Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


XII.

Nu begon de drukte van het uitzetkoopen, en Hortense wilde alles geheel naar haar eigen inzicht doen.
"Wat zal dat een geld kosten!" zuchtte Eveline met ten hemel geslagen oogjes.
"Dat die oom ook zoo dwaas is, haar de vrije beschikking te laten over haar nietig kapitaaltje. Hij moest toch wijzer wezen dan dat kind!"
Tegen Philip zei men er natuurlijk geen woord over, dat hielp toch niet, hij keek immers slechts door haar oogen. Wanneer die Hortense nu maar niet zoo onberispelijk lief was tegen zijn familie, dan zou hij het misschien anders inzien, maar zij was een en al voorkomendheid jegens mevrouw en Eveline.
Op alle manieren kwam zij haar te gemoet; nooit verscheen zij op de villa zonder een bouquet bloemen voor mevrouw, zij durfde geen "mamatje" zeggen, nadat een poging in deze richting op alles behalve aanmoedigende wijze was opgenomen.
Zij hielp Eveline ongevraagd met alle kleine huiselijke bezigheden, als zij op bezoek was; zij luisterde aandachtig naar alles wat mevrouw noodig vond haar te zeggen over het punt van inkoopen en uitrusten - maar deed toch haar eigen zin.

[105:]

Niets kon den muur van wantrouwen en tegenzin tusschen haar en Philip's familie omrukken; al haar vriendelijke oplettendheden werden met een soort van minachting ontvangen, welke zij nooit scheen op te merken. Philip zag echter hoe alle eerste stappen door zijn meisje werden gedaan en hoe noch zijn moeder noch Eveline haar een stroohalm tegemoet kwamen; dit werkte natuurlijk mede om hem ten opzichte zijner familie te verkoelen en hem nog nader tot Hortense te brengen.
"Als wij zoo veinzen konden als zij, dan zou Philip het heel anders inzien. Maar zoo zijn die mannen nu allemaal," verklaarde Evelientje in haar hooge wijsheid en ondervinding, "zij zien maar het uiterlijke in groote, grove trekken, en het kleine ontsnapt hun oog. Merkte u wel, ma, hoe zij gisteravond een gezicht trok, toen u zei, dat het gekheid was, beddelakens te nemen met een open rand?"
"O ja, zij doet niets dan in zichzelf lachen, als ik wat zeg, en Philip heeft er geen idee van. O wee, als hem eens de oogen open gaan."
"Ach, die beste jongen! Wat zouden Nellie of Francine of Gretha heel andere vrouwen voor hem geweest zijn."
"En 't ergste is, je durft hem niets zeggen, want dan zou hij opstuiven, dat het een aard had."
De kennissen moesten het allen hooren hoe mevrouw en Eveline over de aanstaande schoondochter en zuster dachten, en als deze in hun goedigheid haar trachtten te troosten door te zeggen: "Wie weet hoe het meevalt, of zij niet juist goed bij elkander blijken te passen," dan werd treurig het hoofd geschud en met een benauwd gezicht, dat Hortense ondeugend het "schoondochters-gezicht" noemde, gejammerd:

[106:]

"Ach neen! Zij deugt niet; hij gaat zijn ongeluk te gemoet, en wij moeten het aanzien, wij kunnen er niets aan doen. Had hij maar een gewoon burgermeisje getrouwd, dan zou ik geruster zijn. Wanneer ik zijn eigen moeder was, dan weigerde ik bepaald mijn toestemming, maar wat helpt het nu? Het zou maar verwijdering tusschen ons brengen. Hij is al zoo veranderd, sedert hij onder den invloed van dat nest staat."
Toen alles over Philip's betrekking geregeld was, ging Hortense logeeren te Amsterdam, bij haar tante, om daar haar laatste inkoopen te doen. Philip moest natuurlijk ook mede en nam zijn intrek bij vrienden van hem.
Het was een druk huishouden bij tante, de zoete inval van alle familieleden en vrienden, altijd waren er logés, altijd gasten te eten of te drinken. Men kwam thuis of ging uit, geen enkele dag was gelijk aan den anderen; geen oogenblik had men in dit huishouden tijd om op adem te komen of aan zichzelf te denken; altijd stond men gereed voor het genoegen en het gemak van anderen, die van deze eigenaardigheid het noodige misbruik maakten, zonder dat het de gastvrije familie maar in 't minst scheen te vervelen.
Wanneer er bij toeval eens geen logés waren of men geen invitatie had om 's avonds, 's middags of 's morgens uit te gaan, dan keken mama en de dochter elkaar lusteloos aan, klaagden over hoofdpijn, kiespijn, rheumatiek, dwaalden geeuwend van de eene kamer naar de andere, hingen op canapé of easy-chairs en vroegen heel benauwd of er aan den dag dan geen einde kwam.
Dit nam echter niet weg, dat men soms hartver

[107:]

scheurend klachten kon aanheffen over het drukke, rustelooze leven, over het niet tot rust komen, over het onbarmhartige jagen en reppen, waartoe men dagelijks veroordeeld was.
Toen de mooie nicht belet vroeg om haar uitzet te koopen, trof het juist, dat men reeds twee, drie of vier aanvragen tegelijk had van logé, die zoo gaarne Amsterdam wilden zien, of die een professor moesten raadplegen, of die in zoo lang van Lina, Mina, Lise of Julie niets hadden gehoord en nu zoo vreeselijk verlangden haar eens te omhelzen.
Het was dus een stortvloed van klachten en zuchten over den last, die 't hun veroorzaakte, over de brutaliteit van die nuf, die in zoolang niets van zich had laten hooren, die hun niets vooruit had geschreven van haar engagement, voordat zij er de gedrukte annonce van ontvingen, over het met haar moeten atloopen van winkels en leveranciers; maar men kon het niet afschrijven om oom Bernard, en het meisje ging toch naar Indië, en dan had men nooit meer last van haar; dus men moest in 's hemels naam zich maar in het onvermijdelijke schikken en haar afwachten. Zij moest met die en die komen, dan had men ze ten minste gehad en kon dan, na haar vertrek en als die en die ook hun beurt hadden gekregen, eindelijk op wat meer rust en kalmte hopen.
Dit nam echter niet weg, dat Hortense en Philip allerhartelijkst ontvangen werden; dat tante en de nichtjes met haar mee gingen inkoopen doen, haar de beste adressen opgaven en eindigden met zeer, zeer ingenomen te zijn met het jonge paar.
Nu Hortense als geëngageerde niet meer de aandacht afleidde van de onbeduidende nichtjes, verscheen zij hun en hun mama in een geheel ander licht. Zij

[108:]

vonden haar nu allerliefst, beschaafd, innemend en bescheiden. Oom had natuurlijk niet noodig gehad zijn oordeel te wijzigen; evenals alle heeren, had hij zijn nichtje altijd een almachtig aardige meid gevonden.
Ook Philip viel bijzonder in den smaak; dat hij een zaak met de justitie had gehad, vond men met echt grootsteedsche vrijzinnigheid niets erg; een studentenvechtpartij, uit een jool ontsproten, dat was minder dan niets; hij was vroolijk, galant voor de nichtjes, ondanks zijn positie als aanstaanden bruidegom, alles redenen waarom men hem heel gaarne mocht en nog veel schitterender partijen gunde dan die Hortense Charière.
Ondanks al haar drukte vergat Hortense haar gedragslijn tegenover de dames Van Asten niet; zij kocht allerlei aardigheden voor haar en liet ze Philip zien, met de vraag of 't hem niet voorkwam, dat ma en Eveline daarin pleizier zouden hebben, maar het glanspunt van haar hartelijkheid was, dat zij haar tante wist te bewegen, Eveline te logeeren te vragen. Philip stond verrukt over den grooten tact, waarmede zij haar tante er toe gebracht had, dit zelf voor te stellen als iets wat haar en den nichtjes groot genoegen zou doen.
Philip, wetende dat logeeren te Amsterdam tot Evelientje's liefste droombeelden behoorde, wist niet hoe Hortense genoeg te danken, dat zij haar dit genot verschafte; hij schreef in opgewonden bewoordingen over Hortense's allerliefsten inval, de hartelijkheid der familie, het genoegen, dat zij hun allen zou doen met de invitatie aan te nemen en over te komen.
Het was nu immers de stille tijd, behalve de juffrouw met haar mevrouw, hadden zij geen logés meer. Ma

[109:]

kon haar best voor eenige dagen missen, en Hortense schreef onder den brief deze woorden:
"Lieve, beste zusje, wij verheugen ons allen zoo op je komst. Is het goed, dat wij je Zaterdag trein zooveel afhalen? Dan gaan wij 's avonds naar de Freischütz en soupeeren bij Van Laar. Wij rekenen vast, vast, vast op!"
Mevrouw Van Asten, die haar dochter gaarne zoo'n pretje gunde, vond het in het eerste oogenblik toch wel aardig, maar Evelme, hoe uitlokkend haar het voorstel ook toescheen, wierp den brief van zich af en zeide beslist: "Ik doe het niet."
"Maar, kind," sprak de moeder, "'t is zoo'n eenige gelegenheid, je zou zoo graag Amsterdam eens willen zien."
"Dat doe ik zeker graag, maar liever zet ik er mijn leven lang geen voet, dan op deze manier te gaan. Hoe liever zij zich voordoet, hoe onrechtvaardiger onze teruggetrokkenheid schijnt. 't Zou karakterloos zijn, als ik van haar familie en haar valsche vriendelijkheid profiteerde. Ik schrijf haar dadelijk af."
Het ging mevrouw Van Asten toch eigenlijk na aan het hart, dat Evie die aardigheid misliep, te meer daar Nellie en Anna, die haar vroeger herhaaldelijk te logeeren hadden gevraagd, na Philip's engagement er geen woord meer over repten, maar zij moest haar toch eigenlijk gelijk geven en bewonderde haar vastheid van karakter; hoe minder verplichting men aan dat meisje en aan de Charières had, hoe beter. In vrij koele termen bedankte zij dus voor de eer en de hartelijkheid der invitatie en betreurde ze niet te kunnen aannemen, want zij kon haar moeder niet alleen laten.
Philip was zeer boos, Hortense glimlachte alleen en zeide doodbedaard:

[110:]

"Zij wil niets aan mij te danken hebben. 't Spijt me erg, dat ik het hart van je zuster niet kan winnnen. Ik heb er mijn best genoeg voor gedaan; bij anderen lukt het mij zoo gauw, maar bij haar wil het niet."
"Ik begrijp niet hoe 't komt," zeide Philip, "Evelientje is anders zoo aardig en vriendelijk, zoo zacht, volgzaam en aanhalend."
Hortense had moeite een medelijdend lachje te onderdrukken en dacht intusschen:
"Die goeie mannen, wat laten zij zich door een beetje liefheid beetnemen; het mooiste verguldsel, dat de vrouwen op haar egoïsme en haar grillen kunnen leggen, is zachtheid en lievigheid. Onder zoo'n laagje, hoe dun ook, kunnen zij de leelijkste dingen wegstoppen. De mannen merken het toch niet."
Bij haar terugkomst gaf Hortense de verschillende kleinigheden, die zij voor Eveline en haar moeder gekocht had, aan Philip mee.
"Geef jij ze hun maar, dan heeft het meer waarde dan als ik ze breng."
Philip gaf ze over, maar verzuimde niet te zeggen dat Hortense die dingen met zoo veel liefde en zorg had uitgezocht en, gekocht.
Eveline werd wit van kwaadheid; het waren alle smaakvolle, mooie voorwerpen, waarvan het bezit haar hoogst gelukkig had gemaakt, als zij maar niet van Hortense afkomstig waren geweest; 't liefst had zij ze in het vuur geworpen, maar zij moest nog een vriendelijk gezicht zetten en er voor bedanken.
"'t Is heel aardig van Hortense," zeide zij met moeite, "maar zij had het niet moeten doen, 't is veel te veel en zij heeft zelf zooveel noodig."
"Dat is haar zaak en niet de jouwe," barstte Philip

[111:]

uit, "ik begrijp niet wat je tegenwoordig scheelt. In plaats je te verheugen in mijn geluk, in plaats van het te volmaken door mijn aanstaand vrouwtje als een zuster te behandelen, zet je altijd een gezicht als een vervolgde onschuld. Zij weet niet hoe lief zij je tegemoet zal komen, hoe zij jou met attenties zal oveladen, en wat krijgt ze daarvoor tot dank? Geen vriendelijk woord."
Eveline begon te huilen.
"Ach, Philip! Hoe kun je toch zoo hard zijn tegen ons. Jij bent veranderd, wij niet! 't Ligt niet in onzen aard, wel ma? om zoo demonstratief te doen, maar vraag ook niet, wie het 't best meenen. Wij hebben geen geld om Hortense al die cadeaux terug te geven."
"Maar wie vraagt dat dan? 't Is waarlijk of zij jelui cadeaux noodig heeft. Waar zij behoefte aan heeft, dat is aan een vriendelijk woord, een hartelijke omhelzing, maar noch jij, noch mama hebben dat voor haar over. Zij is een wees en zou niets liever willen dan hier moederlijke en zusterlijke liefde te ontvangen."
"Dat kun je begrijpen!" bitste Eveline, uit haar slachtoffersrol vallende.
"Bewijs dat, met je domme vooroordeel!"
"Och, kind," zoo kwam mevrouw Van Asten er tusschen, "houd toch op met dat onvruchtbaar gekibbel, jij en Philip verstaan elkaar niet meer na dat ongelukkige engagement. Ik weet niet wie er oorzaak van is. Ik denk wij zeker, daar wij zoo dom en bekrompen zijn om Hortense niet genoeg te waardeeren."
"'t Is om dol te worden," en Philip nam zijn hoofd in beide handen. 't Zou hem slechts een klein weinig toegeven hebben gekost, om door dit gekibbel weer op te vliegen, maar Hortense's verwijt klonk hem in de ooren:

[112:]

"Dat is min, misbruik te maken van hetgeen jij je ongeluk noemt, om daardoor jè zin te krijgen."
En met een krachtige poging van zijn wil, dwong hij zich tot bedaardheid of.liever tot een zeer gewone, alledaagsche verontwaardiging en verheugde zich intusschen dat de gedachte alleen aan Hortense een herfstdraad was, voldoende om hem tegen te houden.
"In plaats dat wij nu plezier hebben van onze cadeautjes, geeft het maar aanleiding tot allerlei harde woorden," pruttelde hij, "Hortense is wel gek jelui zoo te verwennen."
"Dat is zij ook, wij zijn het niet waard," dat klonk weer heel erg snibbig.
"Och, kinderen," zuchtte mevrouw, "houdt je toch stil, vergalt den korten tijd dat je nog samen bent niet door dit onvruchtbare gekibbel. Waarover beklaagt Philip zich toch? Wij zijn heel blij met die presentjes, maar wij kunnen toch niet, als kleine kinderen, van plezier in het rond gaan dansen en in de handen klappen? Daarvoor zijn wij te oud geworden en hebben wij ook te veel verdriet en zorg gehad."
"Nu ja, maar u kon toch wel gewoon lief en hartelijk zijn? Waarom die invitatie van Amsterdam afgeslagen, die toch zoo goed gemeend was?"
"Begin daar maar niet over, dat is al te lang geleden en dat brengt ons te ver! Och, Philip, hoe kun je zoo bitter zijn, bedenk eens, wij zien elkander misschien in jaren - misschien nooit meer terug, en dan die laatste dagen altijd in oneenigheid en misverstand doorbrengen!"
Moeder en dochter snikten om het hardst, maar op Philip maakten die tranen niet meer den indruk van vroeger; hij ging zonder een woord te zeggen

[113:]

er uit en sprak niet meer over de zaak.
Tot den trouwdag bleef echter die wolk van wederzijdsch misnoegen tusschen hen hangen.
Toen zij trouwden, was heel Grondvoort op de been; zoo'n gedistingeerd paar had men in lang niet gezien, zelfs niet toen freule Zus met baron Zóó trouwde.
Mevrouw Van Asten en Eveline huilden of zij al haar tranen in ééns kwijt moesten raken, de bruid hield zich doodbedaard en kalm; zij liet zich door haar ooms, tantes, neven en nichten zoenen naar hartelust, zonder iemand een kus terug te geven. Zij wist dat zij er nog nooit zoo goed had uitgezien als nu in haar meer elegant dan kostbaar bruidstoilet. De bewonderende blikken van de mannelijke, de critische van de vrouwelijke gasten zeiden het haar genoeg.
Philip was een gelukkige kerel, dat was zeker, en niemand scheen daarvan zoo overtuigd als hij zelf.
Bij het vertrek der jongelui nam Philip een teeder afscheid van zijn moeder en zuster. Ook Hortense kreeg haar deel; maar zij werd zoo bijzonder hartelijk omhelsd en gekust, alléén om haar te kunnen influisteren:
"Vergeet niet dat zijn geluk je hoofddoel moet wezen."
Hortense vertrok spottend haar lipje, wat Eveline opmerkte en haar aanleiding gaf; met een paar diepe zuchten te klagen:
"Zij heeft niet het minste gevoel! Zij lacht en spot met de heiligste dingen."
Zij kon niet vermoeden dat een oogenblik te voren Hortense haar oom Bernard de hand had gegeven en toen met trillende stem zeide:
"Oom, ik dank u voor alles, wat u voor het arme weesje geweest is."
"Kind," antwoordde Charière, zijn snor stukbijtend, "'t was maar zoo weinig, zoo bitter weinig."

[114:]

"Neen, oom, 't is zeer veel geweest, Ik hoop u altijd waardig te blijven."
"En wat jij belooft, dat doe je, Hortense! Ik houd je dus aan dat woord, Het leven wacht je nu, het volle, rijke leven."
"Ja, oom!" En toen, zich eensklaps aan hem vastklemmend, snikte zij angstig: "Oom, nu ben ik zoo bang! Ik heb er naar verlangd, naar gesmacht, en nu, nu wou ik dat ik altijd hier kon blijven, bij u."
"Maar, Hortense," en hij kon van schrik haast geen woord uitbrengen, "wat scheelt je nu? Je houdt immers innig van Philip en hij ook van jou!"
"Ja, oom, zeker, zeker! Maar ik kan 't niet helpen; 't is weer over!"
Zij beet op haar lippen, en haar mooie oogen stroomden over van tranen; haastig, half geërgerd wischte zij ze af; haar borst hijgde op en neer van met geweld ingehouden snikken,
Zij scheen op het punt iets te zeggen, maar toen keerde zij zich om, bleef bij de deur staan om tot zich zelf te komen en laadde een oogenblik later door haar koele manier van zijn het verwijt op zich, dat zij lichtzinnig en spotziek was.
Oom Bernard schudde het hoofd.
"Die vrouwen, die vrouwen, men leert ze nooit kennen."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina