Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


[115:]

XIII.

Philip en Hortense kwamen van het huwelijksreisje terug, prettig gestemd, zeer ingenomen met elkander en met de mooie wereld, waarin hun een kijkje was gegund.
Zij bleven maar zeer kort in Grondvoort, gingen in Amsterdam logeeren en vertrokken van daar met de Hollandsche mail naar Indië; mevrouw Van Asten en Eveline hadden beloofd hun uitgeleide te doen naar IJmuiden, maar 's avonds kwam er een brief om schriftelijk afscheid te nemen. Zij misten den moed, schreven zij, "Philip" voorgoed te zien vertrekken, en wenschten hem nu maar op deze wijze alle mogelijke geluk en voorspoed toe, zijn vrouw eveneens.
Philip was teleurgesteld en zelfs boos; Hortense haalde de schouders op.
"Ik had 't altijd wel gedacht," zeide zij.
"Maar waarom dan?"
"Och, dat weet men zelf niet, dat voelt men zoo."
"Ik heb 't toch niet vermoed."
"Mijn beste Philip, je hebt ook het voorrecht een man te zijn, en een goeie, beste man bovendien; maar wij vrouwen hebben zoo'n eigenaardig instinct. 't Is of wij er voelhorens op na houden om elkaar van verre te betasten."
"Ik vind 't een ellendigen boel, dat jelui niet beter samen kunt opschieten. Ma en Evie zijn toch zoo goed."
"Maar heb ik dan in iets misdaan, Philip?"
"Jij bent een engel, en ik vergeef het hun nooit, dat zij je niet waardeeren."
"Och, kom! Welke vrouwen waardeeren elkaar?"

[116:]

Oom Bernard kwam wèl; hij vergezelde hen naar IJmuijden met de Amsterdamsche familie en alle vriendjes en vriendinnetjes, die er een pretje van maakten.
Het afscheid ging onder lachen en giegelen; voor een ernstig woord was geen plaats, voor een traan nog minder. Het schip stoomde de volle zee in, en het gezelschap klom de duinen op om nog een laatst vaarwel toe te wuiven aan de vertrekkenden.
"Eigenlijk hadden ma en Eveline gelijk, zich niet te wagen in die drukte," zeide Philip; "maar ik vind het toch naar, dat ik hun ten minste niet in Grondvoort heb goeiendag gezegd."
"Kijk, eens, die Saar!" riep Hortense lachend, "hoe Frits haar plaagt. Als dat geen paartje wordt!"
Zoo verlieten zij Holland, Philip niet geheel voldaan, Hortense lachend en onverschillig.
Hun toekomstige woning lag in een prachtige streek, geheel verscholen in het donker van een tjemarabosch, met, van uit de voorgalerij, een uitgestrekt gezicht op padivelden begrensd door een rij bergen, grillig kartelend tegen de diep blauwe lucht. De fabriek lag iets dieper, door een bergstroom van hun huis gescheiden; aan den anderen kant was de woning van den directeur en het overige personeel, drie kwartier verder de kleine hoofdstad der assistent residentie.
Van Asten en zijn vrouw logeerden eerst bij den directeur; zij moesten hun huis inrichten, en daar er toevallig een paar flinke venduties waren, vonden zij spoedig het noodige.
Hortense genoot, toen zij haar huisje kon meubelen en opsieren; zij was practisch, had overleg en daarbij een fijnen smaak, hoedanigheden, te zelden vereenigd.
"Een keurig huisje, een paradijsje!" riepen allen, die

[117:]

haar een welkomstbezoek brachten, zooals gewoonlijk, de heeren veel harder en enthousiaster dan de dames.
Philip was trotsch op zijn mooie vrouw en zijn lief tehuis; zijn betrekking viel hem zeer mede, en in de volheid van zijn geluk schreef hij opgewonden brieven naar huis, zooals hij villa Gloria steeds bleef noemen, maar de echo's bleven uit.
Zeker, men verheugde zich, dat het hem zoo goed ging en dat hij gelukkig kon zijn zonder zich te laten storen door de herinnering aan moeder en zuster!
't Was heel goed zoo, zij wenschten niet anders, en dan zouden zij hem maar niet lastig vallen met klachten, hoe hard 't ook viel hem te missen, zich te moeten schikken in zijn afwezigheid.
"Zij zeuren," knorde Philip.
"Och, je was ook hun alles!"
En zij keek rond. Wat zouden Eveline en mevrouw Van Asten hier gaarne hebben geheerscht. Zij voelde zich gelukkig, zóó gelukkig, als zij nooit had gedacht het te kunnen worden; het leven, waarnaar zij eerst zoo vurig had verlangd en dat haar, toen zij de poorten er van geopend zag, een oogenblik van angst had doen beven, vond zij nu heerlijk, verrukkelijk.
Philip was zoo goed en zoo verliefd; elk harer wenschen was hem een wet; van zijn gebrek merkte zij niets meer. Zij vergat, dat men 't een waagstuk van haar genoemd had, met iemand zooals hij te trouwen.
"Men moet maar met de menschen kunnen omgaan," dacht zij vol zelf tevredenheid; "ik leg hem niets in den weg, ik maak 't hem zoo aangenaam mogelijk. Waarom zal hij zich dan drirtig maken? Hij weet ook dat ik ongemakkelijk zal zijn, als hij

[118:]

weer zoo aangaat, en dat ik niet van zins ben hem als een zieke te behandelen, zooals de lieve poesjes thuis."
Eerst een half jaar na hun vestiging op Tjakra Tjikri kreeg zij het bewijs, dat de vreeselijke kwaal nog volstrekt niet genezen was.
De uitbarsting gold een bediende, wiens fout betrekkelijk klein was, maar die Hortense in onaangenaamheid bracht; de kalmte, waarmede de inlander zijn berisping ontving, ontstak zijn woede, en hoe razender Philip zich aanstelde, hoe kalmer de man in zijn onverstoorbaar phlegma hem aanstaarde. Philip vergat zich geheel en al; hij wilde zich op den jongen werpen, hem misschien worgen, als Hortense niet tusschenbeide gekomen was en, zonder eenigen angst te toonen, hem naar achteren gedrongen had.
"Laat me los, laat me los!" brulde hij.
"Den je een wild beest of een mensch?" vroeg zij verachtelijk, den Javaan wenkend heen te gaan.
"Bah, foei! hoe misselijk, zich zoo aan te stellen tegenover de inlanders."
Zij bracht hem de galerij uit en de slaapkamer in, liet hem op den divan zitten, gaf hem water, maar zonder eenig vertoon van teederheid, met de minachtende, trotsche uitdrukking op haar gelaat, die haar zoo ongenaakbaar deed schijnen.
Hij ging voort met razen, opvliegen, zijn woede in bedreigingen en verwenschingen uitend; telkens wilde hij de kamer uitstuiven, maar Hortense duwde hem telkens ,veer terug op de canapé.
"Je laat het! Je hoeft ons huis niet in opspraak te brengen; de bedienden zullen denken dat hun heer gek is geworden. 't Is me de moeite waard, je zoo op te winden."

[119:]

"Ja, maar wie kan zoo iets nu verdragen? Laat me los. Dien kerel moet ik vermorzelen."
"Zoo! Dat zal je ver brengen. En ik wil het niet, je blijft hier. Je blijft!"
En zij greep zijn handen in de hare, hoewel hij worstelde om ze los te krijgen."
"Goed! maak mij maar dood, als je mij moe bent. 't Staat je mooi moet ik zeggen, erg lief, maar los laat ik je niet!"
Zijn pogingen om zich van haar los te rukken werden flauwer en flauwer; de heldere, vaste blik, waarmede zij hem hypnotiseerde, maakte hem kalmer; eindelijk viel hij op de kussens neer, hijgend, kermend, schokkend over zijn lichaam, soms een dof geluid doende hooren, dat op een gehuil leek.
Hortense bleef hem aanzien; zij was doodsbleek en schrikte toen zij even in den spiegel zag. Al haar bloed scheen uit haar gelaat weggetrokken, alleen haar oogen glommen met wonderlijken glans en schenen nog zwarter dan anders; haar handen waren ijskoud, en van binnen gloeide zij, als was haar bloed vuur geworden.
"Ik moet flink zijn, ik moet," herhaalde zij telkens.
't Was stil in de kamer; alleen het doffe gekreun van Philip verbrak de stilte, de kerees [Rieten gordijnen] tikten door den wind tegen het raam; in de verte klonk een gamelan, voor haar voeten danste een rozet van licht in een zonnestraal, die ergens langs een ronde opening naar binnen was gedrongen.
"Eveline en haar moeder zouden hem kussen, hem streelen, hem stil laten liggen, maar dat doe ik niet. Ik walg van hem! Als hij de lepra had, zou ik hem

