Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


III.

Men kwam mevrouw Van Asten zeggen, dat mijnheer Charière haar wilde spreken.
"Hé," dacht zij, "vanwaar dat ongewone bezoek?"
Zij was juist druk, heel druk bezig; met een huishoudboezelaar voor, maakte zij de lampen schoon en vulde ze met petroleum, iets, wat zij nooit aan anderen overliet.
Snel wiesch zij de handen, deed haar boezelaar af, gaf even met de vingers een streekje langs haar reeds half vergrijsd, maar altijd keurig opgemaakt haar, wierp nog even een blik over haar donkerblauwen peignoir en ging naar het spreekkamertje, waar Bernard haar stond te wachten.
Hij plukte zenuwachtig aan zijn roodblonde snor, en zijn oogen, telkens knippend onder den bril, zagen eenigszins angstig naar de deur, toen Bertha binnenkwam, vroolijk, opgewekt, een glimlach op de lippen, blijkbaar door zijn bezoek verrast.
Maar hij had zeker een heel bijzonder doodgraversgezicht getrokken, want, toen mevrouw Van Asten hem daar zag staan, sloeg haar eensklaps de schrik om het hart en in haar geest dook plotseling de gedachte op:
"Er is iets bijzonders aan de hand."

[25:]

De eerste gewaarwording, de geheime verwachting verradend, die haar steeds vervulde, was:
"Misschien is Van Asten dood!"
Maar het was te dwaas, dat juist Bernard die tijding zou komen brengen, en een tweede gedachte verdrong haastig de eerste:
"Philip is een ongeluk overkomen!"
Zij had het uitgesproken, vóórdat zij het wist, vóórdat zij den groet van Bernard kon beantwoorden; en hij raakte nog meer van zijn stuk.
"Een ongeluk - dat juist niet - maar - maar -"
"Hij is dood, hij is gevallen, verdronken..."
"O neen, volstrekt niet - wees u maar gerust, Berth... mevrouw! Philip is alleen maar..."
"Maar wat?"
"Een beetje onwel! 't Is een domheid, ik weet niet hoe 't kwam. Er is uit Hortense niets te krijgen, zij zit maar te beven en te huilen, en u weet - mama - - mama is - -"
"Wat is er gebeurd, in Gods naam? Ziet u dan niet, dat u mij gek maakt! Waar is mijn jongen dan nu..."
"Bij ons. Hij ligt op de canapé - wij - ik heb hem natte doeken op het hoofd' gelegd en - het spijt mama vreeselijk, maar hoe kon zij het weten, dat hij 't zoo zou opnemen."
Het werd iets lichter in Bertha's geest.
"O God! Hij heeft weer een toeval gehad. Wat heeft je ma dan weer uitgericht? O, dat mensch, dat mensch heeft al wat op haar geweten."
Gedwee boog Bernard het hoofd en zuchtte. Dat hij Bertha leelijk behandeld had, dat hij zonder het te willen, oorzaak geworden was van al haar zorgen en leed, dit knaagde altijd nog aan Bernard's eerlijk gemoed. Zijn jongensliefde was hij misschien reeds lang

[26:]

te boven, maar dit gevoel van spijt of berouw hechtte hem nog altijd aan haar, maal,te dat zij in zijn oogen heel iets anders was dan andere vrouwen, die hem allen vrijwel onverschillig lieten.
Bertha had dit woord uitgesproken, vóór zij liet in haar agitatie wist; anders had zij waarlijk geen wrok meer tegen mevrouw Charière, zoo benijdenswaardig vond zij het lot niet, dat haar bespaard wvas, de vrouw van zoo'n sul, de schoondochter van zoo'n feeks! Maar zij moest iemand de schuld geven en nu kwam alles op de oude vrouw neer.
"Wat heeft zij hem gezegd? vroeg zij met booze stem, "wat gaat haar mijn jongen aan!"
"Ik heb 't u gezegd, ik weet het niet precies, maar 't schijnt te zijn dat - dat u zijn eigen moeder niet was."
"Dat - heeft zij dat gezegd! En waarom, wat kan haar dat schelen, wiens kind hij is? En nu heeft hij daar een toeval van gekregen."
"Hij moet het toch eenmaal weten."
"Daar had ik wel voor gezorgd, ik zou het hem als het er tijd voor was, voorzichtig, bedaard gezegd hebben, maar niet zooals zij het deed, het hem zoo maar in het gezicht te gooien, hem zoo te schokken."
"Zoo'n arme jongen! Wacht, ik ga dadelijk naar hem toe."
Maar toen bedacht zij zich.
"Neen, ik zou mij bij uw moeder niet goed kunnen houden. Ik zal een vigilante zenden; heeft u hem niets ingegeven, geen barnsteen of zoo iets?"
"Wij hebben dat niet in huis."
"En hij komt nooit meer bij u over den drempel. Wat doet die jongen daar ook! Gisteren heeft hij zoo gekibbeld met dat kind en nu schijnt zij hem weer opgezocht te hebben..."

[27:]

"Neen," zeide Bernard, en nu bij voor zijn nichtje partij trok, kreeg hij moed; "ik geloof dat Philip altijd Hortense naloopt. Zij kibbelen samen, maar kunnen niet buiten elkaar."
"Jij kan dat kind niet uitstaan en nu heeft zij hem weer weer dol gemaakt. Zoon zwarte heidin! Mijn arm ventje! God, God! heb ik dan nog geen ellende genoeg?"
En zij snikte het uit, tot Bernard's grootste verwarring; hij zeide niets, maar plukhaarde wanhopig zijn knevels.
Ware mevrouw Van Asten weduwe geweest, hij haar zeer waarschijnlijk bij wijze van schadeloosstelling zijn hand aangeboden, op gevaar af, wanneer hij thuiskwam, onder den druk zijner moeder, zijn aanzoek te herroepen.
"Neen, ik kan niet bij u aan huis komen, waar zij het er op toeleggen, mij te plagen en tegen te werken. Zeg uw Ma dat ik het haar vreeselijk kwalijk neem dat het kind niet moet probeeren mij ooit onder oogen te komen."
"Ik zal het zeggen, Mevrouw! En dus zal ik Philip maar in een vigilante thuisbrengen."
"Zoo spoedig mogelijk! Ik wil niet dat bij een minuut langer dan noodig is, onder het dak van uw moeeder doorbrengt."
Bernard zag dat er niets anders meer voor hem overbleef dan te buigen en heen te gaan; het was een groote inbreuk geweest op zijn dagelijksche gewoonten, een waar offer, en het werd zóó beloond.
Tot nu toe had hij altijd mevrouw Van Asten vriendelijk en vroolijk ontmoet, als zij des winters een enkelen keer zijn moeder bezocht. Het scheen dat zij niet meer aan het verledene dacht; nu werd het hem

[28:]

duidelijk hoe zij nog altijd, meer dan hij, er door gedrukt werd, en nu moest hij het weer zijn, die haar nieuwven kommer bezorgde.
Droevig, het hoofd dieper gebogen dan anders, ging hij naar huis; hij vergat de vigilante te bestellen, en hij was reeds vlak bij het voetpad, dat hem langs een binnenweg thuis bracht, toen het hem inviel; hij stond nog juist te weifelen of hij terug zou keeren naar het dorp of wel de meid zenden om er een te halen, toen Philip op een draf het huis verliet en hem tegemoet kwam.
De jongen keek recht voor zich, hij was doodsbleek, zijn gezicht vol schrammen; toen hij Bernard zag, wilde hij even zijn pet verschuiven en voorbij gaan, maar de leeraar hield hem vast.
"Hoe is 't, beste jongen?" vroeg hij hartelijk.
Philip draaide het hoofd om.
"Waarom ben je niet blijven liggen?"
"Ik wil 't haar vragen - zij jokt niet."
"Lieve jongen! Het doet er immers niets toe of zij je echte moeder is of niet, zij houdt toch evenveel van je. En zij heeft al zooveel zorgen, maak het haar niet zwaarder."
Het was een soort plicht, waarvan Bernard zich kweet. Op die manier zou hij misschien eenigszins aan Bertha goedmaken wat zij door hem had geleden.
De knaap beet zich op de lippen en groote tranen rolden langs zijn wangen, terwijl hij zijn hand gedwee in die van Bernard liet rusten, maar hij zeide niets.
"Wie heeft het je verteld?"
"Hortense vroeg er naar, zij dacht dat ik niet wist -" en toen eensklaps zijn groote bruine oogen op Bernard richtend: "'t is dus zeker waar, iedereen weet het, ik alleen niet."

[29:]

"Nu maak ik het nog erger," dacht Bernard.
"Ga maar naar huis, Philip, en - en houd je bedaard."
Hij ging verder en als een pijl uit den boog vloog de jongen weg;
"Daar had nogal een rijtuig voor moeten komen. Die malle kunsten!" bromde de oude vrouw, "ik heb nog nooit zoo'n malle verwennerij gezien. Die moeder en die dochter zouden zich het brood uit den mond sparen, alleen voor dien kwajongen. Een koets, 't is waarlijk of zij het geld maar voor 't opscheppen hebben. Dat sjouwt den heelen dag voor andere menschen en gooit de guldens zoo maar het raam uit."
"Zij dacht dat de jongen nIet vervoerbaar was."
"Wat heb je haar dan toch verteld? De rakker was niet ziek; 't is ondeugendheid van den bengel, anders niet. Zoo aan te gaan! Hij gaat denzelfden weg op als zijn vader. Zij kan er pleizier van beleven! Maar 't is haar eigen schuld; waarom mag die jongen het dan ook niet weten dat zij zijn moeder niet is. Ziekelijke sentimentaliteit! Zij is altijd zoo'n dweepster geweest. Je mag God wel je beide knieën danken, dat je haar niet gekregen hebt, Bernard. 't Is de wijste streek van mijn leven geweest dat ik er tegen was."
Bernard zag er volstrekt niet naar uit of hij van plan was zulk een dankzegging te houden; in den geest zag hij Bertha weder zooals zij eerst binnen was gekomen, helder, smakelijk in haar aangename gezetheid, vroolijk en vriendelijk.
Hoe jammer, dat door zijn boodschap alles zoo plotseling veranderde; dat beetje dwepen had hij zich wel getroost. Moeder dweepte nooit en met niemand; was zij daarom prettiger in het dagelijksch leven?
In "Villa Gloria" lag Philip intusschen hartverscheu

[30:]

rend te snikken op de groote canapé in mama's huiskamer; mevrouw en Evelientje deden alles om hem te bedaren, hij stiet ze weg en wilde van niets weten.
Na zulk een bui bleef hij altijd doodelijk afgemat liggen; anders vond hij het een voorrecht en genot als mama en zus hem als een zieke behandelden en met liefkoozingen en lekkers overlaadden.
Mevrouw Charière had dit zeker heel onopvoedkundig gevonden, maar daar vroegen beiden in haar blinde liefde voor den kleinen afgod niet naar.
Nu echter was Philip niet te bedaren, hij wilde zich niet laten verwennen, tegen zijn gewoonte; hij zei maar telkens:
"U is mijn Mama niet en Eveline is ook mijn zusje niet. Ik wil weg, ik kan hier niet langer blijven. Ik kan niet - ik kan niet - u heeft mij bedrogen!"
Eindelijk viel hij in slaap. Evelientje zat doodstil naast hem met de gevouwen handjes in den schoot, de oogen erg behuild. Mama ging aan haar werk, diep bedroefd, maar ook heel boos op dat nare volk van Charière.
Daar werd de deur zachtjes opengemaakt en een zwart kopje gluurde naar binnen.
"Eveline," zei de een zacht kinderstemmetje.
Het kind keek op, zag nijdig de kleine indringster aan, en wenkte haar heen te gaan.
Mevrouw kwam juist uit de andere kamer; haar oogen vonkelden van woede; onzacht greep zij het meisje bij de schouders, duwde haar van de deur weg en de gang in.
"Ondeugende meid! Je hebt Philip ziek gemaakt met je gek gepraat. Wil je hem nu weer wakker maken, nu hij een beetje rustig is?"

[31:]

"Ik wou maar weten hoe 't met hem is," antwoordde het kind bedaard.
"'t Is zeker je grootmoeder die je zendt."
Zij schudde het hoofd.
"Neen, ik kom voor mijzelf."
"Zeg haar maar, dat Philip een schok heeft gekregen, dien hij nóóit meer te boven komt, dat ik er ellende mee krijg, verschrikkelijk, en dat ik nooit meer iemand van jelui hier wil zien."
Hortense stond op de steenen van den drempel en hoorde hoe de deur met kracht achter haar in het slot werd geworpen.
"Zou dat hem niet wakker maken ?" dacht zij. "Zij jagen mij het huis uit, maar ik kom er eens terug. Wacht maar!"


inhoud | vorige pagina | volgende pagina