Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


VII.

Twee dagen later schelde Philip toch aan bij Bernard Charière; de meid liet hem in de tuinkamer die op het zijtuintje uitkwam en een soort serie had.
't Zag er heel anders uit dan vroeger, er hingen japansche waaiers, chineesche lantaarns en slingerplanten. Ook het gezicht van de strenge kamer had als het ware een glimlach gekregen door allerlei sieraden, gracieuse draperieën, palmen, azalea's, adspidistra's.
Het viel Philip op, en het deed hem aangenaam aan, toen hij met één blik dat alles opmerkte.
De heer Charière - de oude heer kon men hem nu haast noemen - zat buiten de courant te lezen, voor een tafeltje, waarop het theegoed stond en het lampje vroolijk brandde.
"Philip - Van Asten bedoel ik, daar doe je goed aan," zeide hij opstaande en stak hartelijk zijn ouden leerling beide handen als welkomstgroet toe.
"Mijnheer! U weet zeker alles, wil u nog..." en hield hij zijn hand terug.

[70:]

"Kom, gekheid! S h a k e h a n d s ! Je drinkt een kop thee mee?"
"Waar is Hortense gebleven?"
"Nu, zij komt dadelijk! Ga zitten!"
En toen door zijn gouden bril den jonkman aanziende, terwijl hij verlegen als altijd zijn handen wreef, sprak hij:
"Je ziet er goed uit, flink wat d o w n, hé?"
"Erg!" zuchtte Philip, "ik kan het niet van mij afschudden, en toch, hoe meer ik er aan toegeef, hoe meer ik voel dat het mis met mij gaat."
Hij streek met de hand over het voorhoofd.
"Faut que jeunesse passe!" zeide de man, die zelf nooit geweten had, wat jeugd was.
"Was het dat maar! 't Is heel iets anders, 't is... 't is... die kwaal van mijn vader!"
"Denk daar toch niet aan! Je moet je verzetten, je boven die herinnering verheffen, ze een spoorslag laten zijn om er niet in te vervallen!"
"O, kon ik dat willen; maar ik ben zoo bang dat het mij meesleept, zonder dat ik er iets aan kan doen, en ieder zegt dat ik mij moet verstrooien."
"En zoek je mij daarvoor op?"
"Hortense sprak in dienzelfden geest, en zij meende dat mijn bezoek u niet onaangenaam zou wezen en dus..."
"Heel aangenaam zelfs! Ik wou dat ik je kon helpen met iets beters dan raad!"
"En u gaat het goed - na den dood van uw mama?"
"O, best! Ik kon vroeger niet aan zoo'n mogelijkheid denken, maar nu sta ik zelf verbaasd, dat ik er zoo goed overheen ben. 't Is waar, Hortense zorgt uitstekend voor mij. Ik had het niet van haar gedacht, dat zij zich zoo flink zou ontwikkelen als huishoudster, maar wat zij op zich neemt, doet zij goed."

[71:]

"Ziezoo! men moet soms eens weg zijn, om zijn lof te hooren verkondigen," zei Hortense, die van achter het huis aankwam.
Philip zag haar bewonderend aan; het wit katoenen toiletje was doodeenvoudig, maar droeg, evenals alles wat zij aanhad, een bijzonder cachet; in haar ceintuur had zij een bouquetje gestoken en in de hand hield zij een schat van rozen. Zij was bijzonder vroolijk, zij schonk thee, en intusschen haalde zij allerlei herinneringen op van hun kinderjaren. Philip's van nature vroolijke aard kwam weer boven, zijn moeder en zuster zouden hun ooren niet vertrouwd hebben, als zij zijn helderen lach hadden gehoord, zooals die door den tuin weerklonk.
Oom Bernard luisterde glimlachend naar de jongelui; hij vond het zeer aardig dat zij zich amuseerden in elkanders gezelschap, maar in gedachten berekende hij hoeveel tijd hij nu verloor aan het lezen van zijn dagelijksch rantsoen couranten, want hoe uitlokkend zij ook vóór hem op tafel lagen, toch verbood hem de beleefdheid ze aan te raken.
"Oom," zeide Hortense, als ried zij zijn spijt, "neemt u gerust uw portie letters in, Philip en ik zullen ons niet vervelen. Mogen wij wat wandelen?"
Oom Bernard was aan zulk een onderworpenheid van zijn nichtje niet gewoon; hij liet haar begaan, en zij dacht er niet aan, ooit naar zijn goedvinden te vragen.
"Wel zeker, gerust! maar je kunt ook hier blijven. Je hindert mij niet!"
"Kom, Philip, je hebt er immers niets tegen, dat zij ons samen zien?"
"Integendeel, ik ben er trotsch op, met je te mogen wandelen!"

