Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


XIX.

Na het vertrek van Hortense had Bernard Charière zich zelf de vraag gesteld, wat hij langer in Grondvoort deed. Hij had al genoeg jongens rekenen,- stel- en meetkunde geleerd. Door een samenloop van omstandigheden sukkelde hij met zijn meiden; hij had geld genoeg om op eenigszins bescheiden wijze in een groote stad te leven, maar dezen bescheiden wijze was juist wat hij verkoos, en toen eens het denkbeeld post gevat had in zijn geest, liet hij het niet meer los, vroeg zijn ontslag, zette zijn huisje te huur, verkocht zijn meubels, en deed alles zooals hij gewoon was, heel bedaard, zonder iemand te raadplegen, zonder iets vooruit te zeggen.
"Hij is bang dat mevrouw Van Asten opnieuw een aanval zal doen op zijn hart," schertsten eenigen, "daarom ontvlucht hij het gevaar, wel wetend, dat hij er in zal omkomen."
In Amsterdam huurde hij een paar kamers, kreeg zijn ontbijt op het boekje, bracht eenige uren in Leesmuseum en Universiteits-bibliotheek door, maakte geregeld zijn wandeling, weer of geen weer, dejeuneerde en dineerde in een bepaalde restauratie en werd in de groote stad weer even spoedig de slaaf zijner vaste gewoonten als vroeger bij moeder thuis.

[167:]

Dit aangename leven ging een maand of vier, vijf regelmatig voort, en zelfs de afwisseling der seizoenen bracht er maar heel weinig verandering in, toen hij eensklaps opgeschrikt werd door een brief uit Indië.
Hortense had hem een paar malen geschreven, maar niet dikwijls, en nu was haar laatste brief nog geen zes weken oud.
Wat had zij nu weer? O ja, 't is waar ook, zij verwachtte een heuglijke gebeurtenis. Die had zeker plaats gehad.
En bedaard dronk hij zijn thee en at zijn broodje, zonder zich door den brief te laten storen; toen het pntbijt geëindigd was, haalde hij zijn pennemes uit den zak en sneed methodisch als altijd de enveloppe open, nam toen den brief er uit en las:
"Beste Oom,
"Tot mijn groot verdriet moet ik u mededeelen, dat ik erg ziek ben geweest en mijn mooie hoop in rook is vervlogen.
"De doctoren zenden mij naar Holland, waarheen ik
"a.s. week met de "Prinses Marie" vertrek.
"Mag ik mijn pied-à-terre bij u nemen?
"Hartelijk omhelsd.
"Uw nichtje,
HORTENSE."
Dat was alles! Geen nadere bijzonderheden, geen woord over Philip of over haar plannen voor de toekomst.
Hij keek naar den almanak en naar den datum van den brief; die was al een week of vier oud. De schepen van Nederland deden veertig dagen of nog minder over de reis; zij kon dus reeds over een kleine veertien dagen hier zijn.
En wat begon hij dan met haar?

[168:]

Haar pied-à-terre bij hem nemen, in zijn jonge-heeren-intérieur, hoe kon zij er aan denken? Zijn zwager en zuster met hun huisgezin waren den vorigen zomer naar Baarn verhuisd; om de hooge Amsterdamsche belastingen waren zij forensen geworden. Was dit niet gebeurd, dan zou Bernard uit angst voor de drukke nabijheid van dit roezemoezige huishouden zeker een andere stad dan Amsterdam tot woonplaats hebben gekozen.
Maar nu vond hij 't jammer dat Hortense niet daar kon logeeren; zij zou er toch veel beter zijn dan bij hem. Waar zou hij haar onder dak brengen? Hij schelde en vertelde de binnenkomende mevrouw, dat hij een nichtje uit Indië over kreeg, en of die hier kon logeeren.
"O jawel, zij had nog een beeldig kamertje over."
"Maar 't eten dan?"
Nu, mijnheer kon toch eten van den kok nemen, dan hoefde hij niet door weer en wind er uit om zijn kost op te halen. Zij wist een heel best adres.
Dan was 't goed, dan zou het zich wel schikken. Hij had er wel even aan gedacht naar Baarn te schrijven, om te vragen of Hortense daar niet kon komen logeeren, onmiddellijk na haar aankomst. Dat was maar een wipje per spoor, maar zóó was 't toch beter. Had Hortense bij tante willen komen, dan zou zij haar wel rechtstreeks geschreven hebben, maar zij had het hem gedaan, en vanouds wist hij dat zijn nichtje op haar willetje stond als geen ander.
Hij ging op zijn gewonen tijd uit, maar in plaats van zijn wandeling langs de hoofdgrachten of door het Vondelpark, liep hij nu even aan op het kantoor der Maatschappij "Nederland" en informeerde naar de aankomst van de "Prinses Marie". Die kon over twaalf

[169:]

dagen hier zijn. Ja zeker, mevrouw Van Asten-Charière bevond zich onder de passagiers.
"Van Asten-Charière", die beide namen speelden hem den ganschen dag door 't hoofd; een vreemde combinatie en hij dacht aan Bertha. Het was dien dag slecht weer, en toen kwam 't bij hem op, dat het toch eigenlijk, veel gezelliger was, als de Amsterdamsche straten zich in zulk een weinig aantrekkelijken toestand van slik en water bevonden, thuis te zitten in een goed verlichte kamer, bij een net gedekte tafel, dan in een café zijn kost op te halen en terug te keeren in een onbewoond half koud vertrek.
Hij kwam tegen zeven uur thuis, eigenlijk blijde met het idee, dat hij voortaan thuis zou eten, en vast van plan reeds morgen er mede te beginnen, om goed op streek te zijn bij Hortense's komst. Hij zou zich nu voorloopig een kop thee laten zetten, ondertusschen stak hij den sleutel in het slot en trad in de helder verlichte gang.
"Mevrouw" verscheen dadelijk uit een der deuren.
"Hé, mijnheer! Wat is u vandaag vroeg. Dat treft!"
"Hoe bedoelt u dat?"
"Daar is van middag een jonge dame gekomen om u te spreken. Natuurlijk heb ik haar gezegd dat u pas tegen acht uur thuis zou zijn; toen is zij heengegaan en vroeg, toen zij terugkwam, of zij op uw kamer mocht zitten wachten."
"En stondt u dat toe?"
"Ja zeker, zoo'n nette dame!"
"Maar zei ze haar naam niet?"
"As - As - zoo iets aschachtigs!"
"Van Asten?"
"Ja juist, dat zei ze, Van Asten."
"Maar dan is 't mijn nichtje reeds."

[170:]

En met een vlugheid, hem anders heel vreemd, liep hij de trap op naar zijn kamer. Aan den kleederstandaard op het portaal hing een natte, lichtbruine regenmantel, maar dien merkte hij niet op.
Hij ging zijn kamer in, waar het licht reeds opgestoken was, en bij de tafel zat met een behuild gezichtje, de handen in een microscopisch mofje gestoken - niet die hij verwachtte, Hortense, maar Eveline van Asten.
't Duurde een poos, vóórdat hij haar herkende; hij had haar geen drie keeren met verstand aangezien; en zonderling! het eerste bewijs van herkenning in hem ontstaan, kwam door een herinnering aan haar moeder - zijn oude en eenige liefde.
"Mijnheer Charière! Goddank, dat u er is!" begon zij, opstaande, met een beverig stemmetje; "u neemt het mij toch niet kwalijk?"
"Maar, juffrouw, is u dat - u hier - ik dacht eigenlijk dat het uw schoonzuster - mijn nichtje was."
"Ach ja! u zal wel verwonderd zijn mij hier te zien, maar mama was zoo ongerust, en toen heb ik haar maar gekalmeerd met te zeggen dat ik 't u zou vragen, want u weet er zeker meer van, en ik dacht van avond weer thuis te zijn, maar nu is het al te laat! Ik kan niet meer thuiskomen."
En zij eindigde in een snik.
"Kom lieve juffrouw," zei Bernard, hoe langer hoe meer verlegen, "maak u niet zoo van streek.'t Is niets. U is hier niet op een eiland. Morgen gaan er ook nog treinen. Wat was 't doel van uw komst?"
"Philip," kwam er hikkend uit."U weet het zeker al?"
"Wat?" vroeg llernard ongerust; "is er iets met Philip?"
"Weet u het dan niet?"

[171:]

"Neen, ik weet niets, dan sedert van morgen dat Hortense naar Holland komt!"
"Komt zij naar Holland, en waarom?"
"Ja, waarom dat weet ik evenmin. We schijnen beiden iets te weten, maar samen nog niet heel veel. Wat is er dan met Philip?"
"Philip is weg,"'snikte zij nu luid. "We kregen van morgen een brief van den dokter van Tjakra-Tjikri, nadat wij in geen weken iets van hem hadden gehoord. Anders schreef hij alle drie weken; 't werd ook wel een maand in den laatsten tijd. Hij was toen zoo gelukkig!" Dat klonk toch een beetje scherp tusschen de tranen. "En nu die brief van zoo'n vreemden dokter, op verzoek van mevrouw Van Asten. Verbeeld u! Zij was te zwak en te geschokt, zij kon niet zelf schrijven. Zij is erg ziek geweest, het kindje is dood, en sedert dien tijd was hij malende - en - eens ging hij - het bosch in - en is spoorloos verdwenen -"
Eveline viel zenuwachtig snikkend op een stoel neer; Bernard herinnerde zich plotseling hoe hij ook al eens zoo'n uitbarsting van haar moeder over Philip had bijgewoond.
"Ach, wij hielden zooveel van hem, zooveel! En wij dachten altijd wel dat het eens verkeerd zou afloopen. Zij had er geen slag van met hem om te gaan. Dat hebben wij altijd gezegd, ma en ik."
Nu 't weer zijn nichtje gold, begon Bernard zijn plicht te begrijpen haar te verdedigen.
"Maar, lieve kind, hoe kun je zoo praten? Je weet immers niet wat er gebeurd is. Hortense is er zelf 't ergst aan toe. Zelf ziek, haar kindje dood, haar man weg. Waaruit blijkt nu, dat het haar schuld is? Of staat er iets van in uw brief!"

[172:]

"Neen, de dokter schrijft alleen dat zij hem verzocht ons mede te deelen dat - dat hij niet dood is. Maar anders weet zij er niets van - en nu zegt u dat zij komt."
"Ja," en hij haalde zijn brief voor den dag, "lees u maar zelf!"
Eveline las, en boosheid verving de droefheid op haar lief, een beetje onbeduidend gezichtje.
"Juist iets voor haar. Geen woord over Philip, alles over zich zelf. Je kunt niet zien dat zij zwak is, zoo flink schrijft zij. En dus komt zij hier bij u?"
"Natuurlijk! En dan zullen wij verder hooren; ik geloof dat het liefderijker is, tot zoolang ons oordeel op te schorten."
Er werd geklopt. Mevrouw liet vragen of mijnheer het theewater beliefde.
"U drinkt toch een kopje thee, niet waar?" vroeg Bernard, "dat zal u goeddoen!"
Eveline keek naar de pendule.
"'t Wordt mijn tijd," zeide zij haperend.
"Waar logeert u?"
Weer begonnen de waterlanders te komen.
"Ik weet niet, ik had niet gedacht over te moeten blijven. Ik moet naar een hotel gaan."
"Maar waarom? U kan ook hier blijven, in het kamertje, dat ik voor Hortense heb besproken."
Eveline vond het veel waardiger en karaktervoller geen enkele gunst aan te nemen van een Charière, die menschen van wie al 't ongeluk over haar familie was gekomen, maar de regen kletterde tegen de ramen, en de wind deed de kozijnen dreunen, en voor haar oog verschenen die straten weer in hun kledderige natheid, vol trams en rijtuigen en menschen met brutale oogen of onverschillige gezichten, en daar zag zij zich

[173:]

zelf, 't arme, kleine provinciaaltje, verloren tusschen al dat gewoel, eenzaam, verlaten, verregend, op zoek naar een slaapplaats, en hier brandde de vulkachel zoo lekker, en zij smachtte naar een kop thee en ook naar wat eten, want zij had sinds van morgen niets gebruikt door de ongewone agitatie en de onverwachte reis. Zij voelde zich zoo flauw en zenuwachtig, en daar buiten zou zij 't weer koud krijgen en angstig worden.
De strijd tusschen haar principes en neiging was zwaar. Zou mama 't goedvinden dat zij hier bleef bij haar aartsvijand? Maar toen zij dacht aan een hotel, en aan die nare kellners en groote rekening, ontbrak haar de moed op haar standpunt te blijven staan.
"Als ik hier evengoed kan logeeren als in een hotel, dan wil ik wel blijven, maar ik zal u geen last aandoen en stil naar mijn kamer gaan."
"Wel neen, 't meisje brengt dadelijk de thee. Heeft u gegeten?"
"J a - of eigenlijk neen!"
"Nu dan zal ik laten dekken."
Een oogenblik later verkwikte zich Eveline aan een broodje met rookvleesch en verwarmde zich door een kopje thee. Nu en dan wischte zij nog haar tranen af en vertelde van de laatste brieven van Philip, nog zoo vol geluk en hoop, en telkens viel zij zich zelf in de rede met de vraag, of zij mijnheer niet hinderde, en Bernard antwoordde telkens: "Neen, volstrekt niet!" Maar intusschen zocht zijn oog begeerig de avondcouranten, die daar zoo ongerept op hem lagen te wachten en waaraan hij meer verslaafd was dan aan eten, drinken of slapen.
Toen begon zij over beider omstandigheden, en nu luisterde Bernard wat aandachtiger toe, want nog

[174:]

altijd boezemde Bertha's lot hem belangstelling in.
't Ging haar nu tamelijk goed.
"We begonnen juist wat op te leven; die arme ma fleurde in de laatste maanden een beetje op; haar heele leven heeft zij ook zoo getobd en gesjouwd. Nu zeide zij mij in de laatste maanden telkens: "Kind, kind! wat hebben wij 't toch kalm, maar 't zal niet lang duren of er komt weer wat. Zoo ging 't altijd, mijn leven door!" En jawel, daar is 't nu!"
Zij zweeg eventjes om de traantjes af te drogen, en Bernard zuchtte om zijn courant of om het minder aangename levenslot zijner gemankeerde vrouw.
"Ja, zij heeft er zich flink doorheen geslagen, ferm! Zij is een kapitale vrouw," verklaarde hij uit den grond van zijn hart, maar 't kwam er twijfelachtiger uit dan met zijn innige overtuiging overeenkwam.
Evelientje keek hem dankbaar aan.
"Och ja! die goeie, lieve ma! Kon ik haar maar gelukkig maken. 't Waren heerlijke maanden. Natuurlijk, als Philip wat meer in de nabijheid was geweest, zou 't nog prettiger zijn, maar wij kregen zulke verrukkelijke brieven en waren tevreden. We wonen niet meer in "Villa Gloria", weet u, maar in de Hoogstraat, boven Hendriks, den kruidenier."
"O zoo, daar?"
"Ja! En de suite hebben wij verhuurd aan een - een candidaat-notaris, een heel netten jongen!"
Eveline sneed haar brood in kleine stukjes. Een ander zou dadelijk gemerkt hebben dat die candidaat-notaris ook zijn deel had aan de heerlijke dagen, door Evelientje beleefd.
"Dus heeft u toch nog iemand op kamers?"
"Maar dat is heel iets anders; zoo'n heer

[175:]

geeft volstrekt geen last. Hij is den heelen dag uit en eet in "de Zwaan", en als hij thuis is - dan - dan - vindt hij het zoo gezellig, binnen bij ons te zitten en wat te musiceeren."
Eveline hoopte misschien dat mijnheer Charière in deze gegevens aanleiding zou vinden om een vermoeden uit te spreken of haar wat te plagen; beide zouden een aangename afleiding zijn geweest, maar Bernard was er de man niet naar, zich met zulke kleinigheden bezig te houden, en toen het meisje merkte dat haar inlichtingen in dorre aarde vielen, klaagde zij voort:
"Ja, wij hadden 't zoo goed. Philip zond ons nu en dan een wisseltje, maar dat is nu ook uit. Och! als dat 't eenige was, maar die onzekerheid..."
Nog zweeg Bernard, en na een poosje stil gesnikt te hebben, vroeg Eveline of zij, om mijnheer niet te derangeeren, maar naar haar kamer mocht.
Charière haastte zich te bellen en Evelientje toe te vertrouwen aan de goede zorgen zijner hospita. Eindelijk zat hij in tête à tête met zijn couranten, maar 't duurde lang, vóór hij de ongewone gebeurtenissen van dezen dag voldoende naar dèn achtergrond had gedrongen, om zich door zijn lievelingsgezelschap te laten boeien.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina