Melati van Java: Herfstdraden
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1907, tweede druk
[eerste druk: ca 1896]


XI.

Hortense kwam over den drempel van mevrouw Van Asten terug, zooals zij gewenscht had, met hoog opgericht hoofd, aan den arm van den zoon des huizes; zij werd ontvangen, zooals zij verwacht had, statig, waardig, geheel onder protest.
"Maak mijn zoon gelukkig!" zeide mevrouw Van Asten, "ik hoop dat je het kunt!"
Eveline gaf haar een zeer flauw handje.
"Ik feliciteer u - Hor - juffrouw!"
Maar Hortense zette zich over alles heen; met een tact, dien men van haar jeugd niet zou verwacht hebben, deed zij of zij al het gedwongene van de ontmoeting niet merkte en toonde zich niet overdreven

[99:]

toch vriendelijk, voorkomend, tegenover Eef onderworpen en kinderlijk. Geen spoor van triomf of valsche voldoening.
"Een actrice!"
Dit kreeg zij na, toen zij vertrokken was, en Hortense dacht met een zucht van verlichting:
"Goddank! dat ik naar Indië ga en de groote zee ons van elkander zal scheiden, Ik zal hun goed voor kwaad teruggeven en liever zelf gebrek lijden, dan dat zij niet ruim door Philip geholpen worden."
Zij vond het zeer edel van haar zelf bedacht, op deze wijze haar schoonmoeder en schoonzuster onder haar goedheid te overstelpen en meteen zich tegenover Philip op een voetstuk te plaatsen en een hoogte te bereiken, van waar zij op hem neer kon zien.
't Kostte haar geen moeite; nu zij haar doel bereikt had, en de beide dames op het hoofdpunt overwonnen had, was het haar een genot nederbuigend, edelmoedig te zijn, en zij dacht er misschien niet eens aan, dat haar liefheid moeilijker te dragen zoude zijn dan beleedigingen.
"Waarom hebben zij toch zoo'n hekel aan mij?" vroeg zij, "ik begrijp niet, dat jij alleen van de familie zoo'n heel ander idee over mij hebt."
"Omdat ik je beter ken, natuurlijk."
"Meen je dat? Nu, ik wou ze zoo gaarne overtuigen, dat ik zoo zwart niet ben als ik lijk, of als als zij mij afschilderen. Als wij tien gulden apart leggen per maand, Philip, dan wil ik dat je er minstens vijf naar Holland zendt voor hen. Ik wil niet, hoor je, ik wil volstrekt niet, dat zij zich meer aftobben; je ma wordt een dagje ouder; laat zij met Eveline een klein huis betrekken, en dan niet meer van die vervelende pensionmenschen houden."

[100:]

Philip zag haar bewonderend aan; hoe heel anders, hoe veel verstandiger en - liefdevoller nam Hortense alles op. Wat deden mama en Eveline haar toch onrecht aan, maar hij zou het haar wel vertellen wat zij van plan was, zoo'n engel, en dan leerden zij stellig inzien, dat zij haar miskenden, zijn lieve, goeie Hortense.
"Kostte het je veel moeite, hun - niet om toestemming te vragen, - maar ze er in te laten berusten?"
"Neen," antwoordde Philip lachend, "ik begon driftig te worden, en toen sloeg de schrik hun om het hart, en zij wisten niet hoe spoedig zij mij mijn zin zouden geven."
Nu werd Hortense plotseling stil en boos; zij zag Philip verontwaardigd aan, tot hij vroeg:
"Nu, wat is er Reine Hortense?"
"Dat is min en dat zal ik nooit van je verdragen! Je treurt en klaagt over je erfelijke kwaal, je doet! alsof de angst daarvoor alleen je gek zou maken, en in het naaste oogenblik gebruik je iets, dat je zelf zoo verschrikkelijk vindt, als een stout kind een middel om zijn zin te krijgen. Dat vind ik laf en je hoeft nooit met dat middel bij me aan te komen, dat en wantrouwen zijn twee dingen, die ik nooit vergeef."
"Maar, Hortense!"
"Ja, je trouwt geen doetje, als je dat maar weet. Met die groote rollende oogen van jou, maak je mij niet bang, volstrekt niet."
"Ik zal ze nooit tegen mijn lief vrouwtje opzetten."
"Ja, dat zeg je nu, maar kom er eens over een jaar om. Ik wil met zoo'n boeman niet te doen hebben."
"Maar, darling! Ik hoefde mij niet op te winden,

[101:]

ik was waarlijk boos! Eveline zeide iets, dat veel kalmer naturen razend zou hebben gemaakt."
"Nu ja, ja, je kent ze toch; hoe dol zij op je zijn, en hoe zij mij haten. Stel je toch ook in haar plaats."
"Och, Hortense! Wat ben je toch verstandig, en hoe gelukkkig dat zoo'n dollekop als ik zoo'n wijs vrouwtje krijgt om op te vertrouwen en op te steunen."
"Omgekeerde wereld; denk je dat ik geen steun noodig heb?"
"Nu, dan helpen wij elkaar en dan vreezen wij niets ter wereld!"
Hortense had nog altijd iets op het hart, maar zij kon het niet over de lippen krijgen tegenover Philip.
Oom Bernard had Philip's aanzoek juist zoo aangenomen zooals Hortense verwachtte; hij wist dat zij vroeg of laat zou trouwen, en hoe makkelijk zijn nichtje hem ook zijn taak van voogd maakte, hij kende haar te goed om er niet van overtuigd te zijn, dat minder dan hij geschikt was over een mooi,levenslustig meisje te waken.
Verantwoordelijkheid drukte hem meer dan iemand vermoedde; hij was te schuw en te onbeholpen om zich het allerminste met Horlense's doen en laten te bemoeien. Hij vreesde niets meer dan onaangenaamheden en had er behoefte aan door haar lief en vriendelijk behandeld te worden, maar intusschen vervulde hem steeds de vrees, dat hij in een of ander opzicht te kort schoot aan zijn plichten; het was dus een ware verlichting voor hem, toen Philip zich aanbood zijn taak over te nemen. Met genot dacht hij aan het kalme, door niets meer verstoorde leven, dat hem zou wachten na Hortense's huwelijk, als hij onbezorgd zijn tijd zou kunnen wijden aan zijn lessen en studiën.
Daarenboven was Philip een goede jongen; dat hij

[102:]

een gevaarlijk gebrek bezat in zijn drift, schrikte Hortense niet af; nu gingen zij naar Indië, dat was Hortense's geboorteland, daar hoorde zij thuis, en oom Berhard stelde zich blijde voor, hoe zijn taak zou zijn vervuld, wanneer hij zijn nichtje met haar man op reis zag gaan naar het verre land. Zijn broeder, die hem de zware verantwoordelijkheid voor het lot zijner dochter op de schouders had geladen, kon tevreden zijn.
"Hoor eens, Philip," sprak hij eenige dagen na het publiek maken van het engagement, toen Hortense hen alleen had gelaten, "er is nog iets dat je weten moet. Ik had het je dadelijk dienen te zeggen, toen je mij haar hand vroegt, maar je weet, ik ben in die dingen niet thuis en ik dacht, 't is vroeg genoeg als je het hoort, wanneer wij de papieren voor het huwelijk in orde brengen."
"Oom, u maakt mij ongerust!"
"Och, 't doet er eigenlijk niets toe, maar het kind wou hebben dat ik het je zeggen zou; zij schijnt er tegenop te zien het te vertellen. Mijn broer heeft een ongelukkige keuze gedaan; zijn vrouw was een Indische, beeldschoon, maar wat luchthartig. Zij zijn gescheiden, kort voordat mijn broer stierf, en het was zijn grootste zorg, dat Hortense nooit meer onder den invloed van haar moeder zou komen, hij heeft daarvoor alle wettelijke bepalingen gemaakt."
"En zij leeft nog?"
"Ja, misschien wel, maar waar weet ik niet, ergens in Indië, - zij heeft natuurlijk alle voogdijrechten verloren. Och, 't kan ook zijn dat het zoo erg niet was, maar mijn broer was een beetje jaloersch uitgevallen en zij was nog haast een kind. 't Was een treurige geschiedenis."

[103:]

"En Hortense weet dat alles?"
"Je weet, mijn moeder was zóó - zóó streng, en nu schijnt zij eens iets daarvan gezegd te hebben, en dat maakte de herinneringen van het kind wakker, en toen heeft zij mij geen rust gelaten, vóór ik haar alles zoo voorzichtig mogelijk mededeelde, maar bij jou maakt het natuurlijk geen verschil, niet waar?"
"Integendeel!" riep Philip uit de volheid van zijn hart, maar toch dacht hij: "God geve, dat mama en Eveline daar niets van te hooren krijgen, dan is het weer een nieuwe grief tegen mijn arm meisje."
Zoodra hij Hortense na dit gesprek weer terugzag, trok hij haar liefkoozend naar zich toe en vroeg:
"Was het zoo erg, mij dat te zeggen?"
"O Philip!" en zij verborg haar gloeiend gezichtje tegen zijn schouder, "ik schaam mij er voor, als kind heb ik zoo vreeselijk onder die scènes geleden; het kostte haar zoo'n moeite van mij te scheiden, toen ik naar Holland werd gezonden, en grootma zei het mij zoo ruw en onbarmhartig."
Zij begon zacht te snikken, en Philip, die van haar zulk een uitbarsting niet gewoon was, welke hij bij zijn moeder en zuster om elke kleinigheid zag, suste en troostte haar zoo teeder, alsof hij haar vader was en zij een klein, bedroefd kindje.
"Lieve, kleine meid! Maak je daar niet bezorgd over; wij kunnen het immers niet helpen wat onze ouders waren, je hebt het mij zelf gezegd, en het stemde mij zoo rustig, dat mijn vader door eigen schuId zoo ongelukkig is geworden."
"Ik heb altijd mijn best gedaan - sedert dat ik het wist - en er voor gebeden om heel anders te zijn dan mijn arme moeder, en nu moeten wij er nooit meer over spreken, en je moet het op Gloria

[104:]

ook niet vertellen, want dat doet me zoo'n pijn."
Het kostte Philip volstrekt geen moeite dit te beloven; nog nooit had hij Hortense zoo zacht en vriendelijk gezien als dezen middag; het gaf haar in zijn oogen nieuwe aantrekkelijkheid.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina