Melati van Java: Johan's Avontuur. Een vertelling uit Indië
Baarn: Uitgeversmaatschappij E.J. Bosch Jbzn, 1922 (1890)


HOOFDSTUK II.

Johan's booze bui was niet bestand geweest tegen de vriendelijke woorden van Sidin, die hem naar de stallen bracht, op den mooien appelschimmel, Papa's rijpaard, liet zitten en hem daarna een handvol padi [Ongebolsterde rijst.] gaf, om daarmede de kippen en duiven te voeren. Het duurde niet lang of Jo lachte hartelijk, toen de dieren de korrels rijst tot bij zijn voeten kwamen oppikken en de duiven en musschen heel brutaal vlak onder den staart van den grooten haan de korreltjes durfden wegstelen. Dan werd de haan wel kwaad en zette een hooge borst op, maar de brutale dieren waren reeds weggevlogen. Toen de dieren gevoederd waren, bracht Sidin zijn jongen meester naar zijn eigen kamer, waar

[10:]

Sarila, zijn vrouw, op een matje zat te naaien. Zoodra Sinjo kwam haalde zij koekjes voor den dag en Jo at ze met den grootsten smaak op.
Ondertusschen had hij veel pleizier in het kooitje met houtduiven, dat onder de galerij vóór Sidin's kamer hing. Hij deed allerlei vragen, terwijl Sidin een vlieger voor hem maakte, en eindelijk zeide hij met een zucht:
"Ik wou, dat ik geen sinjo was, maar jouw kind, Sidin."
"Maar Sinjo," riepen man en vrouw, "hoe kan je dat meenen? Een blanke is toch veel meer dan een Javaan."
"O neen, ik vind het zoo naar, een hollandsch kind te zijn. Ik zou zoo graag den heelen dag op bloote voeten loopen en geen buisje aan hebben, maar alleen een sarong. En javaansche kinderen behoeven niet te leeren - o Sidin, als je wist hoe vervelend dat leeren was - en dan kon ik altijd met de dieren zijn. Ik wou dat ik Mingoe was en niet sinjo Johan."
De bedienden sloegen de handen in elkander, ze konden zulk een smaak maar niet begrijpen.
"En dan moet ik 's middags met Mama gaan toeren," hernam het ventje, "en zoo deftig naast zus Mimi zitten. En Mimi is zoo valsch; ik houd veel

[12:]

meer van kleine Gusje, maar die is nog zoo klein, die praat nog niet en kan nog niet alleen loopen. Ik kan dus niet met hem spelen. O, ik zou 't zoo prettig vinden den heelen dag buiten te zijn en vliegers oplaten, en tollen, en vogels vangen, en alleen 's middags met de tali-api (vuurtouw) te zitten wachten. Ik zou al mijn speelgoed willen geven, wanneer ik eens naar hartelust kon spelen en niet bang behoefde te zijn voor straf."
"Mingoe krijgt ook wel dikwijls slaag, als hij niet oppast," merkte Sarila op.
"O," antwoordde Johan, "ik heb liever slaag dan regels schrijven en Fransche werkwoorden vervoegen. Je weet niet wat een werkwoord is, Sidin? Wil je 't eens hooren? Zeg mij dan eens na: J'ai, tu as, il a; nous avons, vous avez, ils ils......ja, dat weet ik niet meer wat het is."
"Maar jongeheer: Djé, toea..... ik versta dat niet, wat is dat, is dat een geluid?"
"Neen, 't is een werkwoord! Och, wat ben je gelukkig, Sidin, dat je niet eens weet, wat een werkwoord is. En dat rekenen en de tafel van vermenigvuldiging, o, dat is toch zoo vervelend. Weet jij hoeveel acht maal zeven is?"
De Javaan dacht even na.

[13:]

"Jawel, dat is zes en vijftig."
"Wie heeft je dat geleerd, Sidin?"
"Niemand, dat weet ik!"
"Maar dan ben je toch erg knap. Ik heb dat twintig keer moeten opschrijven, voor ik 't onthouden kon en nu nog vergeet ik het telkens. Als ik Javaan was, zou ik dat dan ook weten zonder te leeren? En aardrijkskunde, daar weet jij ook niets van. Mimi kan het zoo goed, maar ik houd er niets van."
"Maar jongeheer," zeide Sarila, "als u Javaan was, zou u heel andere ouders hebben. Geen mooie njonja [Dame.] als mevrouw Van Schermen zou uw mama zijn, maar een vrouw als Sarila of als Mah Mingoe!"
Nu keek Johan een beetje zuinig. Dat vond hij toch al te kras: zijn mooie, bleeke mama en zoo'n bruine leelijke vrouw als Mingoe's moeder, dat verschil was toch wat te groot. Hij had echter niet veel tijd hierover na te denken; daar hoorde men op het achtererf, dat door den klappertuin van de bijgebouwen gescheiden was, de klanken van javaansche muziek.
"Topeng, topeng!" riepen de javaansche bedienden en allen, groot en klein, lieten hun werk in den steek en zetten het op een loopen naar achteren. Jongeheer

[14:]

Johan aan het hoofd van den troep; inderhaast vergat hij zijn slofjes en liep op zijn bloote voeten evenals de andere javaansche kinderen.
Wat was nu die topeng, welke zoo veel opschudding maakte onder de bedienden, en vooral onder hun kinderen? Niets anders dan een troep rondreizende muzikanten en dansers, die met gedrochtelijke maskers voor het gezicht allerlei dansen uitvoerden op de maat der javaansche muziekinstrumenten.
Evenals hier in Holland de poppenkast, brengen zulke straatvertooningen de groote en kleine kinderen in opgewondenheid. De tuinman, die achter in den klappertuin een huisje bewoonde, riep de kunstenmakers aan en liet hen voor een paar centen hun spel vertoonen. Sinjo Johan stond in de voorste rij; met glinsterende oogen, zijn handjes op den rug, luisterde hij naar de afschuwelijke wanklanken, die uit de keelen der vertooners opstegen en die zingen moesten verbeelden. Hij vond dat veel mooier dan het pianospel, zijner ouders, die soms uren lang quatre-mains speelden en vol verveling dacht hij er aan, dat hij het volgende jaar met zijn verjaardag moest gaan leeren vioolspelen. Als het nu nog op de anklong of de remba (javaansche muziekinstrumenten) was, dan zou hij er gaarne een paar uurtjes voor hebben overgehad; maar

[15:]

de viool en bij dien langen mageren mijnheer met zijn spitsen neus, Mimi's meester, bah! hij werd er ziek van als hij er aan dacht. Maar nu was hij een en al oog en oor voor de leelijke grimassen en het akelige schreeuwen der gemaskerden, hij gierde het uit van pret als deze elkander met hun slendangs (shawls) om de ooren sloegen. Doch de angst sloeg hem een beetje om het hart, toen ook de barongan verscheen.
Wat de barongan is, zult gij natuurlijk niet weten, maar 't is iets, waarop de Javanen verzot zijn, namelijk een reusachtige pop, die door een daarbinnen verscholen man in beweging wordt gebracht; het gezicht van de pop is afgrijselijk leelijk en heel groot. Door de bewegingen van den kunstenmaker buigt de barongan zich in tweeën of loopt de toeschouwers na; dan was 't een geschreeuw en gejubel onder het jonge volkje, dat hoor en en zien er van verging. Jo was wel een klein beetje bang, maar toch niet heel veel; hij liep schaterlachend weg, maar dat was meer voor de pret dan omdat hij werkelijk bang was voor dat monster.
Dan hoorde hij in de verte roepen.
"Jo, Jo! waar ben je, kom toch gauw binnen!" en in de verte zag hij het witte baaitje van zijn zusje Mimi, die tot aan 't begin van den klappertuin was doorgeloopen.

[16:]

Mimi hield niets van topengs en barongans; zij vond niets zoo prettig dan eens naar heusche muziek te luisteren,
"Jo, Jo, Pa is t'huis gekomen en ik moet je roepen!" riep zij.
Dat hielp; het spel was trouwens zoo goed als uit en heel langzaam keerde ons ventje zich om en wandelde vrij wat trager dan hij gekomen was naar zijn zusje.
Hij dacht er niet aan, dat hij op bloote voeten liep; maar Mimi zag het dadelijk.
"O Jo, op bloote voeten door den klappertuin! Ben je niet bang voor slangen en voor doornige planten?" vroeg zij.
"Bah, wat kan mij dat schelen! Javanen loopen ook zoo!"
"O ja, maar jij bent geen Javaan!"
"Ik wou, dat ik het was."
"Dat moest Pa eens hooren! Pa is zoo boos op je, zoo boos!"
Dit vermeerderde Jo's ijver niet en 't was dus heel langzaam en lusteloos dat hij, na eerst zijn slofjes ergens opgedoken te hebben zijn zusje volgde naar het hoofdgebouw.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina