Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[99:]

EEN HOLLANDSCH THEEUURTJE OP JAVA.

Op een avond in de west-mousson zat de familie Van Helden in de groote binnengalerij, die er nu uitzag als een huiselijk Hollandsch saIon. Mevrouw zat voor de groote tafel, waarop nu het theegoed stond; tegenover haar las haar man de courant; Cato en Leentje, aan een zijtafeltje gezeten, maakten hun werk af; Eugenie had een borduurwerkje in de hand en luisterde naar het gesprek, dat mevrouw Van Helden met een jong ambtenaar hield, die onlangs uit Holland aangekomen, eenige dagen bij de familie logeerde. Hij gaf een beschrijving van een opera-voorstelling, door hem in Brussel bijgewoond, en daar hij de gave van goed te vertellen had, waren zijn twee toehoorsters geheel gehoor. Cato en Leentje lichtten dan ook wel hunne hoofdjes op en luisterden naar al dat heerlijks, waarvan zij nooit het minste vermoeden hadden gehad, maar nauwelijks dwaalde mama's blik
“Ja,” zeide mevrouw, “'t is een avantage van het Europeesche leven, dat men ruim profiteeren en genieten kan van al hetgeen de kunst schoons en verleidelijks aanbiedt. Hier is alles natuur...”
“Maar wat voor natuur,” riep de ambtenaar, “een heerlijke, goddelijke natuur, waarbij alles, wat we in Europa zien, niets is als tooneeldecoratie.”
Eugenie zag hem aan en glimlachte. Ongetwijfeld was de jonkman in den bloeitijd der poëtische indrukken, opgewekt door prachtige verzen of muziek.

[100:]

“Och,” gaf mevrouw koel ten antwoord, “ik ben hier nu reeds veertien jaar en ik verzeker u, mijn goede Zinkels, dat op den duur al die pracht verveelt, evenals een lang dichtstuk, dat altijd verbeven blijft. Op u maakt het natuurlijk veel impressie, omdat alles nog het charme heeft der nieuwheid, maar over een jaar of wat; als u beter weet hoe eenzaam, hoe stil, hoe eentonig het leven hier is, dan zult gij van harte terugverlangen naar uw weiden en vaarten met de spoorwegen en stoombooten, die ze doorkruisen.”
“O, mevrouw!” zeide Eugenie.
“De juffrouw is ook een dweepster; zoo zijn alle jonge menschen, behalve mijn dochters; die dwepen met niets en nooit, nietwaar Cato?”
“Ik zou toch ook wel zoo'n mooie opera willen zien,” sprak 't meisje binnensmonds.
“Werkelijk? Om te begInnen zou ik mijn werk maar afmaken. Wie weet wat er niet gebeurt in de verre toekomst. In mijn jeugd zou niemand mij voorspeld hebben, dat ik zoovele jaren in een vreemd land had moeten door brengen.”
“Gaat u nimmer meer naar Holland terug?”
“Nimmer meer? Maar Zinkels, wie weet dat nu weer vooruit? Van Helden heeft zijne ideeën op dat punt en 't is een goede vrouw, die haar man in alles volgt. Blijft hij hier tot zijn dood, dan is 't mijn plicht ook te blijven; gaat hij naar Europa, ik volg hem met blijdschap in 't hart.”
De fabrikant zag even naar haar op, maar in zijn oog blonk de teedere liefde niet, welke een echtgenoot moet gevoelen voor de trouwe gade, die hem in lief en leed volgen wil. Het was iets treurigs en te gelijk iets mats. Ondertusschen stond Leentje, die het vlugste van de twee was, op; legde haar werk ter zijde, nam een stoel en ging tusschen haar vader en Eugenie zitten.
“Nu mag ik ook wat luisteren,” zeide zij.
“Maar straks hoor ik je toch, mijn meiske?” vroeg vader zacht en streek haar langs 't haar.
“Och pa, van avond niet, ik ben verlegen.”
“Wat moet dat beteekenen,” zoo klonk streng mama's stem “Wij kennen hier het woord verlegen niet; we zijn hier in geen gezelschap van nonna's; een half uurtje kan je hier blijven en dan ga je spelen. Je weet hoe papa er op gesteld is.”
Leentje zweeg met samengedrukte lippen.

[101:]

“Leentje zal 't Heimwee spelen,” zeide Eugenie, “om mijnheer Zinkels zijn waterland te doen betreuren.”
“Dan mag 't juffertje wel den geheelen avond spelen. Hier 't heimwee voelen? Neen, daartoe zet de lucht mij niet aan, en ik ben ook, Goddank, geen schwärmerische Zwitser.”
“Speelt ze dat goed?” vroeg Van Helden.
Mevrouw zuchtte en Eugenie antwoordde heel ernstig, dat op 't gevoel na Leentjes spel niets te wenschen overliet.
“Maar 't gevoel is alles,” zeide Zinkels; “verbeeld u een heimwee zonder gevoel!”
Mevrouw tikte met de punt van haar vouwbeentje op zijn vingers, schudde 't hoofd en fluisterde:
“Hij heeft geen begrip van muziek en wil absoluut, dat het kind piano speelt. Ik beklaag de arme juffrouw Lody, zoo'n leerling te moeten onderwijzen, die noch gehoor, noch gevoel heeft. 't Is zijn idee fixe; doe mij het pleizier haar spel goed te vinden.”
Zinkels knikte, Eugenie schonk de kopjes vol.
“Heimwee voelen,” ging hij eenigszins declameerend voort, “terwijl ik in eene prachtige wildernis alles vind wat de beschaving aangenaams aanbiedt: 't bekoorlijkste van het Hollandsche huiselijk leven: een gezellig theeuurtje opgeluisterd door muzIek en aangename gesprekken. Neên, de Hollanders, die durven spreken van een onbeschaafde wilde Oost, weten er niets van. Hoeveel zeggen zij niet van den dommen Javaan, en wat ontmoet ik hier? De lagere klassen zijn goed, beleefd, voorkomend en de hoogere behoeven voor de beschaafdste onzer natie niet onder te doen. Ik kom in de regentswoning en de eerste, dien ik ontmoet, is een flink jongmensch. Hij spreekt me in 't Hollandsch aan, praat over Europa, over kunst en beschaving, als ware hij volbloed Hollander.”
“Maar u ziet ze toch niet allen voor Demang Sitroh's aan?” vroeg Eugenie.
“Die een misselijk product is van hetgeen een Javaan is, doublé d'un peu d'Européen. Hij deugt niet voor Javaan en als Europeaan behandelt hem niemand.”
“Wat zeer onbillijk is,” viel Eugenie in. “Demang Sitroh is zeer verstandig en zulk een koele bejegening zou hem tot een verklaarden vijand van ons kunnen maken.”
“'t Is ook wat, we zijn niet bang voor de ontevredenheid van een geimiteerden Hollander. Hij zal de Hollanders niet uit den Archipel verbannen.”

[102:]

“Maar hij kan hun toch veel moeite geven,” sprak Leentje zeer bedeesd.
“Hoe zoo?”
“Diepo Negoro was ook een ontevreden prins.”
“Hemel, wat wordt onze Leen verstandig; ik maak u mijn compliment, juffrouw Lody. Wanneer heeft ze de Indische geschiedenis gehad, gisteren of van morgen?”
Leentje werd vuurrood en Zinkels, die met ieder der Van HeIdens op een goeden voet wilde blijven, merkte op, dat de juffrouw eene gegronde aanmerking maakte en dat ons gouvernement soms zeer onverstandig handelde.
“Het zou wat werk hebben,” zei mevrouw spottend, “indien 't naar de sympathieën of antipathieën van ieder dier vuile bruintjes moest handelen. 't Doet nu toch al te veel voor hen.”
“Te veel?” vroeg Eugenie levendig: “te veel? Wat hebben wij dan reeds voor hen gedaan? Zijn ze zooveel beschaafder of gelukkiger dan toen de eerste Hollander aan de Javasche kusten stapte? Hebben ze zelfs onze taal aangeleerd? Neen, mevrouw, verschoon mij dat ik 't u ronduit zeg: niets hebben de Hollanders hun geschonken dan het voorbeeld van eenige ondeugden.”
“Dat is hun eigen schuld; dat komt omdat zij als samengesteld zijn uit een extract van domheid en bijgeloof.”
“Of omdat wij geen moeite doen hun iets te leeren en liever dat geheele goedige volk aan onze voeten zien kruipen; omdat wij vreezen, dat ze een weinig meer onderwezen, ons gezag zullen minachten en het afwerpen.”
“Juist! 't Is een volk, dat gewoon is gedrukt te gaan. Houden wij het niet goed in bedwang, dan zoekt het overheerscht te worden door zijn vorsten of priesters. De juffrouw heeft prachtige theorieën, die ze allerliefst voordraagt en waardoor mijnheer Zinkels overtuigd raakt dat wij Hollanders echte barbaren zijn: maar geloof toch iemand, die de practijk ziet en daarom alle theorieën verfoeit, die het volk door en door kent en het daarom van harte veracht. Heb je niet haast gedaan, Cato? Je thee wordt koud.”
Eugenie stond op, zag naar 't knoeierige werk van 't jonge meisje en fluisterde haar toe om het maar tot morgen te laten rusten. 't Cahier werd dichtgeslagen en met een zucht van verlichting ging Cato naar de theetafel.
“En nu krijgen we 't Heimwee, Leen,” zei Van Helden weer tot zijn jongste dochter. Meer op den gebiedenden blik

[103:]

der moeder dan op 't verzoek des vaders, stond Leentje op en begaf zich naar de piano, die zich in een der hoeken bevond. Eugenie volgde haar en Zinkels, die zijn genot van gezellig samenzijn nauw met haar tegenwoordigheid verbond, bleef niet lang meer zitten en begaf zich ook naar dien hoek, zoodat alleen Cato met haar ouders bij de tafel bleef.
“Dat is zeker om mij nog meer verlegen te maken?” pruttelde de debutante.
“Och Leen, wees niet kinderachtig!” troostte Eugenie; “'t spreekt immers van zelf, dat niemand een virtuose in je verwacht.”
Langzaam sloeg 't meisje de eerste akkoorden aan en ging toen iets vlugger voort. Zij speelde zeer correct, sloeg geen noot over, maar lette op geen der teekens, die juist het leven aan 't dorre geraamte moesten schenken. Zinkels luisterde aandachtig; Van Helden vroeg zijn vrouw of hun dochter werkelijk vorderingen maakte en wanneer Leentje Cato zou hebben ingehaald. Mevrouw antwoordde bevestigend op de eerste en afwijkend op de tweede vraag. Toen Leentje geëindigd had, verklaarde Zinkels meer hoffelijk dan waar, dat hij inderdaad een weinig heimwee begon te voelen.
Van Helden vond, dat hij niet kon begrijpen hoe iemand smachten kon naar een land; moest hij heimwee gevoelen, dan was het naar een tijd, die ver achter hem lag. ’t Was een groote zeldzaamheid, dat de suikerfabrikant een gevoelen uitdrukte, dat hem bezielde: geen wonder dus, dat mevrouw hem een weinig verrast aanstaarde en lachend antwoordde, dat ze in hem nooit zooveel poëzie had ondersteld. De matte oogen richtten zich weer op haar, maar zoo dof was hun uitdrukking, dat het niet mogelijk was daaruit iets bepaalds te lezen. Zinkels boog zich intusschen tot Eugenie en fluisterde:
“Ik ben zoo galant geweest jegens uwe leerlinge, dat ik wel een extra belooning verdien. Laat mij de meesteres eens hooren!”
Eugenie wachtte een oogenblik of iemand ook de ledige plaats wilde innemen, maar toen geen der meisjes hiertoe aanstalten maakte, zette zij zich op de tabouret.
“Och juffrouw,” verzocht Cato, “zing toch ook wat, iets van die kleine airs.”
“Hé ja!” zeide Leen, die reeds begon te geeuwen.
“Iets van Schubert,” drong Zinkel aan.

[104:]

Mevrouw speelde nog altijd met den brief van Eugenie, dien ze schijnbaar onverschillig omkeerde en dan weer bezag.
“Die hand is me bekend; ik zou zoo kunnen zeggen van wien ze was.”
“Mag ik even zien, mevrouw?” en met kloppend hart herkende Eugenie Hartwigs eenigszins veranderd schrift.
“'t Is van mijn ouden meester,” zeide zij en stak den brief bij zich.
“U is niet erg nieuwsgierig, juffrouw Lody. Ik geef u verlof den brief en uw stukken te openen.”
“Och neen, mevrouw! Ik kan wel wachten.”
“Zijt ge bang dat wij uw indrukken te gauw op uw voorhoofd zullen lezen? Wees niet bang, we zien u niet aan.”
“Als het gezelschap 't goed vindt,” zei Van Helden. “ga ik naar mijn kantoor.”
“We zullen ons best doen u niet te veel te missen,” antwoordde mevrouw en reikte hem haar hand. De meisjes wenschten hem goeden nacht. Zinkels vroeg, welke tijdingen er uit Europa gekomen waren, waarop Van Helden hem uitnoodigde in zijn kantoor wat te komen lezen.
“Zoodat,” sprak zijn vrouw, “ik alleen blijf met drie meisjes, waarvan een naar hare brieven en twee naar haar bed verlangen. Alles weloverwogen, vind ik ’t het beste, dat we maar scheiden met een hartelijk tot wederziens!”
Eugenie was misschien het meest verheugd over deze uitkomst. Zoo spoedig mogelijk begaf ze-zich naar hare kamer, die haar lief was geworden als een klein tehuis, kleedde zich in sarong en kabaya, stak hare langste kaars naast het nachtlampje op en maakte alles te gelijk open, niet wetende waarmee het eerst te beginnen. Eindelijk begon ze met den langen, hartelijken brief. Hartwig verhaalde haar het een en ander over de letterkundige producten, die zij aan boord had gemaakt en die hij haar nu gedrukt toezond; iets van een feest, dat Groenendam had gevierd ter eere van den honderdsten verjaardag van een geschiedkundig feit; zooveel hij wist van hare stiefmoeder, die ofschoon naar zijn oordeel gebrouilleerd met de familie Gravenheerd, toch nog met hen ’t kasteel bewoonde en niets, letterlijk niets over al hetgeen zij hem van de Van HeIdens in 't algemeen en mevrouw in 't bijzonder geschreven had. Op 't laatst stond er:
“Gelachen heb ik niet, goede Eugenie, maar wel in hooge mate vreemd opgekeken over 't geen gij mij schrijft van uw

[105:]

idee fixe, dat nu misschien weer in een hoekje zal zijn teruggedrongen. Gij een jongenshart bezitten, gij, die vrouw zijt, geheel vrouw met alle schaduw- en ook (op gevaar af u te vleien zeg ik het rondweg) met alle lichtzijden van een vrouwenkarakter! Wanneer ge ooit als romancière wilt slagen, dan behoort gij u zelve in de eerste plaats beter te kennen. Ik ben overtuigd, dat gij zelve het beter weet en verzekerd zijt dat zucht tot paardrijden, tot onafhankelijkheid, tot strijden om een positie niet den man vormen. Er is in u tot nu toe niets van een geëmancipeerde vrouw, en dat is zeer gelukkig.
“Dikwijls genoeg heb ik u gezegd, welke mijn opinies zijn over die soort van vrouwen, waartoe gij nimmer kunt behooren.
“Nog vraagt ge mij waaraan gij te herkennen hebt of ’t geluk dat tot u komt, geen schijngeluk is. Kind, 't is moeilijk die vraag op zulk een verren afstand te beantwoorden. Aan u is het haar op te lossen, met God, uw hart, doch ook met uw hoofd tot raadslieden. En nu, Eugenie, doet het mij zeer leed, misschien meer dan 't u spijten zal, u te moeten verzoeken, onze correspondentie af te breken. Mijn werk is spoedig geeindigd, weldra verlaat ik Groenendam; ik weet niet waarheen ik ga. Uwe brieven, die zeer intieme bijzonderheden bevatten, dwalen dan rond, wie weet waar en hoe lang, en wie zegt ons wat daaruit volgen zal? Dus Eugenie, neem mijn goeden wil voor lief; wat ook gebeuren moge, een trouwen vriend, die helaas! weinig voor u kan doen, zult ge altijd vinden in uw toegenegen
W.H.”

“Dat zijn maar voorwendsels,” riep Eugenie verontwaardigd; “hij wil alle vriendschap afbreken en mij nog eenzamer doen zijn, nog meer verlaten. Wat bekommer ik mij ook om hem! Hij is zoo zonderling, zoo menschenschuw. Waarom zou hij bang zijn voor iedereen, als hij werkelijk om...”
Zij zette hare gedachten niet voort; een geheime stem zeide haar, dat zij onbillijk oordeelde en dat deed zij ook. Zij had geen blik in Hartwigs eenzaam vertrek geworpen, toen hij die bladzijde schreef; zij had den wanhopigen strijd niet gezien, dien hij voerde om zijn gevoel te onderdrukken; zij had het kloppen van 't heldhaftige hart niet gehoord, toen de overwinning op den strijd volgde en hij haar in koele bewoordingen schreef, wat hem zoo na aan 't harte ging. Zijn

[106:]

Eugenie niet meer schrijven, veroordeeld te wezen nimmer meer iets te hooren van 't kind, wier eenige troost hij nu nog was; alleen om haar bestwil, alleen om haar te beletten nimmermeer iets anders te zien in den strengen raadgever dan een te oud, ongelukkig man!
Langzamerhand raadden haar helder verstand en levendig gevoel die beweegredenen en nu, zij Hartwig voor altijd verloren had, bespeurde zij eerst hoe lief hij haar was.







volgende pagina | inhoud | volgende pagina