[120:]

kunnen oppassen vol liefde en zorg, maar nu, neen nu niet!" Zij keerde zich om, maar 't was of zij lood in de voeten had; zij wankelde, alles danste om haar heen, die rozet, de meubels en de muren; zij moest zich vasthouden aan de tafel, toen aan een stoel.
Daar was de deur! Zij had die zoo even toegemaakt; al tastend, zoo duizelig voelde zij zich, maakte zij die open en stond in de achtergalerij, op den eersten den besten stoel viel zij neer, zij rilde als van koorts, zij zag naar haar nagels, die blauw waren. In haar hoofd gonsde en bruiste het, haar ooren konden niets meer onderscheiden, alles smolt weg of ineen; sluiers zakten voor haar oogen, er steeg iets naar haar keel op...
"Ik wil niet - ik wil wakker blijven," riep zij zich zelf toe; zij had het willen uitschreeuwen, maar 't kwam niet verder dan tot haar borst; zij snakte naar lucht, zij trachtte zich op te heffen, maar toen begaf haar alles, zij gleed van den stoel en viel voorover op den marmeren vloer.
"Astaga njonja!" riep de meid, die een poos later haar zoo vond. "Toewan, toewan!"
Philip, tot bedaren gekomen, liep de kamer op en neer; bij het roepen der meid kreeg hij zijn bezinning geheel terug.
"Hortense," gilde hij, "Hortense! Mijn engel, mijn schat! Wat mankeert je? Ellendeling, die ik ben, ik heb haar doodgemaakt!"
Hij nam haar op en legde haar te bed; zijn eigen aanval was nu geheel voorbij; hij liet azijn komen en eau de cologne, wreef haar polsen en slapen, kuste haar onder de teederste namen. Eindelijk werd zij wakker, maar nauwelijks zag zij hem, of zij begon weer te rillen en sloot de oogen.

[121:]

"Hortense, lieveling! Vergeef mij, vergeef mij! O foei! Wat heb ik toch gedaan, mijn engel!"
"Houd je stil," en zij wenkte met de hand; "laat me zoo liggen, dan gaat het wel over."
En zij keerde zich om.
Een oogenblik later begon zij zenuwachtig te snikken, zóó hevig, dat Philip zich verschrikt over haar boog en haar onder hartstochtelijke kussen smeekte tot bedaren te komen.
"Ik kan niet - laat mij begaan!" en zij rukte zich los van zijn liefkoozingen.
In wachtend nederzitten deed Philip zich de heftigste verwijten; hij haatte zich zelf weer en voelde zich bitter vernederd door den nieuwen aanval van wat hij zijn kwaal noemde en die hij bijna genezen dacht.
Hortense, altijd zoo meesteres van zich zelf, zoo kalm, zoo vroolijk, op hem zulk een bedarenden invloed uitoefenend, en nu als gebroken daar neerliggend door zijn schuld, het was niet te dragen!
Hij ging naar buiten, zocht den bediende op, het slachtoffer van zijn drift, en gaf hem een rijke schadeloosstelling, die de ander grinnikend van pret aannam; daarvoor had hij wel meer mishandelingen over.
Toen hij terug wilde keeren in Hortense's kamer, kwam de meid hem bij de deur tegen:
"Njonja tidoer - mevrouw slaapt!"
Hij moest zich verwijderen en dwaalde door huis, erf en langs den weg als een verbannen geest.
"De gevangenis is er niets bij," zuchtte hij telkens.
's Avonds kwam Hortense weer aan tafel, bleek, ontdaan, de oogen blauw omkringd, mat in haar bewegingen; hij wilde haar omhelzen, vergiffenis vragen, beterschap beloven; zij weerde hem met een gebaar van onuitsprekelijke moeheid af.

[122:]

"Niet doen, Flip! 't Hoeft niet! Je kunt het immers niet helpen, anders was het een schande, je zelf en mij zoo toe te takelen. Laten wij er niet meer over praten!"
Hortense was spoedig weer de oude, maar toch met een zweempje terughouding over zich, iets als een angstig onttrekken aan te groote demonstraties van zijn teederheid, hetgeen Philip belette zijn bui te vergeten; maar overigens scheen het geval geen al te diepe sporen bij haar te hebben nagelaten.
Anders bij Philip; hij vergat zijn angst voor de gevolgen zijner uitbarstingen bij Hortense nog zoo spoedig niet, en weer gingen maanden vol kalmte en tevredenheid voorbij, die hun huiselijk geluk op vaste grondslagen schenen te vestigen.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina