Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


[39:]

V.

Helaas! ook deze stroohalm werd haar ontnomen.
Zij had Hortense in geen drie jaar gezien en toen was zij een broodmager, donkerkleurig kind geweest, slecht gekleed, slecht gekapt; maar toen zij nu met oom Bernard van het spoor kwam aanwandelen, schrikte grootmoeder bepaald van haar.
Mager was zij niet meer, integendeel goed ontwikkeld, een flinke gestalte, een mooi besneden, pikant gezicht, waarvan de teere olijfkleur fijn afstak tegen het donkere, gekroesde haar, dat haar kopje als in een lijst zette; oogen zacht als fluweel en tegelijk zoo vurig als karbonkels; oogen donkerblauw, meer dan zwart, omgeven door lichter blauw van dezelfde tint, wat ze nog grooter en nog eigenaardiger van uitdrukking maakte.
Zij zag er uit alsof zij reeds vijf en twintig was, zoo groot en flink; alleen de flauwe lijnen om haar lippen en om haar kin verrieden haar volle jeugd. Toch was zij niet grof gebouwd; haar polsen waren door een kinderhand te omvatten en haar handen en voeten echt Asschepoester-achtig, zeide zij zelf, want geen van al haar uiterlijke voordeelen was Hortense ontsnapt; zij kende ze alle en had ze één voor één nauwkeurig bestudeerd en wist hoe er partij van te trekken.
"Een pracht van een meid", dit kwam onwillekeurig bij iedereen op, en zij wist dat zij dezen indruk maakte; trotsch was zij er niet op, maar het deed haar toch pleizier dat het zoo en niet anders was.
In de laatste maanden had zij op school leeren knippen en naaien en nu had zij zelf de zorg voor

[40:]

haar toilet in handen genomen; zij kocht eenvoudige stof, maar wist die zóó op te maken en te garneeren ef zij iets heel kostbaars en elegants aanhad. Ook haar hoeden hadden een bijzonderen chic, iets, wat men nog nooit in Grondvoort gezien had.
Zij kwam in grootmoeders huis met de beste voornemens bezield; oom had in de coupé zeer gemoedelijk met haar gesproken; het opvallend mooie meisje imponeerde hem ook min of meer, maar hij had een diep besef van zijn plicht, hij kende zijn moeder door en door en had boven alles zijn rust lief.
Veel zeide hij niet tot Hortense, maar wat hij zeide, hoorde zij oplettend aan en antwoordde er zeer ernstig op:
"'t Zal niet mijn schuld wezen, oom! als de vrede gestoord wordt. Ik wilde van school af, ik heb mijn zin, ik zal nu ook mijn best doen, uw zin en den zin van grootmama te doen."
De ontvangst was, zoo als men verwachten kon, zeer koel van grootmoeders kant; zij monsterde het meisje met critisch oog, maar zei de niets.
"Grootmama, ben ik nog een Hottentot?" vroeg zij lachend.
"Ik heb nog nooit Hottentotten gezien," was het antwoord; "maar dat weet ik wel, als jij zoo gekleed en gekapt door Grondvoort gaat, dan krijg je alle kwajongens achter je."
"Maar grootma, hoe kan dat? Ik heb toch niets aan dan een doodeenvoudig grijs jurkje."
Dat was waar, er viel niets bepaalds op haar toilet, niets op haar uiterlijk te zeggen, en toch was zij bestemd de aandacht te trekken.
"Ik zal mijn haar morgen met vet insmeren en glad naar achter strijken, maar als het droog is, dan springt het toch weer uit elkaar."

[41:]

"Als je nu op den koop toe maar geen dolle dingen uithaalt en kalm thuisblijft."
"Hoor eens, grootmama," zeide Hortense toen zij na het eten met de oude dame en haar oom aan de theetafel zat, "ik geloof dat het goed is, als wij elkaar reeds het begin verstaan, want altijd kibbelen en vechten, dat is geen leven."
"Neen, grootma, dat zou ik denken! Maar 't is niet aan mij om me te schikken, maar aan jou."
"Neen, grootma! dat is ook zoo," antwoordde het meisje bedaard, "en dat verlangt niemand van u, ik allerminst. Ik ben de jongste, ik zal mij schikken! Maar 't is toch beter dat u weet op welke voorwaarden."
"Moet jij de voorwaarden stellen?" barstte de oude vrouw uit.
"Och, moeder!" suste Bernard, "laat haar eerst uitspreken en laten wij luisteren."
"Waarom moet zij uitspreken? Dat is de omgekeerde wereld. Ik, een oude vrouw, met mijn ondervinding, en zij, die pas komt kijken..."
"Zij heeft gevraagd om te mogen zeggen, wat haar op het hart ligt, en dus moeten wij eerst weten, wat om dan te kunnen antwoorden."
Hortense zag haar oom vragend aan, en op een wenk van hem ging zij voort op kalmen, beslisten toon:
"Ik ben nu thuis. U houdt niet van mij en hadt me liever niet bij u; wat ik zou willen, doet hier niets tot de zaak. Maar ik vind het verstandiger dat wij elkaar niet het leven verbitteren, dat dient tot niets."
"Wil jij mij de wetten stellen..."
"Stil, moeder, still" smeekte Bernard, "laat haar spreken."

[42:]

"En mag ik mijn idee niet zeggen? Dat is ongehoord."
"Straks, moeder."
"Nu dan," vervolgde Hortense. "Over drie en een half jaar ben ik meerderjarig en dan zal ik het met mij zelf uitmaken, wat ik ga doen. Voorloopig blijf ik onder uw bescherming en zal zorgen dat u zoo tevreden mogelijk over mij is."
"Heel vriendelijk, dat moet ik bekennen; en hoe wil je dat aanleggen? Ik ben er heel nieuwsgierig naar; tot nu toe heb je niets gedaan in je leven dan mij ergeren."
"Och, moeder, zij schijnt van goeden wil te zijn. Laten wij haar niet afstooten!"
"Ja oom, dat ben ik, van goeden wil. En als ik dat ben, behoeft u niet te vreezen voor klachten. Op school heb ik 't er goed afgebracht. Behalve die examengeschiedenis heeft u nooit last van mij gehad. Wat ik wil, dat kan ik ook."
Dat zei ze vol trotschen overmoed, het hoofd in den nek, de lippen half geopend, als iemand die van de geheele wereld bezit wil nemen.
Bernard bewonderde in stilte zijn nichtje.
"Er zit ras in," dacht hij, "de Charières zijn van ouden Franschen adel, met de revolutie geëmigreerd; Hortense is veel meer dan wij van hun geslacht."
"Dus grootmoeder, laten wij dan overeenkomen hoe wij met elkaar zullen leven. Als u het goedvindt, dan is het oom ook goed." En zij knikte hem speelsch glimlachend toe.
"Hoeveel renten ik precies in het jaar heb weet ik niet, maar oom zei: krap genoeg om mijn kostschoolgeld te betalen. Nu, wat dunkt u er van, als ik dat aan u gaf, met een kleinigheid minder, omdat ik

[43:]

hier niet hoef te leeren, en ik dan dat beetje in handen voor mijn toilet en zakgeld?"
Zij zeide dit zoo kort en zakelijk, zoo pittig, dat grootmoeder en oom elkander aankeken.
"Daarmede mag ik doen wat ik wil; de rest stort ik in het huishouden. Vindt oom dat goed?"
"Maar kind," riep Bernard uit, terwijl zijn tanige wangen eenigszins bloosden, "dat is niet noodig, volstrekt niet."
"'t Is wel noodig, oom! Ik wil geen genadebrood eten en niemand tot last zijn. Dat is de eenige voorwaarde om in vrede te kunnen leven. Als mijn voogd mijn plan goedkeurt..."
"Natuurlijk," kwam grootmoeders schelle stem er tusschen, "'t is billijk dat wij vergoeding krijgen. Het groeit ons ook niet op den rug, allesbehalve. De Amerikanen zijn weer gedaald en dus... dus..."
"U vindt het goed, grootmoeder, dat ik kostgeld betaal."
"'t Is bitter weinig. Op school kan het er door, omdat er verscheidene meisjes zijn, en dan gaat het door de bank."
"'t Is genoeg, moeder, eerder veel te veel," sprak Bernard op strengen toon, "zij is uw kleindochter, het eenige kind en dus ook de erfgename van uw zoon. Al bezat zij niets, dan nog had zij hier rechten."
"Ja, dat moet je haar nog maar aan den neus hangen; de jongejuffrouw is toch al wijs genoeg. Toen ik zoo jong was, had ik van al die dingen niet het minste verstand, toen durfden kinderen niet op gelijken voet te staan met oudere menschen, met hen zaken bespreken en en hun eIgen belangen verdedigen. Daarvoor heeft men ouders of voogden."
"Fin de siècle, grootma!"

[44:]

En Hortense lachte, haar stralenden, betooverenden lach.
"Over een jaar of twaalf, veertien worden wij kinderen weer heel zoet en dom. Nu zijn wij wijs en voorbarig, dat komt door de oude eeuw, die maakt ons ook oud,"
En op ernstiger toon:
"Dan ben ik uw kostdame! ik zal u helpen in de huishouding, in de keuken, wat u maar verlangt wil ik doen!"
"Willen - willen - wie spreekt er van willen?"
"Als ik maar tijd over heb om mijn eigen kleeren te maken en mijn lievelingsstudies te onderhouden, dan ben ik tevreden."
"Ja, maar ik niet!"
"Wat wenscht u dan, grootma?"
"Wel, dat je - dat je - doet als andere meisjes."
"Hoe doen die dan?"
"Kopjes wasschen, lampen schoonmaken..."
"Heel goed, grootma, dat zal ik ook."
"Kousen stoppen, verstellen, handwerkjes maken, bedaard zitten."
"Best! Ik ben niet meer die wilde meid van vroeger, dat alles heb ik op school geleerd."
"Maar, moeder, dan heeft u niets meer te wenschen," zeide Bernard, hoogst tevreden over zijn nichtje en zichzelf bekennend dat, zoo zijn moeder nu niet met haar overweg kun, het haar eigen schuld zou zijn.
"Hortense is gewillig."
"Met den mond! Ja, maar wij zullen kijlien, wat er van komt in het vervolg!"
"En nu uw beurt, oom!"
Zij boog zich naar hem en zag hem vertrouwelijk aan.
"Ik ben jong, oompje, en ik weet dat er heel veel

[45:]

heerlijke dingen zijn om van te genieten in deze wereld. Nu geloof ik niet dat er in Grondvoort veel van die dingen zijn, maar van dat weinige zou ik graag profiteeren. Als er dan een concert of liefhebberijkomedietje hier is, gaat u er met mij heen?"
"Maar kind!" zeide Bernard verschrikt, "ik ga nooit naar die gelegenheden, ik zou er mij niet thuis gevoelen."
"Nu, dat went wel, oom! Maar ik wil u niet dwingen; misschien is hier wel de een of andere familie met wie u mij in kennis brengt en die mij wil chapperoneeren."
"O, ja, de burgemeester, de notaris, mevrouw - mevrouw - "
"Van Asten! Bedoel je die? Die is nog kwaad over dat geval, haar zoontje overkomen. Die groet ons nooit meer op straat en de dochter ook niet. 't Spijt me niets, want - want..."
Mevrouw Van Asten was nu weduwe en nog altijd koesterde de mevrouw Charière een geheimen angst, dat Bernhard weer lust zou voelen, den ouden band met haar aan te knoopen.
"Dus u vindt ook dezen wensch billijk van me, grootmama? Anders heb ik waarlijk niets meer op het hart en u?"
"Dat je ons fatsoenlijk huis niet in opspraak brengt allerlei geëmancipeerde kunsten."
"Maar lieve grootma, hoe kan u zoo iets van mij denken?"
"Omdat je zoo heel anders bent dan andere meisjes van mijn kennis."
"Ben ik, grootma? Nu, ik zal de meisjes hier eens goed opnemen en dan zien dat ik mij ook zoo kleed als zij, dan lijken wij allen op elkaar."

[46:]

Hortense kon echter met niemand van de Grondvoortsche dames opschieten; deze vonden haar vreemd en zij noemde ze valsch.
Zij waren allen onbeduidend, dat was waar, maar ontwikkeling behoefde zij toch ook niet te zoeken bij Jans en Mietje van den melkboer. Daar ging zij dikwijls naar toe om mee te praten, en het ergerde grootmoeder geducht, zulke burgerlijke neigingen bij haar kleindochter te zien.
Maar toen Jans en Mietje, vereerd door de kennismaking, haar eenvoudigheid aflegden en zich allerlei steedsche manieren en steedsche kunsten aanwenden, trok Hortense zich terug, en de boerderij zag haar niet meer.
Grootmoeder had anders weinig op haar aan te merken; zij was bedaard, deed wat haar gezegd werd gewillig en handig, maar toch vertrouwde de oude vrouw haar niet.
"Eens komt de ware aard weer boven, dat zal je zien," zeide zij dikwijls, maar het was haar niet vergund dit te beleven, want op zekeren morgen vond men.haar dood in bed.
"Nu zullen de menschen zeggen dat zij zich dood heeft geërgerd aan mij, maar daar heeft zij toch geen gelegenheid toe gehad, niet waar, oom?" vroeg zij Bernard.
"Neen, kind! neen!" antwoordde hij. "je hebt je niets te verwijten. Je hebt haar geen aanleiding gegeven tot ergernis, dat weet ik!"


inhoud | vorige pagina | volgende pagina