijn, uitte hij geen enkelen kreet, geen klacht zelfs, maar zijn oogen brandden als kolen, en toen hij in zijn kamer terugkwam, waar Mira aan 't schreien en jammeren was, snauwde hij haar toe zich toch te schamen en te zwijgen.
Zij maakte hem warme koffie klaar en legde allerlei koekjes op de baleh-baleh neder; hij raakte niets van alles aan en daar de pijn hem niet toestond te zitten, bleef hij liggen, met de oogen strak voor zich uit gevestigd. Mira ging aan haar werk en hij was dus alleen.
't Duurde niet lang of zijn deelnemende kameraden traden binnen; met zijn gewoon flegma had deze dit te zeggen, de andere dat; de eene sprak zeer afkeurend over mevrouw; de andere liet er zich niet over uit. Sariman sprak niets mede; hij antwoordde niet en scheen in zijn eigene gedachten verzonken; de staljongen kwam 't laatst en bleef ook het langste.
Ofschoon op den allerlaagsten rang der bedienden staande, was Katjong Sarimans beste vriend; hij was een goedhartige oude man, die met ieder op den besten voet stond. Was er ruzie op 't erf, hij hield zich daar buiten; viel er iets te verdeelen, hij wachtte geduldig totdat er iets voor hem overschoot; zijn kamer had hij afgestaan aan 't groote gezin van den koetsier en zelf sliep hij of in de open lucht, of in den stal, of in een der veranda's, waar zijn matje kon uitgespreid worden. Eten kookte hij nooit; hij bewees de kokkie kleine diensten en kreeg daarvoor de overschotjes van de rijst en de aardappelschillen, waarvan hij, als hij zich eens goed wilde vergasten, een soepje maakte. Zoo behield Katjong

[112:]

't grootste deel van zijn tractement voor zich of liever voor zijn reeds volwassen dochter, die niemand anders was als Mira. 't Jonge paar had veel geld noodig: Mira hield er van keurig voor den dag te komen en Sariman niet minder.
Hij behoorde tot de fatsoenlijke Javanen, die trouw hunne godsdienstige plichten vervullen, die nauwkeurig ’t aantal s e d e k a h s [Godsdienstige maaltijd.] geven op de vastgestelde feestdagen, stipt de vasten houden en hierdoor een groot aanzien bij hunne geloofsgenooten verkrijgen. Hij was lang, knap en kon desnoods voor h a d j i [Javaansche priester] spelen en gevoelde zich dus diep gekrenkt door de onteerende straf, die hem in zijn eigene oogen vernederde.
“Doet het erg pijn?” vroeg Katjong deelnemend.
“De pijn is niets,” antwoordde Sariman, “maar de schande!”
“Perdoeli apa [Wat kan het schelen?] “ zeide heel philosophisch de schoonvader, “als de pijn maar weg is; de schande voel je toch niet.”
“De schande zal ik nog voelen als de pijn lang vergeten is.”
“Bah, ik heb ook al dikwijls obat-rottan [Rotting-olie.] gehad; maar ik gaf er niets om.”
“Ik zal me wreken.”
“Baik, baik [Pas op.]; de orang blanda [Hollanders.] doen alles wat zij willen; de orang islam [Mahomedanen.] moeten onderworpen zijn.”
“Ik heb een ongeluk gehad met die vaas; ik had ze willen betalen, maar daarvoor moest mevrouw mij niet laten slaan.”
“Perdoeli apa! Als je de vaas had moeten betalen, was je in geen jaar met de schuld klaar gekomen; nu is 't uit.”
“Neen, 't is niet uit, 't begint nu pas. Wacht maar ’t zal mevrouw heugen.“
“Boeat apa! [Wat helpt dat.] Je hebt de pijn toch al geleden.”
“Ik zal me wreken.”
“Dan wordt je nog tot krakal [Dwangarbeid.] veroordeeld. Vraag je ontslag en zoek een anderen dienst.”
“Neen, ik blijf hier! Ieder ziet me met groote oogen aan; zelfs de kleine kinderen weten dat ik zóó gestraft ben.”
“Och, ieder zijn beurt! Wees verstandig en als de pijn voorbij is, heeft ieder het vergeten.”

[113:]

“Maar mevrouw zal 't niet vergeten. Samber gleddek! [Dat de bliksem mij treffe.] als ik mij niet wreek.”
Katjong haalde de schouders op en verliet de kamer.
Sarimans eed maakte weinig indruk op hem: de Javanen zweren bij alles. Om het geringste te bevestigen, verwenschen zij hun hoofd, vingers, huis, kinderen en zelfs nageslacht. 't Was de eerste indruk, dacht hij, die wel spoedig zou overgaan.
Eenige dagen daarna gaven mijnheer en mevrouw Van Helden een groot feest ter gelegenheid van de voltooiing eener nieuwe fabriek, vele mijlen verder landwaarts gelegen.
De notabelen van X waren uitgenöodigd, en reeds ’s-morgens zeer vroeg vertrokken de tandoes (draagstoelen) en paarden met de geïnviteerden. Mevrouw Van Helden, hare dochters, Eugenie en nog eenige jonge dames waren er reeds daags te voren heen gegaan. Men had een groote loods met draperieën en bloemen versierd en tot eet- en danszaal ingericht; de kleine fabriekswoning was in kleed-, ontvangst- en buffetkamer verdeeld. Men kwam aan, maakte zijn toilet en begaf zich naar de loods, waar een lunch wachtte; mevrouw Van Helden nam de honneurs waar, met haren gewon en tact.
Eugenie hielp haar trouw; mijnheer was bij zulke feestelijke gelegenheden nog stiller dan anders; Cato en Leentje, met de meisjes van hun leeftijd bezig, waren vroolijk -en later zelfs opgewonden. Na 't dejeuner verspreidde het gezelschap zich; die lust hadden een dutje te doen, gingen in het hoofdgebouw; die onder de galerij koffie wilde drinken, bleef daar heel pleizierig zitten; de jongeren besloten een tochtje te maken naar een ouden Bouddhisten tempel. Eugenie behoorde tot deze laatsten, met de dochters van den ingenieur en van den dokter en eenige andere jonge dames, benevens een paar heeren tot cavaliers.
De weg leidde door een hol pad sterk bergaf; het dikke geboomte belette elk vrij gezicht naar voren; de lianen maakten den grond vaak onbegaanbaar. Men moest dikwijls klimmen en springen; soms ging het over een smal bruggetje en de meesten begonnen luid te klagen.
“Wacht maar,” zeide Eugenie, “het doel bekroont de moeite.”
“ls u onze cicerone?” vroeg een jong controleur. “Als de

[114:]

geleidster reeds zoo lief is, dan zal 't doel allerprachtigst moeten wezen.”
“Bij een tweede affront, zooals dit, verdwijn ik in een van die bosschen en dan moet het gezelschap maar zelf zijn weg vinden.”
“Een affront, juffrouw, waar denkt u aan?”
“Och ja, u kent mij niet genoeg; anders zou u wel weten, dat ik alle mogelijke complimenten, die men mij in 't gezicht maakt, zóó beschouw.”
“Verschoon me dan, juffrouw, en bewaar toch vooral ons gezelschap voor zulk een ramp.”
“Is er een poëet onder u?”
“Demang Sitroh,” zeide spottend een stem. De Javaan was werkelijk onder 't gezelschap.
“Dat weet ik wel; maar zal geen der Hollanders, hier tegenwoordig kunnen zeggen wat hij gevoelt als hij ziet, wat ik zie?”
Zij stond op het einde van den weg, waarvan zij den uitgang alleen bezet hield.
“Zeg u het ons: dat is nog beter dan als we het zelf zien.”
Zij deed een stap voorwaarts en liet ieder vrij, het heerlijke gezicht te bewonderen.
Het was een dier plekken, waar de tropische natuur zich in hare volle geweldige kracht openbaart. Een soort van dal door rotsblokken, overblijfselen van vulkanische uitbarstingen, omringd, waarover de weelderige plantengroei een gordijn van groen en bloemen heeft gespreid; zware bamboes, die hunne dunne takken over elkander doen wiegelen; varens, reusachtig ontwikkeld, die overal hunne groene, sierlijk geknipte bladeren uitsteken; in een hoek, daar waar een heldere bron uit de rots borrelt en een door hoog gras omringde kom vormt, de ruinen van den tempel, met het donkere mos en de orchideeën begroeid; dit was het geheimzinnig plekje, dat reeds eeuwen te voren tot een heiligdom was uitgekozen en dat nu nog den minst gevoelvollen bezoeker een soort van onbestemde vrees of liever eerbied inboezemde.
Volgde men den loop van het water, dat zich uit de kom langs steenblokken en onkruid een weg baande naar beneden, dan kon men weldra het geruisch hooren van een waterval en bij den uitgang van 't dal staan voor één dier echt Javaansche vergezichten, waarvan elk gebergte overvloeit. Dessah's, als schaakborden op elkander gelegd, en rijstvelden, bosschen, roode kleiwegen, - en naast de plaatsen, waar zich

[115:]

eenige sporen van fIlenschenhanden vertoorien als om hen uit te tarten, diepe ravijnen en kloven met reusachtige lianen en varens overdekt; daar een veld, waar vreedzaam de karbouwen hun werk verrichten, er naast de bruisende bergstroom, die, na zich aan de rotsblokken te hebben ontworsteld, zijn water, fijn als schuim, in talrijke fonteintjes opwerpt en dan zijn loop al hortend over de groote steenen in de diepe bedding voortzet.
“Wat zegt ge nu?” vroeg Eugenie en met verrukking staarde zij het trotsche natuurtafereel aan.
“Ik zeg,” zeide de controleur, die haar een weinig het hof maakte, “dat al dat moois even smakeloos zou zijn als een stuk brood zonder boter, wanneer men 't niet weerkaatst ziet in twee prachtige, blauwe lensen.”
“Ik zou al uw geestigheid niet op één oogenblik vertoonen,” antwoordde Eugenie droog, “anders zijn we den geheelen avond daarvan verstoken.”
En zij ging naar een anderen kant, vast besloten om den controleur te doen gevoelen, dat hij na zijn flauw compliment niet meer behoefde te rekenen op haar oplettendheid.
“In Europa is niets zoo schoon als dit!” zeide een stem achter haar. Zij zag om: het was Demang Sitroh.
“Neen, niets, niets!” hernam zij met geestdrift.
“En toch is Java niet gelukkig; toch schuilen, evenals die ravijnen tusschen de sawah's achter al dat schoons slavernij en onderdrukking.”
“Neen, zoo moet gij het niet beschouwen; men is nooit ongelukkig, dan wanneer men het zelf weet, en 't volk is tevreden; het heeft zijn huisjes, zijn rijst, zijn karbouwen, en verlangt niets meer.”
“Maar er zijn er die daarmee niet tevreden zijn, die begrijpen dat het volk recht heeft meer te vragen.”
“Er zijn er zoo weinig, die ontwikkeld genoeg zijn om diep na te denken over de politiek.”
“En gelukkig voor de Hollanders dat zij den Javanen alle ontwikkeling onthouden: anders zou 't spoedig gedaan zijn met hun dwingelandij.”
“Maar, mijn hemel! 't Is de opstand, dien gij predikt.”
“Ik moet u een oogenblik alleen spreken, juffrouw! Ik acht mij verplicht dit te doen, schoon het misschien verraad is.”
Hij zag zoo ernstig met zijn groote vurige oogen, die brandend voor zich uit gericht waren, dat Eugenie onwillekeurig rilde.

[116:]

“Wat dan?” vroeg zij en ging met hem ter zijde.
“Ik haat uwe mevrouw,” begon de Javaan, “omdat zij mij veracht, maar ik keur toch elke lafhartige daad van wraak af. Zij heeft een van hare bedienden wreed doen straffen; men zegt dat weldra die onmenschelijke willekeur zal worden verboden; des te beter voor ons. Maar dit wist uw mevrouw zeker niet, dat Sariman hoog onder de Javanen staat aangeschreven, dat ieder verontwaardigd is over de schande hem aangedaan en dat hij peinst op wraak. Ik heb u niets anders te zeggen dan: weest op uwe hoede.”
“Hemel! juffrouw Lody, u maakt ons jaloersch op Demang Sitroh.”
Eugenie keerde zich om; zij was iets bleeker geworden; zacht fluisterde zij tot den prins:
“Dank u, ik zal er om denken,” terwijl ze luid het gezelschap vroeg of het terugkeeren dan wel blijven wilde.
's Avonds was er groot bal. Onder een andere, even ruime loods, hielden de Javaansche werklieden feest; er speelden t a n d a k s en w a j a n g s [Javaansche dansen en toneelspel], voorafgegaan door een sedekah.
De dansmuziek vermengde zich met de eentonige klanken van den gamelan, die de Javaansche spelen accompagneerde.
Eugenie had 't druk met 't dansen en te gelijk ’t amuseeren der gasten; de controleur door hare koelbeid niet afgeschrikt, week geen oogenblik van hare zijde, zoodat zij zelfs eenigszins gemelijk werd.
In het gewoel van den dans dwaalden hare gedachten altijd van alle mogelijke beuzelpraatjes af naar het stille Groenerode of liever naar 't huisje aan gene zijde der rivier, waar 't altijd even stil en rustig was en waar een man woonde, zoo ver boven al degenen, die haar omringden, verheven als de eik boven 't struikgewas. Zij stelde zich dan Hartwig tusschen al deze menschen voor en met een gevoel van smart dacht ze er dan aan hoe die nietswaardige controleur het een heldendaad van zich zelven zou vinden, als hij hem de hand weigerde.
't Was goed voor Eugenie, dat zij een eigen wereld bezat, waar zij als koningin regeerde. Zoo had ze dan altijd een toevluchtsoord, om er met genoegen in uit te rusten, als het haar in de werkelijkheid te eentonig of te onaangenaam werd.

[117:]

“Juffrouw Lody, waar zijn de meisjes en Charlie toch?” vroeg mevrouw haar plotseling.
“Maar Charlie is al lang naar bed,” antwoordde Eugenie.
“Dat dacht ik ook, en toch is hij niet in het huis; ik zie de baboe evenmin.”
“Dan zal hij naar de tandak gegaan zijn.”
“De meisjes ook? En ik heb 't haar stellig verboden.”
“Ze zullen er misschien, ook niet zijn; ik denk dat ze ergens dansen.”
“Wil u dan maar even naar Charlie kijken? Ik zal wel naar Cato en Leentje omzien.”
Eugenie maakte gebruik van 't oogenblik, dat de controleur met een anderen heer sprak, om onopgemerkt naar de loods der Javanen te gaan. Spoedig ontdekte zij een groep meisjes en in hun midden Cato en Leentje, die de grootste pret hadden in de figuren der wajang.
Eugenie tikte een harer op den schouder:
“Uwe mama zoekt u overal,” zeide zij.
“Astaga,” riep Cato verschrikt. “mist ze ons al? Kom, gauw naar binnen.”
“Ik blijf tot het uit is,” zei Leen.
“Wees niet zoo mal, Leen, en kom toch mee; mama wil 't immers niet hebben.”
Pruttelend gaf Leentje toe en volgde hare zuster en vriendinnen, toen Eugenie nogmaals vroeg:
“Waar is je broertje?”
“Bij de baboe. Ik geloof dat ze daar ergens zit.”
Zij keek rond en wees Eugenie eindelijk 't punt aan, waar de baboe rustig haar sirih zat te kauwen. Charlie zat niet naast haar, maar hij kon toch in de nabijheid zijn.
Helaas! de baboe wist van niets; zij had hem te slapen gelegd en na lang heen en weder vragen, kon er één vertellen dat hij den sinjo met Sariman had zien loopen. Eugenie schrikte hevig. Bij Sariman! En zij dacht aan de laffe wraak, waarop Demang Sitroh doelde.
“Wij moeten hem zoeken,” riep ze luid; “gaat ’t bosch maar door, langs alle richtingen,” en een der flambouwen nemend, ging zij hen voor. 't Was haar of zij in de verte kindergeschrei hoorde; de muziek hield juist op en 't scheen haar of het uit de richting der vallei van den. tempel kwam.
Zonder aarzelen sloeg zij het pad in, dat ze dien morgen was langs gegaan, geen acht gevende op de struiken en

[118:]

takken, die haar kleed scheurden, en toen ze eensklaps omzag bemerkte zij dat niemand haar volgde.
Aan terugkeeren viel niet te denken en schoon huiverend van schrik over de akelige stilte van het bosch, ging ze vast beraden door. Twee- of driemalen struikelde zij, eens liep de fakkel gevaar uitgedoofd te worden door het klapwieken van een uil; zij sidderde, doch stond geen oogenblik stil voor zij in het akelige, duistere dal kwam.
Even bleef ze luisteren; boven het geruisch van ’t vallende water klonk 't geschrei thans zeer duidelijk. Wat zou Sariman doen met den armen knaap, den oogappel harer mevrouw? Zij trachtte hare stem te doen hooren: somber weerkaatsten de echo's den toon. Zij ging naar den uitgang, te gelijk koud van den angst en warm door de snelle beweging.
Het was een schoone nacht zonder maneschijn. In ontelbare constellaties schitterden de sterren boven haar hoofd; doch slechts luttel was het licht, dat zij over het uitgestrekte landschap wierpen.
“Charlie, Charlie!” schreeuwde zij.
Het huilen werd harder; misschien vergiste zij zich, misschien was het een Javaansch kind.
Zij boog zich over den bergrug en zag naar beneden waar het water klotste en bruiste: 't was onmogelijk iets te onderscheiden.
“Charlie Van Helden!” riep ze nogmaals en nu was 't antwoord duidelijk:
“Mama!”
“Waar ben je nu, Charlie?” vroeg zij.
“In de rivier, ik hang aan een boom tot kapot mijn handen.”
“Ik zal je helpen, jongen! Hou je goed vast, ik kom.”
't Was een waagstuk de rotsen bezijden den waterval af te klouteren, gehinderd als zij was door hare kleederen, maar “Ce que femme veut, Dieu le veut.” Zij moest het kind ter hulpe komen, kost wat kost. 't Koude zweet brak haar van alle kanten uit. De wand was steil, en de rotsen hadden allen spitsen punten; een man zou er voor teruggedeinsd zijn.
“Charlie,” vroeg ze, “Zou je het nog een kwartier kunnen uithouden?”
“Neen, mijn handen al kapot. Adoe toelong!” [Ach help!]

[119:]

Die wanhoopskreei klonk zoo hartverscheurend door den stillen nacht, dat Eugenies laatste aarzeling ophield; zij wierp de toorts naar beneden, beval hare onderneming aan God en klauterde langs de rots.
't Ging gemakkelijker dan zij dacht; vroeger had het water hier langs gevloeid en een kleinen, vrij gladden weg gebaand. Toch waren hare handen gewond en haar gelaat bebloed, toen zij den voet eindelijk op 't laatste blok zette en beneden was; even zag zij opwaarts en schrikte toen zij bemerkte hoe die rug wel een hoogte van twee manslengten had.
“Zeg me nu, waar ge zijt, Charlie?” vroeg zij. ’t Antwoord kwam van een honderd pas verder:
“Hier zoo. Allah! ik kan niet meer.”
In een oogenblik was Eugenie aan het punt van waar zijn geroep klonk. Een groote, bij den wortel omgevallen boom was, dank zijn sterke groeikracht, in omvang toegenomen en liet zijn talrijke takken in den stroom wiegelen. Aan een dezer hield de arme knaap zich geklemd: hij had de kracht niet tegen het water te worstelen, dat tot aan zijn middel reikte en soms tegen zijn gelaat spatte. Eugenie hield zich zooveel mogelijk aan de takken vast en ging onverschrokken in het water. Zoodra zij bij Charlie was, sloeg zij haar rechterarm om hem en hij liet den tak met beide handen los, ten einde haar hals te omklemmen. Hij was gered; zonder moeite waadde zij door het ondiepe water en bereikte den oever; bewusteloos lag zijn hoofd op haar schouder en bijna bezwijkende onder zijn last, zette ze zich op een rotsblok neer.
't Duurde niet lang of er glimden lichten door het woud; zij verhief hare stem, doch er verliep eenigen tijd eer men haar hoorde. Eindelijk zag zij de lichten verdwijnen, maar stemmen waarschuwden haar, dat men langs een binnenweg naderde. 't Waren de baboe, de administrateur der fabriek en eenige Javanen, die tot deze groep behoorden; verscheidene anderen hadden zich reeds door het gebergte verspreid, en 't was onmogelijk hen te waarschuwen. De baboe nam haar sinjo op den arm; de administrateur bood de afgematte Eugenie den zijne aan en zoo bereikte men na weinige minuten de woning, waar alle feestviering voor groote ontsteltenis had plaats gemaakt. Mijnheer en mevrouw waren beiden aan 't zoeken; men zond onmiddellijk boden om hen te waarschuwen. Charlie werd verkleed, te bed gelegd en bijge

[120:]

bracht; zoodra hij spreken kon, verhaalde hij dat Sariman hem in de rivier geworpen had en toen hard was weggeloopen. Gelukkig had de knaap zooveel tegenwoordigheid van geest behouden om een der takken te grijpen. Dat was zijn redding geweest.
Om den toeloop van nieuwsgierigen te beletten, sloot Eugenie de deur. Plotseling werd er hard geklopt en toen de baboe opende, vloog mevrouw Van Helden binnen; zij was doodsbleek, maar terwijl ze naar het bed trad en het kind opnam om 't aan het hart te drukken, eerst in een stomme omhelzing te kussen en dan met de zoetste namen te overstelpen, werd haar gelaat hooger gekleurd. Met verrukking staarde Eugenie haar aan; wat anders als een vonk in haar oogen had gegloord, sloeg in dit oogenblik tot volslagen vlam over.
Het verhelderde, het verlichtte haar gelaat, evenals de glanzende zon aan alles waarover zij schijnt kleur en gloed geeft. Eindelijk was de koude vorm bezield; in verrukking lag zij op de knieën voor het kind, dat zij hartstochtelijk teeder beschouwde.
“En hoe zal ik u bedanken, u, mijn goede, mijn lieve Eugenie?” en ze liet Charlie alleen om naar Eugenie, die zij nog nooit zoo had genoemd, te snellen en haar te omhelzen.
Van Helden trad binnen.
“O Fanny, wat een schrik!”
“Hier is hij, hier is ons kind, Gerard!” riep zij vol vervoering uit en reikte hem Charlie over. Hij kuste het knaapje hartelijk en vurig.
In dit oogenblik zag Eugenie meer in het diepste der Van HeIdens dan in de anderhalf jaar, die verloopen waren.
“Bah!” hoorde zij achter zich zeggen, “wat maken ze toch een beweging voor zoo'n jongen. Als wij 't waren, tobat...”
't Was Leentje.
“Kassian, toch als hij verdronken was,” zeide Cato en zij ging op hare beurt naar het broertje.
Mevrouw was weer dezelfde geworden; zij legde het knaapje te bed. De straal, die haar gelaat verhelderde, was verdwenen.
“Die Sariman! Hij zal ’t voelen!” riep ze op haar gewonen beslisten toon.
Er werd dikwijls aan de deur geklopt; men wilde den jongen zien, men wilde Eugenie feliciteeren, doch zij ging zich aan ieders oog onttrekken, voor niets zoo bevreesd als voor een algemeenen triomf. Met alle menschen, die meer trots dan ijdelheid hebben, had Eugenie een soort van min

[121:]

achting gemeen voor loftuitingen, die haar toegebracht werden door lieden, welke zij met onverschliligheid voorbijging, of als hare minderen achtte. De woorden van mevrouw Van Helden hadden haar goedgedaan; doch de grootste belooning was ongetwijfeld geweest, wanneer zij uit Hartwigs mond iets had mogen vernemen zooals hij dit gewoonlijk placht te zeggen:
“Flink gehandeld, Eugenie! Zoo iets kenmerkt de. jonkvrouw van Groenerode beter dan een hoop adelbrieven.”








volgende pagina | inhoud | volgende pagina