[72:]

"Wij hooren bij elkaar, oom! Twee verstootenen uit de maatschappij."
"Behalve dat jij je terugtrekt uit vrijen wil."
"Wie dwingt er jou dan toe?"
Zij wandelden het zijpad op, dat toegang gaf tot een grooten, door hooge boomen overschaduwden weg, de oprijlaan van een oud kasteel - Hortense liep zonder hoed en handschoenen, haar rozen nog steeds in de hand.
Een equipage reed hen voorbij, en zij trok de aandacht van de daarin zittende dames en heeren.
"Wat een mooi Indisch meisje," zeide men, en een, die haar kende, trok den neus op.
"O, dat kind van Charière, jammer dat zij zich zoo dwaas aanstelt en om niets geeft!"
"Had Eveline geen lust, mee te komen?" vroeg Hortense, de oogen tintelend van ondeugd.
"Ik heb 't haar niet gevraagd."
"Dus weet zij niet dat je bij ons bent?"
"Ik heb 't haar vandaag niet gezegd, maar zij wist dat ik plan had, je oom te bezoeken."
"En vonden zij het goed?"
Hij haalde de schouders op.
"Ik zou niet weten waarom niet!"
"O, mannelijke onschuld! " dacht Hortense, en hardop zeide zij: "zie dan maar eens, wat voor gezicht zij zullen zetten, als ze hooren dat je met mij hebt gewandeld! Zijn die meisjes, die bij jelui logeeren, nogal aardig?"
"Ik weet het niet," antwoordde hij lachend.
"Heb je ze nog niet gesproken ?"
"Nauwelijks aangezien!"
"O, foei!" en nu lachte zij hartelijk.
Zij had het goed geraden, Hortense; nog dienzelfden

[73:]

avond wist de geheele "Villa Gloria" dat Philip met haar gewandeld had. Wanneer men de bedrukte gezichten van moeder en dochter gezien had, -toen zij des avonds aan het tafeltje in de achterkamer zaten, zou men gedacht hebben, dat er met Philip weer iets vreeselijks was gebeurd.
Nellie en Anna hadden het heusch gezien, en die meid was nog liefst blootshoofds; hoewel grootsteedsch, hadden beide meisjes zich dadelijk in de praatjes en kwaadsprekerijen eener kleine plaats weten in te burgeren.
"'t Spijt me het meest voor onze menschen," zei Eveline, "Philip neemt niets geen notitie van hen; wij zeggen dat hij menschenschuw is, zij nemen het excuus aan, en nu loopt hij zoo in het publiek met dat schepsel."
"Ik heb 't altijd gezegd, dat kind zal ons erg veel verdriet geven. Zij deugen geen van allen, die Charières."
En zij zuchtte nog bij de gedachte aan het wreede bedrog, waaraan zich Bernard had schuldig gemaakt, vijf en twintig jaar geleden.
"Wil u er hem iets van zeggen, ma!"
"'t Is zoo moeilijk, kind, zoo verbazend moeilijk!"
Tegen tien uur kwam Philip thuis, opgewekt, met schitterende oogen en elastischen gang, het haar golvend over zijn voorhoofd.
"Wat is hij toch mooi," dacht Eveline, "geen wonder dat die Hortense..."
Hij kuste zijn moeder en zuster en bracht haar de groeten over van mijnheer Charière en - Hortense.
"Zoo, ben je daar geweest?" vroeg zijn moeder met het gezicht en den klagenden toon van een huilenden engel.

[74:]

"Ja, ma, ze waren zoo hartelijk en zoo aardig; het heeft mij bepaald opgeknapt."
Eveline naaide met hartstocht, zonder op te zien, voort, alleen haar lipjes trokken. Wat was het toch moeilijk altijd lief te blijven en vooral altijd lief te schijnen!
"'t Spijt me, beste jongen!" en onrustbarend begonnen mevrouw's wangen en kin te trillen, "dat je niet in je eigen huis opbeuring en steun kunt vinden en die moet zoeken bij menschen - die - die je moeder zoo slecht behandeld hebben."
"Slecht behandeld, moeder?"
"Ja, - je weet toch wel, wat er tusschen Bernard en mij - is geweest?"
"O, die oude historie!"
"Oud! Dat doet er niets toe! Ik heb er zoo vreeselijk van geweten..."
"Och, kom, moedertje!" En toen zijn arm om haar hals slaande, fluisterde Philip op zijn ouden, prettigen toon: "hoe kan ik hem daar nu kwaad op aanzien? Als u met hem getrouwd was, dan had ik nooit zoo'n engelachtig, lief moedertje gekregen! Is dat zoo niet?"
"Vleier!"
En mevrouw Van Asten kuste hem hartelijk op zijn donkere haren en zag hem trotsch aan.
"Dan was er nog minder van mij terecht gekomen," ging hij voort. Eveline bleef strak doorwerken.
"Och," bekende mevrouw Van Asten. "'t Is ook eigenlijk niet tegen dien ouden suffer, dat ik iets heb, maar dat malle meisje..."
"Nu ja, ik zal niets kwaads van haar leeren. Waarlijk, zij valt mee! Zij heeft alles bij haar zoo keurig gearrangeerd, en 't blinkt van netheid."
"Ik had het niet gedacht."

[75:]

"'t Is mij zeer meegevallen, en ik vind het eigenlijk jammer, dat u en Eveline zoo tegen haar zijn ingenomen. 't Was anders voor Eef zoo'n prettige omgang."
"Ik zou je danken."
Het klonk zoo bits, als men van het zachte, lieve Evelientje niet zou hebben verwacht, en Philip zag haar dan ook verbaasd aan.
"Maar zij heeft u toch geen kwaad gedaan," ging hij voort tot zijne moeder, "zij vraagt altijd met heel veel belangstelling naar u en naar Eveline."
"Och, hoe vriendelijk!"
"Heusch, dat doet zij! En eigenlijk heeft zij meer reden tot boosheid dan u; u heeft haar de deur uitgezet op dien gedenkwaardigen morgen."
"En daarom vind ik het beneden alles, dat zij je nog zoo aanhaalt, met je gaat wandelen, zonder hoed en handschoenen nog wel!"
"Weet u dat ook al! Wat werkt de telegraaf toch gauw hier in Grondvoort."
"Ja, daarvoor is 't ook zoo'n kleine plaats, en juist omdat ieder dadelijk alles en alles weet, kan men zoo licht in moeilijkheden komen."
"Maar ik ben toch vrij, te loopen met wie ik wil."
"O ja, zie je, dat is zeker! maar nu je weer onder de menschen komt, en ieder het weet en bepraat, is 't zoo gek, dat je onze logés voorbijgaat. Zij zijn zoo belangstellend geweest, en zij hebben mij zoo getroost - in die donkere dagen."
Mevrouw haalde den zakdoek voor den dag, en van den weeromstuit begon ook Eveline te snikken.
Philip ergerde zich inwendig aan die zoeterigheid; dwaas, dat hij 't nu pas merkte; vroeger had hij iets koesterends gevoeld in de liefde van beide vrouwen, nu stonden zij met haar tranen, zuchten, halve woorden,

[76:]

zelfs liefkoozingen hem tegen, en hij vergeleek ze telkens met Hortense's prettige resoluutheid.
"Dus," zeide hij, opstaande, "u had graag dat ik met uw logés kennis maakte. Best! Ik zal voortaan aan de groote tafel mee eten, koffie drinken, ontbijten, wat u maar wilt!"
"Dat moet je zoo niet opnemen, Philip," haastte mevrouw zich nu te zeggen, "daarom is het niet."
"U heeft het graag. 't Is mij voldoende, en nu ga ik naar bed. Nacht moes, nacht Eef!"
Hij gaf haar de hand, geen zoen als anders.
"Zie je wel, hij is veranderd," klaagde mevrouw.
"Die heks betoovert hem reeds geheel! Zij weet, hoe ons te plagen, want ernst is het haar toch niet. Zij wil een groot, deftig huwelijk doen, dat heeft zij altijd beweerd."
"Ik wou dat het waar was!" zuchtte mevrouw Van Asten zoo benauwd, als drukte er een heele berg van zorgen op haar hart.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina