Melati van Java: In extremis
Amsterdam: L.J. Veen, tweede dr. 1897 (1e dr.1896)


Twee maanden nadat Céline Samarang verlaten had met geen ander gevoel in haar hart, dan dat zij alweer een nieuwe betrekking ging aanvaarden, naar zij hoopte haar laatste, kwam zij bij haar vriendin mevrouw Van Velden terug in zware rouwkleeren, een schaduw van haar vroeger zelf, een gebogen, geknakte, doodsbe droefde weduwe.

[61:]

"Arme, arme Line," zeide Elise, nadat zij elkander lang sprakeloos hadden omhelsd, "wie had zoo iets kunnen denken? Als ik dat geweten had!"
"Ach, Lise, ik ben je zoo dankbaar, zoo innig dankbaar, je hebt mij zoo'n kostbare herinnering gegeven, mijn leven verwijd, mijn hart opengezet. 0, wat ben ik veranderd en als je wist hoe lief mij zelfs mijn smart geworden is, daar ik ze aan. hem dank! Hoe ze mijn kostbaarste schat blijft."
"Niemand zal 't gelooven," snikte Lise, "zelfs mijn man niet," dacht zij, "en toch kan ik er goed inkomen," voegde zij er hardop bij.
"Ja jij, maar ook niemand anders, daarom zal ik mijn verdriet ook niemand vertoon en, ik zal het verbergen, zooveel ik kan."
"En wat zijn je plannen nu?"
"Naar Holland gaan! Hij verlangde het, al valt het mij hard zijn graf te verlaten, maar hij is altijd om mij, ik voel het! Daar zal ik rust hebben, daar zal ik vrij aan hem kunnen denken, terwijl h i e r. ..."
Om de zoogenaamde kletstafel in de societeit werd er ook gesproken over den dood van Telwerda, over de promotie, daardoor ontstaan en een die het wist, vertelde:
"Verbeeld je, hij is getrouwd i n e x t r e m i s met een meisje dat hij nooit gezien had, om zijn pensioen niet weg te werpen."
"Wanneer?"

[62:]

"Een week of zes, zeven geleden."
"Nu, die heeft dan ook geboft, zoo gauw pensioen verdiend!"
"En vrij passage naar Europa."
"Zoo vlug, dat kunnen wij niet in dit lam lendig land! Sapada, sopie sama pait!" [ Aannemen! Een bittertje!:]


inhoud | vorige pagina