Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


[47:]

VI.

Het was stil onder de dennen en koel; daar buiten het bosch brandde de zon over het golvende graan en het witte zand der karrewegen blonk verblindend in den fellen glans, maar hier was schaduw in overvloed.
Over den straatweg, die het bosch doorsneed, kwam een fiets aangerold, bereden door een jong meisje; even matigde zij haar snelheid, toen sprong zij er af en keek eens rond of er geen plekje was, waar zij onder de boomen een hangmat kon bevestigen.
Zij liet de fiets tegen een boom staan en ging ter zijde van den weg over het mos, maar zij vond niet, wat zij zocht, ging maar weer op haar karretje zitten en reed verder; bij een kromming van den weg stiet zij bijna tegen een jongmensch, die van de tegengestelde richting kwam.
"Hé, Hortense!"
"Philip!"
Zij hield stil en reikte hem de hand, die hij hartelijk drukte; ondertusschen zag hij haar aan. Hoe knap was zij geworden, een flinke, mooie vrouw; het blauw katoenen kleed, expres voor het wielrijden gemaakt, sloot knap om haar gestalte; haar gelaat was door beweging en warmte iets hooger gekleurd tn haar dik, kroezig haar stak kranig af bij het witte matelotje met schotsch lint.
Zij lachte vroolijk met oogen en mond; alles aan haar straaIde van jeugd en levenslust.
Het deed Philip goed, haar aan te zien, want hij voelde zich juist zoo diep ongelukkig, inwendig gebroken en loom; hij had door het bosch gewandeld

[48:]

met gebogen hoofd en hangende schouders, onzeker over zijn toekomst, besluiteloos en gedrukt onder een last, dien hij niet kon afschudden.
"Herkende je mij dadelijk?" vroeg zij.
"Ja, dat wil zeggen..."
"O, je weet, dat ik de brutaliteit heb, fiets te rijden; er is nog geen ander meisje in Grondvoort, dat zoo iets ooit zou doen, en nu heb je begrepen of liever geraden dat ik 't was."
"'t Kan wel zijn, je bent - u is zoo veranderd."
"U is - wordt je deftig?"
"Ik weet niet, of ik het durf."
"En je begint met je!"
"Onwillekeurig!"
"Nu, eerste gedachten zijn de beste - blijf er dus maar bij! We kennen elkaar al zoo lang!"
Zij lachte met een weinig ter zijde gebogen hoofd, hem onder haar lange wimpers aanziende.
Hij was ook een knap man geworden, lang, slank en nog aliijd met de bruine haargolf over het voorhoofd, die hem reeds als kind zoo aardig stond, maar hij zag er bleek en verdrietig uit; onder zijn groote bruine snor vertrokken zijn lippen zich pijnlijk en moede, de veerkracht was uit zijn gang verdwenen en om zijn oogen lagen zwarte kringen.
"Je ziet er niet florissant uit, Flip!"
"Och, je weet er misschien alles van. Ik ben een ellendeling, voor niets goed dan..."
"Voor afbraak verkocht te worden, hè? Och kom! Dat gaat wel weer over! Hoe is het, durf je met mij praten?"
"Ik met jou durven praten? Als ik je dat vroeg, dan was 't wat anders!"
"Nu, ik bedoel maar of je ma en zus het zouden

[49:]

toestaan. Zij hebben mij eens de deur uitgejaagd en..."
"Je wilt er niet meer inkomen."
"Natuurlijk niet! Daar zou nog wat toe hooren, vóór zij mij er toe kregen den drempel van mevrouw Van Asten over te gaan; maar tegen jou heb ik niets, letterlijk niets!"
"Je weet toch..."
"Nu ja, dat is geen schande! Een ongeluk!"
"Denk je er zoo over?"
"Zou iemand het dan anders opnemen? Ik weet het fijne er niet van, alleen wat ik zoo hier en daar opgevangen heb. Ik houd hier met niemand omgang sedert grootmoeders dood. We zijn zoowat twee zwarte schapen, Flip!"
"Je vriendelijkheid doet me goed, Hortense. Zullen wij wat samen praten? 't Is zoo lang geleden dat wij het niet gedaan hebben."
"Een eeuw! Het laatst was 't ook zoo in het, bosch. Weet je dat nog?"
"Of ik het weet! Die herinnering is ook gebrand in mijn ziel, evenals die andere."
Hij hielp haar afstijgen en zij vroeg:
"Vindt je het ook gek, dat ik aan fietsrijden doe?"
"Wel neen! Waarom zou ik 't gek vinden?"
"Och, de menschen zien mij voor half verloren aan, omdat ik me zoo'n ding heb aangeschaft, maar 't is mijn eenig amusement. Liever had ik een heusch paard maar nu ik dat niet hebben kan - behelp ik mij met een ijzeren. Dat is veel goedkooper in 't voer en in de belasting."
"Wat ben je practisch, Hortense!" en een schaduw van een glimlach gleed over zijn gezicht.
"Moet ik dat niet zijn? Bedenk eens, ik ben al huisvrouw!"

[50:]

Philip dacht even; een wonderlijke huisvrouw, die uren lang van huis was en op haar rijwiel het land doorkruiste. Zij scheen zijn gedachten te raden.
"Maar ik ben geen drukke huisvrouw. Santje, de meid, is een machine; heb ik haar 's morgens opgewonden, dan loopt zij den geheelen dag. En oom is bijna altijd van huis of zit in zijn boeken. En daarbij, ik ga naar geen theevisites, geen koffiepartijtjes, ik krijg geen vriendinnenbezoek, en dat wint veel tijd uit."
"Ga je alle dagen rijden?"
"Meest altijd! Ik zoek een mooi plekje in het bosch om daar in mijn hangmat te liggen lezen. Ook een ergernis voor de Grondvoortsche dames. Den vorigen zomer ben ik met oom in Kleef geweest en daar hingen zoovele dames in hangmatten aan de boomen; ik vond het heerlijk. Waarom zou ik het hier laten?"
"Je geeft weinig om de menschen!"
Zij knipte met de vingers door de lucht.
"Niet zooveel! 't Is hier een aardig zitje, vind je niet? Als je het permitteert, ga ik op dezen boomtak zitten en jij nu daar..."
Philip gehoorzaamde; zij maakten het zich zoo prettig mogelijk. Hortense deed haar hoedje af en stak haar weerbarstige haren op.
"En je bent zoo technicus geworden, hoor ik, Flip," begon zij, met de haarspelden in den mond. "Je hebt zulke mooie studies gemaakt, vertelt oom."
"Oom vertelt alleen het goede, naar het schijnt," antwoordde hij niet een bitteren lach.
"Nu ja, je hebt onaangenaamheden gehad..."
Hij boog het hoofd en zeide hortend:
"Weet je - dat ik - ge - zeten heb."
"Jawel, dat weet ik en dat had je ook verdiend."
"Dubbel en dwars, maar ik wist niet wat ik deed.-

[51:]

O, Hortense, 't is zoo vreeselijk! Wat zal er nog van mij moeten worden!"
"Je hebt iemand mishandeld, maar hij is toch niet gestorven?"
"Neen, hij is er bovenop gekomen."
"En wat had hij je gedaan?"
Philip beet zich op de lippen, zijn geheele gelaat verwrong zich; hij vond het bitter die pijnlijke herinneringen op te halen, maar zij drong er op aan, met haar koele, besliste stem.
Hij was bijzonder gevoelig voor indrukken, en bewaarde ze lang, veel te lang in zijn ziel; een kleinigheid was voldoende om herinneringen, die al sedert jaren in slaap gewiegd schenen, weer te doen opleven.
Nu hij daar weer naast Hortense onder de dennenboomen zat, dacht hij aan dien anderen morgen, bijna tien jaar geleden, toen zij hem verklapt had, dat zijn moeder eigenlijk de zijne niet was.
Hij kromp haast in elkander door de smart van dat terugdenken en door de verplichting, waarin zij hem bracht, zijn nieuw leed, zijn nieuwe vernederingen uit te spreken. Maar die heldere, doordringende oogen bleven zoo kalm op hem rusten, zij verwachtte vast antwoord op haar vraag.
"Ben ik onbescheiden, dan moet je het mij maar zeggen, hoor!" hernam zij na een poos.
"Het was na mijn examen; mijn vrienden en ik waren vroolijk bij elkander en wij gingen naar een boerenkermis, daar vlak bij, en dansten met de meisjes. Toen werden hun jongens kwaad, één zocht ruzie met mij. Ik hield mij lang goed, maar eindelijk kwam d a t en toen was ik als razend. Ik heb den jongen voor dood laten liggen..."
"Maar hij is nu toch beter?"

[52:]

"Ja, maar zijn eene oog is hij kwijt, en je begrijpt wat er toen volgde! Dat proces en die veroordeeling! Ik heb drie maanden gekregen. Zij zeiden dat ik bepaald gratie had kunnen vragen, omdat er zooveel verzachtende omstandigheden waren, en als ik in hooger beroep was gegaan, zou ik stellig vermindering van straf hebben gehad, maar ik wilde niet - ik had behoefte het uit te boeten."
Zij begon hartelijk te lachen.
"En is dat nu alles! Wat neem je dat tragisch op! Je bent opgewonden, m o n t é, je krijgt ruzie met een paar boerenkinkels, je slaat er op, nadat zij begonnen het jullie lastig te maken. In je drift ga je wat te ver! Je wordt er voor gestraft en - v o i l à t o u t !"
Hij zag haar verbaasd aan, terwijl zij voort ging:
"Maar moet je daarvoor nu hier zitten kniezen, je van alles terugtrekken, je mooiste, beste jaren verdroomen, terwijl de wereld voor je openstaat!"
"Ik ben zoo wantrouwend geworden, zoo weinig zeker van mijzelf. Telkens kan mij zoo'n bui overkomen; dit is de eerste keer niet..."
"Maar de eerste keer, dat ze zulke gevolgen had en je er voor gestraft ben geworden: dit had toch evengoed een ander kunnen overkomen. Door dat tobben en zorgen en niets doen, versuf je geheel en al; je moet er je boven verheffen."
"Je hebt makkelijk praten!"
En hij trok eenige grashalmen uit den grond, terwijl hij aldoor haar blik ontweek.
"En wat zeggen je ma en Eveline er van?"
"O, die zijn engelen van goedheid en liefde voor mij."
"Als zij het maar goed aanleggen, die twee!" mompelde Hortense.
"Zei je iets?"

[53:]

"Neen, ik dacht wel wat! Hoe lang ben je nu thuis?"
"Sedert ik van daar terug ben! Veertien dagen. Ik schaam mij zoo verschrikkelijk, onder de menschen te komen. Gezeten..."
"'t Is me de moeite waard! Ik verzeker je, je bent er juist zoo interessant op geworden, vooral omdat je er heelemaal uitziet als een boeteling, met je hangend hoofd en je flauwe oogen. Wees verzekerd dat, als je langs komt, de juffers van den burgemeester en den notaris en den dominee door de spionnetjes loeren en zeggen: "Daar gaat Philip. Wat trekt hij zich dat aan! 't Is toch een goeie jongen, hij heeft geen kwaad hart maar alleen een warm hoofd," en, geloof mij, dat vinden de vrouwen juist pikant."
Hij begon even te lachen en zag haar aan.
"Jij ook?"
Zij dacht even na en antwoordde eenvoudig:
"Ja, net als de rest!"
Hij schudde treurig het hoofd.
"Ik wou dat het waar was, maar 't is zoo niet, 't is geon fout in mijn karakter, die zou ik misschien kunnen overwinnen, maar een gebrek in mijn gestel - een kwaal, door overerving gekregen - ik weet waar dat naar toe leidt."
Hortense wierp ongeduldig een dennenappel, dien zij gedachteloos tusschen de vingers rolde, ver van zich weg,
"Zie je wel, een idée fixe! En dat is het juist wat je ten onder brengt. Wanneer zoo iets je besten vriend was overkomen, wat zou je gezegd hebberl? Ja, hij was driftig, ze hebben hem gesard en toen is hij te ver gegaan. Met de jaren, wordt hij wel kalmer."
"Neen," zuchtte Philip, "het is heel iets anders. 't Vorige jaar is mij ook iets dergelijks gebeurd. Ik

[54:]

leerde de praktijk op een fabriek, er was nog een ander jongmensch. Wij kregen woorden om een kleinigheid, en ik gooide hem de trappen af, dat de arme kerel er dagen lang ziek van was, en als je wist, Hortense, hoe ik mij voel in zoo'n oogenblik..."
"Ja, ik heb 't gezien en ik vergeet het nooit."
"Dus - heb ik geen gelijk er bang voor te zijn?"
"Welzeker! Maar die bangheid moet je niet laten suffen en met de handen over elkaar doen zitten, maar je aansporen er tegen te strijden."
"Ik kan niet," zeide hij en liet zich achterover vallen in het mos, de handen boven zijn hoofd geslagen.
"Ik kan niet, bah, foei! Wat een misselijk gezegde. Is dat nu een man, die dat zegt. Je moest je schamen, Flip!"
"Ach, Hortense, je weet niet wat het is, hoe het mij verlamt en neerdrukt!"
"Gooi het van je afl Zoek werk en verdroom je tijd niet door zoo bij moeder te blijven hangen. Zie je, je ma en je zus zijn zeer respectabele menschen, iedereen zegt het. Ik kan niet staan in Evelien's schaduw, zij ziet terecht laag op mij neer. Ja, dat weet je ook wel, zij heeft je natuurlijk een massa zonden van mij verteld.'"
Philip ontkende het niet.
"Zij zijn dol op jou, je bent hun troetelkindje, maar of zij de rechte manier hebben om met je om te gaan, dat geloof ik nooit."
"Ze zijn toch zoo goed en lief!"
"O ja, zij behandelen mijnheer als een ziek kindje. 't Is Flipje vóór, Flipje na! Ma brengt hem thee op de kamer en strijkt hem langs het voorhoofd, 's middags moet hij wat rusten, aan tafel is er altijd een fijn schoteltje, en da krijgt hij in zijn koffie nog

[55:]

een paar extra boonen, en als hij naar bed gaat, komt ma of zus hem toedekken, en zij zien hem aan met een paar groote treurige oogen. Och, die arme lievert. Hij kan het heusch niet helpen; 't is een kwaal en daarvoor hebben zij hem zoo zwaar gestraft!
Philip begon te lachen, een helderen, gezonden lach; hij richtte zich op en zag haar aan.
"Hoe weet je dat?"
"O, dat weet ik. Ik zie het van hier. Niet bij ondervinding, hoor! Want niemand heeft mij ooit verwend of vertroeteld. Ik zou het ook niet kunnen hebben, bah!"
"Ja, ik voel zelf dat het niet goed met mij gaat, maar ik hen hier nu in een veilige haven, en als ik onder menschen kom en er gebeurt weer iets..."
"Laat het dan niet gebeuren. Je hebt toch een wil?"
"Op zoo'n oogenblik niet."
"Praatjes! Als men het zich maar ernstig voorneemt."
"O ja, als ik iemand had, die autoriteit over mij oefende zooals op die drilschool, waar ik geweest ben."
"Nadat je ma je hier niet meer aan mijn goeien oom Bernard toevertrouwde."
"Dat was het nietl Zij, of liever ik zelf, had behoefte aan een flinke mannenhand, en die vond ik daar. Een der meesters heeft een uitstekenden invloed op mij gehad; ik meende zelfs dat ik genezen was; zoo lang kreeg ik geen aanvallen meer."
"Zie je wel, dat er toch iets aan te doen is? Die legde het zeker heel anders aan dan moesje en zusjelief."
"Foei, Hortense, je moet niet met hen spotten. Zij zijn toch zoo goed voor mij."
"Dat ontken ik niet! Maar verkeerd goed, dat is

[56:]

nog erger dan slecht. Grootmoeder was niet goed voor mij, en toch ben ik dankbaar dat zij zóó tegen mij deed en niet zoo flauwzoet. Ik hou meer van lombok [Spaansche peper] dan van taartjes."
"Maar laten wij nu wat over jou spreken! Hoe gaat het je nu?"
"O best," en zij zag hem met haar stralende oogen vol in het gezicht, "ik ben zoo dankbaar dat ik mijn eigen zin deed en mij niet suf gestudeerd heb voor examens."
"Je hebt zeker een prettig leven bij je oom?"
"Ja - voorloopig! Want dat begrijp je wel, dat is het ware leven nog niet. Tenminste ik zou niet willen dat mijn leven zoo voorbijging als nu, zoo kalm, zoo effen, zoo eentonig."
"Maar je trekt je ook van alles terug?"
"Van de Grondvoortsche pleiziertjes! Och, ik ben met de beste voornemens begonnen mij er voor te interesseeren, maar 't is zoo hol, zoo leeg."
"Ben je nooit uit logeeren geweest?"
"Ik heb in Amsterdam gelogeerd, maar daar beviel 't mij ook niet. Eerst dweepten de nichtjes met mij - en toen - toen..."
"Namen de heeren te veel notitie van je en toen was het dwepen uit."
"Nu vraag ik, hoe weet jij dat?"
"Dat begrijp ik zoo wel, als ik je aankijk."
Zij glimlachte en ging voort.
"'t Is waar, zoo ging het. Die nichtjes van me zijn wel aardig, maar zoo gewoon, en ik schijn iets bijzonders over mij te hebben."
"Ja, dat dunkt mij ook. En kwam liet niet tot vragen bij die heeren?"

[57:]

"Ten huwelijk vragen, bedoel je? Ook wel, maar ik heb ze bijtijds geketst..."
"Ben je moeilijk in je keuze?"
"Misschien! En ik kwam t'huis en zei tegen oom: Nu blijf ik stil bij u, ik ga nergens heen, ik leg u geen corvées meer op, ik zal voor u zorgen zoo goed als oma het deed, onder voorwaarde..."
"Van wat?"
"Dat u mij een fiets geeft. En dat heeft oom met pleizier gedaan, en ik geloof dat hij grootmoeder niet betreurt - durf ik niet zeggen - maar heel weinig mist. En ik -- doe mijn zin en wacht."
"Tot de prins je komt halen ?"
"Totdat het leven voor mij begint."
"Denk je, dat het je hier zal opzoeken?"
"Ja, dat verwacht ik stellig!"
Zij was opgestaan en wipte gracieus op haar fiets.
Philip kwam te laat om haar te helpen:
"Wanneer zien wij elkaar weer?"
"Je ziet er nu bepaald veel beter uit dan daar straks. Ik heb je opgeflikkerd!"
"Ja, dat heb je! Ons praatje heeft mij goed gedaan en nu ben ik er zeer, zeer op gesteld je meer te ontmoeten. Waar zal dat zijn?"
""Bij ons aan huis durf je niet komen?"
"Waarom niet?"
"Wel, omdat ma en zus er tegen zijn?"
"O, die laten mij vrij! Ik kan gaan waar ik wil. Maar zou je oom het goed vinden?"
"Vindt oom ooit iets niet goed? Hij heeft grootmoeder en haar tyrannie goed gevonden, nu kan hij zich ook in alles schikken."
"Dus je denkt, dat ik welkom zal zijn?"

[58:]

"Kom maar eens aan tegen theetijd! En hou je flink, hoofd omhoog!"
Zij reed weg, hij keek haar na:
"Wat is zij ontwikkeld! Zoo'n ferme meid."
En er was meer kracht en levenlust in zijn stap, meer gloed in zijn oogen, toen hij het dorp naderde.
Volgens gewoonte wilde hij het zijpad inslaan, dat door het achterpoort je in zijn moeders tuin uitkwam, maar hij bedacht zich en ging de hoofdstraat door.
"Zou het waar zijn, bemoeien zich die nesten met mij?" dacht hij; 't kostte hem moeite er zich tegen in te zetten en met opgeheven hoofd het geheime vuur der oogen achter de gordijntjes te doorstaan, - maar die inspanning deed hem goed en gaf kleur aan zijn wangen.
Hij kwam den dokter tegen en groette hem het eerst; deze beantwoordde den groet met bijna overdreven hartelijkheid.
Zoo kwam hij dan door het voorhek in het tuintje van zijn moeder en schelde aan de huisdeur.
Eveline, die in de kamer links de tafel dekte, zag hem aankomen en kreeg een blos van pleizier.
"Och, ma," riep zij, even in de keuken aanwippende. "Philip schelt, hij is door de groote straat gegaan."
Zij maakte de deur voor hem open, en het viel haar ook op dat hij er beter uitzag.
Hij kuste haar, het was zoo de gewoonte bij de Van Astens; zij kusten elkander altijd, bij elk afscheid en elk wederzien, hoe kort ook de tijd mocht zijn, die er tusschen lag; geen wonder dat het soms een werktuiglijk gezoen was.
"Heb je een prettige wandeling gemaakt, Philip?" vroeg zij, hem bezorgd aanziende.

[59:]

"O ja, heerlijk!"
"Was het niet te warm?"
"Neen, ik ben in 't bosch geweest en daar is het verrukkelijk koel, Waar is ma?"
"In de keuken. Kom in de achterkamer."
De achterkamer was de huiskamer voor privé gebruik van de familie Van Asten; dit vertrekje met nog een paar zolderhokjes was alles wat zij des zomers voor zichzelf hielden. Anders aten ook mevrouw en Eveline met de familie in de groote eetkamer, nu bleef het meisje haar broer gezelschap houden, want Philip had er niets van willen weten aan de gasttafel mede aan te zitten. Ook was er een mooie, ruime kamer voor hem boven opengehouden, waar hij na zijn terugkomst zijn intrek had genomen,
Het kamertje zag op het achtertuintje uit, de jalouzieën hingen neer, en de tafel was gedekt voor twee; het was voor moeder en dochter een groote last, die dubbele tafel, maar zij dachten er niet over te klagen, het moest toch wel om dien armen jongen.
Als Philip anders van zijn zwerftochten terugkwam, wierp hij zich op de kleine sofa neer, legde zijn armen op de hooge leuning, verborg er zijn gezicht in en bleef zoo bijna onbeweeglijk zitten, totdat het tijd was om te eten; dan stond hij met een diepen zucht op, streek zich de verwarde haren uit de oogen en ging met een martelaarsgezicht tegenover Eveline zitten.
Vandaag trok hij de jalouzieën op, keek naar de drie kleine perkjes roode geraniums, heliotropen en reseda's, die daar uit het grasperkje staken, nam een courant van het kastje en begon te lezen. In de keuken stond Eveline bij haar moeder, die juist de pudding uit den vorm deed en zeide:

[60:]

"Waarlijk, ma, hij ziet er veel beter uit, en ik geloof ook dat hij vroolijker is."
Mevrouw Van Asten ging zich even opknappen voor het diner en kwam toen ook naar haar zoon kijken, die toen zij binnenkwam opstond en haar op de gebruikelijke wijze begroette.
"Dag Phil, dag vent," zeide zij met een vroolijk lachje, "hoe gaat het vandaag?"
"Best, ma," antwoordde hij met een trekje ongeduld, "waarom vraagt u dat zoo?"
"Och, mij dunkt, je ziet er zooveel beter uit. Eveline zei het mij reeds."
Philip antwoordde niets en ging op de sofa zitten.
Nu Hortense hem op dat vertroetelen van de beide vrouwen gewezen had, vond hij het zelf ook belachelijk en overdreven; tot nu toe was het hem nooit opgevallen. Hij had het aangenomen als iets natuurlijks, als iets, waaraan hij van jongs af gewoon was en dat hem zoo langzamerhand tot tweede natuur werd.
Mevrouw Van Asten was lang niet meer zoo knap als tien jaar geleden; zorg, drukte en verdriet hadden zich diep in haar gezicht gegroefd; veel opofferingen had het haar gekost om dien goeien jongen aan de Polytechnische school te laten studeeren. Ieder vond het dwaas van haar, zich zoo af te beulen voor een stiefzoon. Philip had haar taak wel niet moeilijker gemaakt; een erfenisje van een oom van moederszijde had hem een eind voortgeholpen, hij studeerde zoo zuinig mogelijk, maar toch was het niet gegaan zonder veel offers van zijn moeder. Maar wat zou het, hij zou 't immers alles terugbetalen, wanneer hij eenmaal klaar was, en toen hij klaar was, kwam dit er tusschen.
Wat die zaak moeder en dochter tranen en slapelooze nachten gekost had, vermoedde niemand, Philip

[61:]

het allerminst; zij deden alles om hem zijn leed te doen vergeten, zijn moed op te wekken. Of zij er de rechte manier toe hadden? Hortense beweerde van niet, en Philip begon ook te denken dat zij wel gelijk kon hebben.
In de vroolijke eetkamer aan de voorzijde der villa kwamen de gasten bij elkaar; er waren er nu zeven.
Een makelaar in effecten uit Amsterdam met vrouw en twee dochters, twee bleekneuzige, armbloedige meisjes, die bij voorkeur altijd grijsgeel en lichtbruin droegen, wat haar nog bleeker en valer van tint maakte; dan een onderwijzeres, die om haar zenuwen buiten moest zijn, een oude, half suffe dame met haar gezelschapsjuffrouw, die haar onophoudelijk ringeloorde en bij alle kleinigheden op de vingers tikte.
Het gezelschap zat aan de helder gedekte tafel, waar alles van witheid bIonk, de gezelschapsjuffrouw bond haar "mevrouw" een servet onder de vleezige kin, de makelaar deed het zichzelf, zijn vrouw, die zeer gezet was, klaagde over de vreeselijke hitte, de meisjes begrepen niet hoe moe daarover klagen kon, zij vonden het nu juist verrukkelijk. De onderwijzeres had van middag maar stil onder de veranda gezeten en er niets geen last van gehad.
De meid bracht de soep, en na haar kwam mevrouw binnen en begon op te scheppen.
"'t Is eigenlijk te warm voor soep," zei de onderwijzeres, die met een benauwd gezicht in haar dampend bord keek.
"Als ik geen soep heb," meende de makelaarsvrouw, "'t is 't of ik niet gegeten heb."
"Niet lepperen," vermaande de juffrouw, wier onderzoekende blik geen oogenblik haar mevrouw verliet, "voorzichtig, het gaat alles over uw bord."

[62:]

De jonge meisjes kruimden haar brood, keken naar buiten en aten haast niets.
"Smaakt het u niet, juffrouw Nellie?" vroeg mevrouw Van Asten, die met moeite zelf een paar lepels soep door de keel kreeg, want bij deze warmte en in die gloeiende keuken had zij spoedig genoeg van de etenslucht alleen.
"Och jawel, mevrouw, maar ik houd niet van groentesoep."
"Hoe is 't mogelijk!" riep de onderwijzeres uit, "'t is de eenige soep, die raison d'être heeft."
"Dat doet er niet toe, ik houd er eenmaal niet van," snibde het meisje.
"Ma overvoert ons thuis met soep," meende haar zuster, "wij worden nog eens soep."
Mevrouw Van Asten zag met spijt, dat van haar soep haast niets gebruikt was, behalve door de vrouw van den makelaar, die zich gaarne nog eens bediende en verklaarde dat zij déli was, en zij vóór haar vertrek, bepaald het recept moest hebben.
Mevrouw Van Asten overlegde bij zichzelf onder het opscheppen hoe zij 't best morgen die soep een ander aanzien zou geven om er nog eens van te profiteeren, want het was toch zonde, twee pond poulet.
"Hoe gaat het uw zoon, mevrouw?" vroeg de makelaar, die zich als prettig mensch voordeed, "nog altijd even schuw? Ik wou dat u hem kon overhalen hier aan tafel te komen eten, dan hebben wij dubbele winst. Uw lief dochtertje is mee van de partij, en ik ben niet de eenige heer van het gezelschap, een taak, die mij wel wat zwaar valt, al zijn de kippetjes voorbeeldig zoet."
De onderwijzeres, de juffrouw en mevrouw Van Asten lachten behoorlijk om de aardigheid, de oude mevrouw

[63:]

morste met haar soep, en zijn eigen familie zette een gezicht alsof zij wilden zeggen: "Die aardigheden van papa, kennen wij al zoo lang, dat is oud voer."
"Och, mijnheer," antwoordde de gastvrouw, "de arme jongen is nog zoo gedeprimeerd, hij is niet te bewegen onder de menschen te gaan, en het zou hem toch zoo goed doen."
De jonge meisjes luisterden wat aandachtiger toe, dit onderwerp prikkelde haar; zij vonden den zoon van mevrouw, die gezeten had, toch zoo gruwelijk interessant. Iemand, die haast een moord had begaan, die er voor veroordeeld was en er nu zoo'n spijt over had, dat was iets vreeselijk buitengewoons.
Zij deden alles om Philip te ontmoeten, maar liet ging niet; hij ontweek haar, en als hij ze tegenkwam, groette hij, zonder verder naar, de logés van zijn moeder om te zien.
"lk begrijp niet waarom! De zaak is immers uit; hij maakt het veel erger door er zoo over te tobben en er zich er niet over heen te zetten."
"Stellig!" riepen de dames uit met bewonderenswaardige eenstemmigheid.
"Wat zou u er van denken, mevrouw, als ik hem eens toesprak, heel joviaal, heel vaderlijk en hem eens attent maakte op zijn toekomst en op - op - het verdriet en het ongemak dat hij u bezorgt?"
"O neen, mijnheer!" viel mevrouw Van Asten zenuwachtig in, "u is heel vriendelijk en ik dank U wel voor de belangstelling, maar ziet u, 't is beter van niet. Ik weet niet hoe hij 't zou opnemen, misschien zou liet hem erger maken; 't beste is maar, en dat zegt de dokter ook, het te laten slijten."
"Nu, dat is me ook wat moois," verklaarde de gezelschapsjuffrouw, die alles beter wist, met haar

[64:]

zware basstem, "en ondertusschen zit hij hier dag in, dag uit zijn tijd te verbeuzelen en te teren op uw zak, terwijl u er hard voor moet werken, en hij eigenlijk uw natuurlijke steun en kostwinner moest zijn."
Het was verdrietig om te zien hoe de oogen van mevrouw Van Asten bij deze ruwe woorden telkens knipten en haar neusvleugels en lippen trilden.
"Dat moet u zoo niet opnemen, juffrouw Dammer," zeide op haar gewonen, beslisten toon de onderwijzeres, "mijnheer Van Asten lijdt door het voorgevallene aan een zielsziekte, en rust is het eenige, wat hem helpen kan. Ik weet het 't best aan mijzelf; nadat ik mij van den winter zoo overspannen had, waren mijn zenuwen mij geheel de baas en de professor zei: er uit, er heelemaal uit, hoe eer hoe beter."
"Allemaal gekheid, die zenuwen!" verklaarde juffrouw Dammer en rekte haar kurassiersgestalte nog eens zoo hoog uit, "men kan er zelf 't meest aan doen. Maar 't is een modekwaal! Voorzichtig mevrouw! niet zoo krabben in uw haar, dat staat onfatsoenlijk aan tafel, en als uw coiffure in de war raakt, heeft niemand anders er last van dan ik."
Als een bestraft kindje liet de oude dame haar hand, die even langs haar hoofdhaar had gestreken, weer neervallen.
"Ik krab niet, Gonne," zei de zij op onderdanigen toon, "heusch niet!"
Met een knipoogje keek de dame het gezelschap rond, alsof zij zeggen wilde:
"Ik zie 't wel beter."
Maar de onderwijzeres schonk haar de bitse repliek niet op haar wijze uitlating.
"Ik wensch u geen kwaad, juffrouw Dammer. U schijnt paarden zenuwen te hebben, maar het kan toch

[65:]

wezen dat er een tijd voor u komt om er aan te souffreeren, en dan zal u voelen dat het geen gekheid is. Allesbehalve! Ik ben nooit kleinzeerig geweest, van jongs af heb ik geen tijd gehad aan kwalen te denken, maar toen 't mij overkwam..."
Mevrouw Van Asten zag altijd met schrik twee dingen aan haar tafel gebeuren, die zij boven alles vreesde: de onderwijzeres redeneerend over haar kwalen en juffrouw Dammer haar tegensprekend, dat gaf een wrijving, die zij ten koste van alles moest vermijden.
"Belieft u niet een stukje kalfsfricandeau?" vroeg zij aan den eenigen heer, wien zij steeds bijzondere attenties betuigde, want mevrouw Van Asten had een hoog idée van de rechten der heeren van de schepping, en haar sympathieën gingen ook veel meer tot hen dan tot de dames. Haar langjarige ondervinding met pensionnaires had haar geleerd, dat zij veel prettiger en gemakkelijker waren om mee om te gaan dan haar eigen seksegenooten.
"'t Ziet er heerlijk uit. Als het u belieft, mevrouw?"
"Is kalfsvleesch hier zoo goedkoop?" vroeg juffrouw Dammer scherp, een vraag, die de arme vrouw een blos naar de wangen joeg, "bij ons in Den Haag is het juist duurder, en voor mevrouw is het beter veel rundvleesch te eten."
De onderwijzeres, die juist bij zichzelf de opmerking had gemaakt, dat zij mevrouw eens verzoeken moest haar weer eens biefstuk te geven, daar Professor dit zoo noodig voor haar achtte, wilde nu echter haar antipathie, dien pretentieuzen kornak - zooals zij Dammer noemde - niet bijvallen en zweeg gelukkig.
"Morgen krijgt u een mooi ribstuk," antwoordde mevrouw Van Asten onderdanig. Het eenige volstrekt

[66:]

noodige voor haar staat miste zij stellig: zij was niet brutaal genoeg en trachtte ieder zijn zin te geven, een onderneming, die haar vele grijze haren en menigen rimpel kostte en per slot van rekening nog vruchteloos bleek te zijn.
Het was een zware taak voor haar de tafel te presideeren; als Eveline haar hielp, dan ging het veel beter; deze kon het gesprek zoo goed aan den gang houden. Zij was heel goede vriendinnen met Anna en Nellie; zij noemden elkaar bij den naam en hadden altijd veel met elkander te giegelen en te praten, zij nam haar ook veel uit de hand. Nu moest mevrouw alles doen, bedienen; voorsnijden, praten, fluweelen kussentjes er tusschen steken als persoonlijke gevoelens te scherp en te hard tegen elkander dreigden te botsen, en ten slotte nog aanmerkingen te hooren over het eten! Neen, dat was te veel voor één mensch! Zij voelde, dat zij moeite had, zich goed te houden; in den laatsten tijd was zij door dat geval met Philip toch al zoo prikkelbaar en zenuwachtig; zij zou niet beweren als die kurassier, dat zenuwen gekheid waren. Gelukkig dat er in den minder aangenamen toon, die begon te heerschen, plotseling ontspanning kwam.
"Kijk!" riep een der jonge meisjes, "daar gaat die malle meid van Charière."
Werkelijk kwam Hortense, nog altijd in haar fietscostuum, langs het huis, een brief in de hand, dien zij blijkbaar wilde posten; zij keek vrijmoedig naar alle ramen van Villa Gloria.
"Wat kijkt dat nest brutaal in!"
"'t Is toch een prachtstuk van een meisje," verklaarde de makelaar op kennerstoon.
"Heerenmooi!" meende juffrouw Dammer, verachte

[67:]

ijk haar neus optrekkend en meteen iets aan mevrouws servet verschikkend.
"Jammer, dat zij zoo zonderling doet," meende de onderwijzeres, "zij schijnt weinig opvoeding gehad te hebben."
"En zij is tot haar negentiende jaar op het pensionaat geweest," beweerde juffrouw Nellie.
"Wat een verschil met uw lief Evelientje!" zei haar moeder, die door de heerlijk gestoofde postelein in haar zondagshumeur was en behoefte had, mevrouw Van Asten iets liefs te zeggen.
"Ja, Goddank!" haastte zich mevrouw Van Asten te zeggen, en zij maakte van de gelegenheid gebruik een paar lastige traantjes, die van zooeven nog haar oogen natmaakten, in de aandoening van het oogenblik even weg te vegen.
Aan tafel bij Eveline en Philip ging het kalmer toe. Hij sprak niets, en Evelientje had het druk met hem te bedienen, zijn vleesch te snijden en vooral elken wensch uit zijn oogen te lezen.
"'t Is toch vreeselijk saai hier, zonder mama," zeide hij eensklaps, "het eten gaat zoo moeilijk door de keel, als je niets te doen hebt, dan elkaar de brokken uit den mond te zien."
"Ja, daar vóór is het levendiger."
"Nu, voor die levendigheid bedank ik, maar je ziet de straat, en dat is al veel!"
"Hoe heerlijk," dacht Eveline, "hij krijgt weer behoefte de straat op te kijken," en hardop zeide zij, "ja, juffrouw! Jammer en haar mevrouw hebben de andere zijkamer; 's winters zitten wij daar altijd, dat is zoo gezellig."
Philip zag zijn zusje een poos aandachtig aan.
"Jij hebt toch eigenlijk weinig aan je leven, Lien!"

[68:]

Zij bloosde tot achter haar fijne oortjes; wat een engel toch, die Philip, te midden van zijn eigen ellende nog zoo aan anderen te denken!
"O, ik ben tevreden! 's Zomers hebben wij veel te doen, en 's winters rusten wij uit, en brengen wij alles in orde voor den drukken tijd, en ik heb hier veel lieve kennisjes van mijn leeftijd; er is niets te doen of zij vragen mij er bij!"
"Ja, je bent algemeen bemind, heel anders dan Hortense Charière, die staat zoo alleen."
"O, maar die!"
En de allerliefste lipjes van Eveline namen een minder aangename uitdrukking aan.
"Wat heb je eigenlijk tegen Hortense?"
"Och, zij doet zoo raar!"
"Hoe bedoel je dat?"
"Wel, met die fiets, en dan, toen haar grootmama nog leefde, heeft zij zich overal laten presenteeren, en nu laat ze ieder links liggen, bemoeit zich met niemand en gaat haar eigen gang."
"Nu ja, zulke onvergefelijke zonden zijn het niet."
Hij schilde een peer en vroeg toen:
"Zeg, Eef! Zou je denken dat mama er veel tegen zou hebben, als ik mijnheer Charière eens een visite maakte? Hij is toch altijd zoo goed en belangstellend voor mij geweest, en hij weet er alles van."
Dat Philip blijken zou geven van zijn verlangen om weer onder de menschen te gaan, was een door moeder en dochter lang met blijdschap begroet vooruitzicht; nu hij echter juist met de Charières wilde beginnen, was Eveline's vreugde niet onvermengd.
"Ik vind het heerlijk, dat je er weer over denkt visites te maken, maar zie je, mij dunkt, en ma zal het ook vinden, dat er anderen zijn, die veel meer

[69:]

recht hebben op je bezoek, bijv. die en die," en zij noemde er eenigen.
Philip zweeg en roerde voorloopig het onderwerp niet meer aan; het diner in de voorkamer was intuschen afgeloopen, en met ongewone liefheid wandelden Annie en Nellie om het perkje, de armen om elkaars schouders geslagen.
Philip stond aan het venster, zij zagen schuchter op en keken een anderen kant uit, en haar bloedelooze wangen werden door een licht blosje opgefleurd.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina