Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


[193:]

XXII.

Het was om er het geduld bij te verliezen; dag in, dag uit, week in, week uit, niets kreeg men te hooren van Philip. Wat men ook beproefde, niets hielp. Advertentiën, oproepingen in de couranten, niets werd beantwoord.
Hortense bleef bij haar oom; zij waschte 's morgens de kopjes en berg de het theegoed weg, zij stofte de meubels af, ging eens uit, kwam weer thuis, zette koffie klaar, handwerkte een weinig, bleef voor het raam zitten kijken, redderde haar ooms boeken op in afwachting dat hij thuiskwam. Dat uitkijken naar hem bracht de éenige verandering in haar leven, het was iets om naar te verlangen alle dagen; maar alle dagen ook bekende zij zich zelf, dat het eigenlijk niets voor haar beteekende of hij in de kamer was.
't Kon haar niet schelen, en hem nog minder, of zij elkaar zagen of niet. 's Avonds gingen zij soms wandelen door het Vondelpark, nu de avonden langer werden, een enkelen keer dronken zij een kopje thee in, het "Pavilloen" en keerden naar huis terug, bijna geen woord sprekend, elk verdiept in zijn eigen gedachten, mijlen ver van elkander verwijderd. En als zij dan 's avonds op haar kamertje terug was, wierp Hortense zich voorover op haar bed en bleef er liggen, zoo neergedrukt, zoo verpletterd als ware een niet te dragen last op haar geworpen, waaronder zij zich niet kon opheffen.
Zij kermde zachtjes en zuchtte soms tranen, hoe vurig zij er naar verlangen kon, verschenen nooit, en altijd klaagde zij:
"Mijn mooi leven, wat heb ik er mede gedaan?

[194:]

Waarom het toch zoo bedorven? Zal 't ooit weer terechtkomen? Mijn beste krachten verspil ik hier; ik kan toch wat beters doen dan oom tot last zijn! O, waarom mij toen door die vrouw laten weerhouden? Hij komt toch niet meer!"
En haar dorst naar glans, naar gloed, naar leven keerde met geweld terug! En zij kon, zij mocht dien niet bevredigen, een herfstdraad lag tusschen haar en de schitterende wereld, en die draad was de band, die haar aan Philip hechtte.
"Ik moet iets doen!" zoo herhaalde zij telkens iederen avond, en 's morgens stond zij op en vroeg zich af: "maar wat?" en dat bleef zij vragen den heelen, langen dag door.
Zij had niets, geen enkelen plicht, geen enkel belang, alles was even leeg, even blank, even koud; zij gevoelde zich weer zoo jong, zoo gezond, zoo sterk.
Er leefde een behoefte in haar, die bij den dag aangroeide, om te werken, te handelen, te voelen. Zij zag het oogenblik naderen, waarop het haar niet langer mogelijk zou zijn dien drang te verstikken en wat dan? Zij wilde, zij kon niet afdalen, zij moest haar man waardig blijven, hij mocht haar geen verwijt doen, want al was hij de oorzaak van al haar lijden, hij deed het slechts uit liefde, uit verschooning voor haar. Haar lafheid was oorzaak van alles geweest.
Wat zou zij nu anders zijn - wat zou zij nu hem ter zijde staan in het oogenblik van gevaar! Wat voelde zij veel geleerd te hebben, maar nog niet genoeg, neen, lang niet genoeg. En toen werd een besluit in haar rijp, eerst heel vaag, maar langzamerhand schrikte zij er voor terug met alle krachten van haar ziel, en later kwam zij er weer op terug, aarzelend, schoorvoetend, eindelijk met een gevoel dat

[195:]

het de eenige kans was tot redding, de eenige hoop op toekomstig geluk.
Op een morgen na het ontbijt zeide zij tot Bernard:
"Oom, ik heb een besluit genomen voor mijn toekomst."
"Maar, kind!"
"Ja, oom! U begrijpt wel dat het zoo niet gaan kan, hier mijn tijd te verliezen, zonder iets nuttigers uit te voeren, dan uw huisjuffrouw werk uit de hand te nemen. Daarvoor ben ik toch waarlijk niet op de wereld. Vindt u wel?"
"Neen, dat geloof ik ook eigenlijk: maar wat wil je beginnen? Ik zie niet in dat je ergens beter kunt zijn dan hier, of het moet wezen bij - bij..."
"Mijn schoonmoeder? Neen, oom! Wij zijn nu heel poesjeslief, maar als ik daar veertien dagen ben, krijgen we ruzie, zoo stellig als ik hier voor u sta, en blijven dan misschien geslagen vijandinnen, en dat wil ik niet. Daarbij, dat zou maar verplaatsing zijn van mijn lui leven. Ik wil iets bepaalds doen."
"En dat is?"
"Kan u 't niet raden?"
Oom Bernard's gezicht nam zulk een komiek verschrikte uitdrukking aan, dat er weer iets van de oude Hortense in haar oogen kwam, zij begon te lachen.
"Ik weet wat u denkt, maar daarmee heb ik afgedaan. Dat is al bekeken van alle kanten. Neen, oom, ik word geen paardrijdster. Die oude illusie heb ik over boord geworpen, maar - verpleegster!"
"Meisje, hoe verzin jij 't?"
"Een wonderlijke combinatie, hé, oom? Hortense van Asten-Charière pleegzuster, ziekenoppasster; maar juist het vreemde trekt mij aan en prikkelt mij, en wat ik wil dat kan ik ook, heb ik eenmaal gezegd;

[196:]

dat is armzalige pocherij gebleken. Nu zal ik zien of ik beter woord kan houden, 't Is te probeeren ten minste; u heeft relatiën, oom! Wil u die gebruiken om mij aan een plaats te helpen, ergens aan een zenuwinrichting?"
"Als je wilt, Hortense, ja natuurlijk! maar - maar - ik vind het zoo excentriek, voor iemand als jij."
"Zag u mij liever naar den circus of het tooneel gaan? Oom, oom, ik moet iets doen, ik kan zoo niet langer leven. Wees toch blij, dat ik het goede zoek, en help mij zooveel als u kan!"
Hortense wist niet wat zij begon; het viel haar eerst vreeselijk tegen. Zij had veel te worstelen met haar eigen neigingen, met haar omgeving; zoo als overal waren de mannen te vriendelijk voor haar, de meeste vrouwen jaloersch; zij was mooier dan ooit, onder het witte kapje en den zwarten sluier. De zieken zagen haar voorbijgaan als een levenden zonnestraal; een soort van roman hulde haar in een aureool van poëzie.
Haar man was krankzinnig, vertelde men, en nu wilde zij leeren met zenuwzieken om te gaan, ten einde hem zelf te mogen verplegen.
Het kostte haar ontzaglijk veel moeite en zelfoverwinning, toch hield, zij vol en vervulde haar taak zoo goed zij kon.
Mevrouw Van Asten en Eveline dweepten thans met haar. 't Scheelde weinig of zij verwenschten Philip, die zulk een schat zoo schandelijk verwaarloosde, en daarom ook verdiende eenzaam door de wereld te zwerven. De hollandsche couranten scheen hij te lezen, want nadat Eveline's advertentie van ondertrouw daarin stond, ontving zij een bankbiljet van fl 100 met het postmerk Barcelona en het bijschrift:
"Zoek afzender niet in Spanje. Meer heeft hij nog

[197:]

niet gespaard; zoodra er meer is, zendt hij het naar Holland voor zijn onvergetelijke lievelingen."
Eenige maanden later ontving mevrouw Van Asten f 300, met niets anders er bij dan de woorden:
"Met haar deelen!"
De brief was afgestempeld in New York.
"En nu voel ik mij sterk genoeg voor hem; zoo sterk als ik mij vroeger verbeeldde, hoop ik nu werkelijk te zijn," sprak Hortense na twee jaren en zij zette de volgende advertentie in de door hem blijkbaar gelezen couranten:
"Herfstdraden.
Kom terug! Het gevaar is niet meer te vreezen.
H. kan ze nu voor u spinnen!"
Weken gingen voorbij... nog niets. De hoop, die Hortense tot nu toe was bijgebleven, verliet haar, en nu eerst voelde zij het, hoe 't deze hoop alleen geweest was, die haar in doffe, moeilijke oogenblikken had gesteund en verlicht; zij deed haar werk zonder ijver, zonder vuur, zij had er het hart niet meer bij.
Zij behoorde niet tot de vrouwen, die zich kunnen toewijden aan een algemeen doel, hoe schoon en verheven ook; zij had een tastbaar voorwerp noodig, waaraan zij zich kon hechten met hart en ziel, een liefde, een zorg zóó groot, dat het de wilde, opbruisende verlangens van haar hartstochtelijke verbeelding kon doen bedaren. Zoolang zij met Philip gelukkig had geleefd, was zij tevreden geweest; de liefde voor haar kind vervulde haar toen reeds geheel en al, en nu, sedert zij zoo eenzaam en verlaten was, bezielde haar alleen de hoop, hem terug te vinden, goed te maken aan hem wat zij tekort gekomen was. Zij dacht aan hem als aan een zwakke, een zieke; elke patiënt, aan haar zorgen toevertrouwd, was het beeld van Philip. Zij

[198:]

wijdde zich aan hen toe met al haar krachten, al haar vermogens, haar nieuw aangewonnen talenten.
Zij zag slechts hem in hun lijden en zwakte: zij trachtte voor de haar onverschillige menschen zoo goed, zoo barmhartig, zoo liefdevol mogelijk te zijn, opdat God haar tot belooning haar man zou doen terugvinden, haar toestaan hem te verzorgen en te verplegen, hoe hij ook zijn mocht, - hoe zieker en zwakker, hoe beter.
Maar nu zij de blijde hoop, die haar hart van geheimzinnige vreugde deed kloppen, vaarwel scheen te moeten zeggen, verflauwde haar belangstelling; de zieken werden vreemden in haar oog, gewonp, lastige schepsels, die haar tijd en zorgen in beslag namen als iets dat hun van rechtswege toekwam; en wat waren zij haar? Immers niets. Eén alleen had rechten en aanspraken op haar; wanneer hij die niet wilde doen gelden, waarom zij dan wel? Inwendige verbittering en ergernis vervulden haar. Alles stond haar tegen; alles walgde haar.
Dwaze, wanhopige plannen krielden in haar hoofd; zij dacht weer aan heengaan, aan vluchten, verre van hier! Zij begon opnieuw met verlangen te denken aan dien dag, toen zij zoo dicht bij haar levensdoel gekomen scheen en een nietsje voldoende was geweest haar te weerhouden. En wat had het haar geholpen, wat hadden die nachten van waken, die dagen vol arbeid en werk haar geschonken?
Grenzenlooze verveling kwam over haar; lood scheen haar voeten te bezwaren; de dokters en hoofdverpleegsters, die haar vroeger hun beste hulp hadden genoemd, schreven haar veranderde stemming toe aan overspanning, overwerking. Zij liet hen in dien waan en nam het veertiendaagsche verlof, dat men haar aanbood, gaarne aan.

[199:]

Mama Van Asten, die nog steeds in Grondvoort woonde, maar alleen - daar zij liever dagelijks bij de jongelui kwam, dan den schijn aan te nemen van een schoonmoederrol te willen spelen - had haar reeds dikwijls gevraagd te komen logeeren. Zij wilde er nu heengaan. Zij had haar komst niet vooruit gemeld; 't was alles zoo gauw gegaan, en bovendien zij had er niet aan gedacht, zij dacht aan niets meer tegenwoordig, niets was meer de moeite waard om aan te denken.
Zij stapte het stationnetje uit en wandelde langzaam de hoofdstraat in; het was voor 't eerst na haar huwelijk dat zij hier weer terugkwam, en als in een stoet trokken de verschillende Hortenses voor haar geest voorbij. Het kleinkind van grootmama, de half wilde indische meid; toen de Hortense op de fiets, alle Grondvoortenaars uitdagend en den knappen Philip wegkapend; eindelijk Hortense, de bruid - zij zag nog haar beeld in den spiegel, met elk plooitje in haar sluier, elk bloempje in haar krans. Wat had zij toen getriomfeerd tegenover de Van Astens en allen die haar vroeger benijd hadden!
En nu kwam zij weer terug in het stemmige, zwarte kleed van een ziekenzuster, het witte mutsje op de kroezende haren en den donkeren sluier voor het gezicht, want zij wilde niet herkend worden, zij wilde niet aanstellerig doen, zij wilde zich niet opzettelijk in haar nieuw kostuum vertoonen om den stoet der verschillende Hortenses ook voor anderen te doen ontrollen.
Zij schelde aan het bovenhuisje.
"Is mevrouw thuis?"
Ja, mevrouw was thuis.
Zij liep de trap op naar boven.

[200:]

"Wordt u verwacht?" vroeg het meisje verwonderd.
"Ja," antwoordde zij ongeduldig.
Zij tikte haastig, maar wierp meteen de deur open; op de canapé zat mevrouw en naast haar...
"Hortense!"
Zij stond versteend, den sluier met de eene hand van het gelaat wegschuivend. Toen voelde zij een paar forsche armen haar omsluiten; een donker gelaat, door een zwaren baard omringd, op haar lippen drukken. Zij voelde iets krachtigs, dat haar ophief en steunde; het visioen van zwakheid en ziekte verdween voor haar geest; de oogen sluitend, gaf zij zich over aan de nieuwe bekoring, die over haar kwam, en onhoorbaar fluisterde zij:
"O Philip, mijn Philip, mijn man!"


inhoud | vorige pagina